Return: Wiskunde
Home Page: http://wiskunde.wjsn.nl


Uitwerking Oefen Proefwerk Hoofdstuk 2

Opgave 1.
Er zit 20000 liter brandstof in een tank. Het schip heeft er drie; dus 60000 liter. Een motor gebruikt 125 liter per uur; acht motors dus 1000 liter per uur.
a. Je moet 60000 liter delen door 1000; antwoord = 60 uur. Na 60 uur is de brandstof op. Voor die tijd moet er dus getankt worden.
b. Na 24 uur is er 24000 liter gebruikt. Dus er zit nog in de tanks: 36000 liter. Er zijn nog zes motors die werken. Die gebruiken 6 maal 125 liter = 750 liter per uur. Je moet nu dus 36000 delen door 750 en dat is 48 uur.


Opgave 2.
Jan kan het drankje maken met 51 spinnen. Hij houdt er dus 49 over. De tabel staat hieronder.
Slangenogen 35 1 17
Spinnen 105 3 51


Opgave 3.
Het makkelijkste is: eerst 15 maal 16 uit te rekenen. Je krijgt dan 240 Euro. Dat bedrag zet je in de 2 verhoudingstabellen. Daarna moet je uitrekenen hoeveel flessen je voor dat bedrag kunt kopen. Uit de tabellen rechts blijkt, dat je meer flessen kunt kopen bij de Edah.

Cola (Edah) 35 525
Euro's 16 240
Cola (Super) 30 480
Euro's 15 240

Opgave 4.
De grote glasbak weegt 250 Kg als hij leeg is. Als hij vol is, dan weegt hij 650 Kg. In een grote glasbak kunnen 2500 flessen. Dus 2500 flessen wegen 650 - 250 = 400 Kg.
In de verhoudingstabel zie je dat 100 flessen 16 Kg wegen. Daarna kun je vermenigvuldigen met 15 om het antwoord te vinden voor de kleine glasbak. Daar kunnen 1500 flessen in en die wegen 240 Kg. Door te delen kun je het antwoord vinden om de laatste vraag: 1 fles weegt 0,16 Kg.

Flessen 2500 25 100 1500 1
Kilogram 400 4 16 240 0,16

Opgave 5.
5,7 - 33,6 = - 27,9
(27,5 + 2,25) maal 3,7 = 29,75 maal 3,7 = 110,075
77 : (3,7 maal 8,6) = 77 : 31,82 = 2,41986


Opgave 6.
1,00305 / 32,0545 / 0,4995 / 7,325 / 12,6 / 10,539 / 12,603 / 0,0115
Los de opgaven op door te getallen op te tellen. De uitkomst moet je dan door 2 delen.
Wat ook kan is: eerst het verschil berekenen dat tussen de getallen zit. Daarna moet je de helft van nemen. Het getal dat je nu overhoudt, moet je optellen bij het kleinste getal.


Opgave 7.
15/35 + 14/35 = 29/35
8/36 + 3/36 = 11/36
3/14 - 2/14 = 1/14
22/24 - 9/24 = 13/24
3/30 = 1/10
1/84
6/126 = 1/21
4/84 = 1/28