Return: Wiskunde
Home Page: http://wiskunde.wjsn.nl


Oefen-proefwerk H1 (Hoofdstuk 1)
Met de oefeningen die hieronder staan, kun je je voorbereiden op je Wiskunde Proefwerk (Hoofdstuk 1). Als je gebruik maakt van de EPN Methode [ Getal en Ruimte ].


Test Proefwerk Hoofdstuk 1
BRON: www.wjsn.nl

Opgave 1. Elke kubus uit de rechter figuur heeft een ribbe van 15 cm.
1.a. Wat zijn de afmetingen van een doos waarin het hele bouwwerk zou passen: hoe breed, hoog en lang zou die doos zijn ?
1.b. Hoeveel kubussen zijn er gebruikt, denk je ?
1.c. Door extra kubussen te gebruiken, kun je een grote kubus maken met een hoogte van 60 cm. Hoeveel extra (kleine) kubussen heb je dan nodig ?


Opgave 2. Een balk en een kubus hebben beide als grondvlak de rechthoek ABCD. Het bovenvlak is het vlak EFGH.
2.a. Teken een uitslag van de balk. Gegeven is: AD = 15 mm, AB = 20 mm en AE = 25 mm. Noteer in je tekening van de uitslag ook de namen van de hoekpunten.
2.b. Teken een uitslag van de kubus. De ribbe AD = 13 mm. Noteer in je tekening van de uitslag ook de namen van de hoekpunten.


Opgave 3. Aan de rechter kant staat een bovenaanzicht van een deel van een sportveld. Aan de onderkant en aan de rechterkant zie je een (groene) lijn, waar de grensrechter langs loopt. Er staan vier spelers op het deel van het veld, dat je ziet: A, B, C en D.

3.a. Neem het sportveld over op je proefwerkblaadje. Doe dat zo precies mogelijk.
Zet nu een punt op de groene lijn, waar de grensrechter staat, als:
3.b. Hij alleen B en D ziet (zet erbij: punt 1).
3.c. Hij alleen B, A en D ziet (dit is punt 2).
3.d. Hij alleen D, A en C ziet (dit is punt 3).
3.e. Geef ook aan op de groene lijn waar de grensrechter staat als hij op een rijtje ziet: D, B, A en C (van links naar rechts).


Opgave 4. Teken een vierkant met daarin de hoofdletter T . Om de letter T te maken gebruik je 2 rechthoeken. Ga als volgt te werk.
4.a. Teken vierkant KLMN. De zijden zijn 7 cm lang.
4.b. Zet in het vierkant bovenaan de rechthoek OPMN. Lijn PM is 2 cm lang.
4.c. Teken nu ook de rechthoek ABCD met AB = 3 cm en AD = 5 cm.
4.d. Teken nu in alle rechthoeken diagonalen. Noteer de namen van deze 8 diagonalen.
Noem het snijpunt van de diagonalen uit rechthoek ABCD: punt Z
4.e. Teken een cirkel die door punt K gaat. Het middelpunt van die cirkel is het punt Z .


Opgave 5. In de figuur hiernaast is iemand begonnen met het tekenen van een balk.
5.a. Teken de figuur zo precies mogelijk over op je proefwerkblaadje.
5.b. Maar de figuur af en zet letters bij de hoekpunten. Denk om de volgorde.
5.c. Als de lijn AB 8 cm lang is, schat dan de lengte van lijn BC.
5.d. Hoe lang is dan de lijn CG ?
5.e. Welke twee grensvakken ontmoeten elkaar in lijn DH ?


Opgave 6. Hiernaast staat een (vragen) schema over ruimte figuren.
Vul overal de aantallen in. Als je het antwoord niet weet, vul je een vraagteken in. LET OP: het antwoord kan ook 0 (nul) zijn !

Ruimtefiguren
platte vlakken
gebogen vlakken
driehoeken
vierkanten of rechthoeken
kegel .. .. .. ..
kubus .. .. .. ..
piramide met vijf-
hoek als grondvlak
.. .. .. ..
bol .. .. .. ..
balk .. .. .. ..
prisma met drie-
hoek als grondvlak
.. .. .. ..
cilinder .. .. .. ..