Return: Wiskunde
Home Page: http://wiskunde.wjsn.nl


Oefen-proefwerk H5 (Hoofdstuk 5)
Met de oefeningen die hieronder staan, kun je je voorbereiden op je Wiskunde Proefwerk (Hoofdstuk 5), als je gebruik maakt van de EPN Methode [ Getal en Ruimte, Nieuwe Boek, ISBN 390 11 077067 ].


Test Proefwerk Hoofdstuk 5
BRON: www.wjsn.nl

Opgave 1.
Neem de figuur hiernaast zo precies mogelijk over op je proefwerkblaadje. Trek nu ook lijnen door de punten A en B en door A en C.
1.a. Teken de lijn m door punt C en evenwijdig aan lijnstuk AB.
1.b. Teken de lijn n door punt B, die loodrecht staat op lijnstuk AC.


Opgave 2.
2.a. Teken de driehoek ABC met de punten A(1,4), B(4,1) en C(6,3)
2.b. Teken de lijn p door punt A en evenwijdig aan lijnstuk BC.
2.c. Teken de lijn q door punt C en loodrecht op lijn p.
2.d. Het snijpunt van lijn p en q is het punt T. Welke coördinaten heeft punt T?
2.e. Bekijk nu de vierhoek TABC. Wat valt je op aan deze vierhoek?


Opgave 3. In de figuur hiernaast kun je verschillende hoeken ontdekken. Noteer hoeveel rechte, scherpe en stompe hoeken je ziet.


Opgave 4. In de figuur hiernaast kun je ook weer een aantal hoeken zien. Bij de hoeken, die je moet meten staat: A1, A2, A3, C1, C2, S1 en S2. Meet deze 7 hoeken en geef je antwoord in "graden".


Opgave 5. Hoe groot is de hoek tussen de wijzers van een oude kerkklok om:
5.a. kwart voor een?
5.b. half negen?
5.c. 13.30 uur?
Geef aan hoe je aan je antwoord bent gekomen. Doe dat voor: 5.a, 5.b en voor 5.c. Maak duidelijk waarom jouw antwoord redelijk precies is.


Opgave 6. Teken driehoek ABC , met: AB = 6 cm, BC = 5 cm en Ð B = 40°.


Opgave 7. Teken driehoek ABC , met: AC = 3 cm, BC = 5 cm en Ð C = 130°.


Opgave 8.
8.a. Teken de driehoek ABC met de punten A(-1,1), B(4,2) en C(0,4)
8.b. Teken nu ook nog het punt D(3,-2) en het lijnstuk CD.
8.c. Meet de twee hoeken bij hoekpunt C, die ontstaan zijn door het trekken van de lijn CD.


Opgave 9.
In de figuur staan een aantal lijnen. Ook zou je zelf lijnen kunnen tekenen b.v. die tussen punten A en I.
Geef hieronder aan of de genoemde lijnen: I. snijdende lijnen zijn OF: II. evenwijdige lijnen OF: III. kruisende lijnen.
9.a. Lijnen AE en DE.
9.b. Lijnen AF en CH.
9.c. Lijnen FG en GH.
9.d. Lijnen JH en CE. Geef een toelichting bij je antwoord.
9.e. Lijnen DE en GH. Geef een toelichting.
9.f. Lijnen AI en DF. Geef een toelichting.
9.g. Lijnen KI en CD. Geef een toelichting.
9.h. Lijnen JF en BC. Geef een toelichting.