Terug naar Vakkenhoek: Nederlands
Home Page: www.wjsn.nl


MARIKEN VAN NIEUMEGHEN
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen

MARIKEN VAN NIEUMEGHEN
De auteur van Die waarachtige ende een seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen is niet bekend, maar deze anonimiteit - zo karakteristiek voor de M.E. en gedeeltelijk ook voor de Rederijkerstijd - past eigenlijk niet meer bij dit stuk: in vele fragmenten vinden we de eerste renaissancistische kenmerken. De optredende personen vertonen de alledaags-menselijke eigenschappen, die passen bij de aardse werkelijkheid der Renaissance.
Zó wordt Mariken geen type van een zondig mens, maar is ze een zondig mens, die we met de auteur volgen op haar pad: de ruzie met de moeie, het verbond met de duivel, de zeven jaren van omzwervingen waarin het berouw groeit, en tenslotte het wagenspel, dat de aanleiding is tot de uiteindelijke bekering.
Het stuk verplaatst ons naar de tijd, waarin tussen hertog Arent van Gelder en zijn zoon Adolf heftige politieke twisten heersen (± 1500).
In één van de eerste proza-fragmenten worden we reeds aan deze ruzies herinnerd: de moeie bij wie Mariken wil overnachten, is zeer ontstemd, omdat de oude hertog is ontsnapt door toedoen van de slotvoogd. Als Mariken haar boodschappen heeft gekocht (kaarsen, olie, azijn, zout, zwavelstokken e.d.) te Nijmegen, is het te laat om naar huis terug te gaan. Zij woont bij haar oom Gijsbrecht, die priester is, enkele km buiten de stad. Mariken gaat naar de moeie, een zuster van Gijsbrecht, en vraagt haar onderdak voor de nacht: voor een meisje is het immers te riskant om in de avond naar huis terug te gaan. Maar nog boze moeie gaat op ergerlijke wijze tegen haar tekeer: Mariken is natuurlijk zo laat, omdat ze heeft liggen vrijen met Jan en alleman. Nog erger wordt het, wanneer ze Mariken toevoegt, dat ze het met Oom Gijsbrecht houdt. Mariken is ten einde raad. Wat helpt het te protesteren.
Ze vlucht van de razende moeie weg en verstopt zich onder een haagdoorn; daar zal ze de nacht doorbrengen. In haar zelfbekläg vraagt ze om bijstand: God of de duivel, het doet er weinig toe. De duivel heeft haar al bespied. In deze toestand is ze een gemakkelijke prooi voor hem. In de gedaante van een mens, alleen één oog ontbreekt, nadert hij Mariken. Hij praat met haar en al spoedig vraagt hij om haar liefde. Mariken is nog volkomen wanhopig door de woorden van de moeie, ze is dadelijk bereid zich aan deze "beschermer" te geven. In ruil voor haar liefde zal de duivel haar de zeven vrije kunsten leren: ze zal de knapste vrouw op aarde worden. Mariken wil weten wie hij is. "Moenen met het ene oog" is zijn naam. Mariken begrijpt dat hij een duivel is, maar al was hij Lucifer zelf, dan nog kon het haar weinig schelen. Ze zal met hem meegaan op één voorwaarde: necromantie wil ze ook leren, dat is een kunst die haar oom ook verstaat en waardoor hij de duivel zelfs weet te bedwingen. Moenen weet haar dit uit het hoofd te praten: immers als zij die kunst verstaat, is hij machteloos! Neen, hij zal haar wel alle talen leren en de zeven vrije kunsten. Nu stelt Moenen één voorwaarde: Mariken moet haar naam veranderen. Zij heeft daar weinig zin in: "Tes doch den edelsten ende den soetsten naeme van alle der werelt."
Wel stemt ze erin toe geen kruis meer te slaan, maar op Maria blijft Mariken vertrouwen: elke dag bidt ze tot Maria en ze zal dat blijven doen. Tenslotte stemt Mariken toe in de naam Emmeken (de eerste letter van haar naam). Daarop trekken ze naar 's-Hertogenbosch, vandaar naar Antwerpen. Ondertussen verkeert Oom Cijsbrecht in grote onrust; ten einde raad gaat hij naar Nijmegen en ondervraagt de mooie. (De vss. 348-355 vormen in de tekst een rondeel.)
De moeie geeft toe dat Mariken er wel geweest is, maar dat zij het meisje de deur heeft gewezen, omdat zij zich zo slecht gedroeg. Oom Gijsbrecht keert zeer droef gestemd naar huis terug.
Er volgt nu een tussenstuk: de moeie pleegt zelfmoord uit nijd om de vlucht van de oude hertog Arent. Emmeken en Moenen komen in Antwerpen aan en verblijven in "De Gulden Boom" (waarschijnlijk in oorsprong een gildekamer). Het herbergleven wordt zeer realistisch beschreven. Twee klanten schuiven bij aan de tafel van Moenen: ze hebben het oog op Mariken, die man zullen ze wel aan het mes rijgen. Mariken voert met Moenen een gesprek over de geometrie, waar de twee kerels zeer van opkijken. Mariken geeft een proeve van haar kunde door een refrein op te zeggen (kunst van "rethorijcke"), vs. 524-555. Stock: "Doer donconstighe gaet die conste verloren."
De komst van het tweetal veroorzaakt dag in dag uit moord en doodslag: Moenen houdt een duivelse monoloog die eindigt met: "Ick sal, eer een jaer, meer dan duysent sielen verlacken."
Bij Emmeken sluimert het berouw. Zij richt verwijten aan Moenen, die de oorzaak is van al het kwaad. Hij is geen haar beter dan de duivel. Door de moeie is ze met hem in contact gekomen. Zij vraagt zich af of ze nog terug kan van het pad der zonde. Even later zit ze met twee gezellen te drinken, waarvan er één spoedig gedood wordt. De "wonderdokter" Moenen boekt weer succes.
Dit leven gaat zeven jaar voort ! Dan geeft Emmeken te kennen, dat ze terug wil naar Nijmegen. Vs. 648-655 vonnen een tweede rondeel. Hieruit blijkt dat Gijsbrecht nu in Venlo woont (vanwege het rijm ?). Moenen kan het moeilijk toestaan, maar hij stemt tenslotte toe. In alleenspraken vernemen we van Moenen, dat hij wacht op z'n kans om oompjelief de nek te breken. Zij komen in Nijmegen aan "op den ommeganckdach": verering van Maria.
Moenen maakt Emmeken dan duidelijk dat ze moeie niet behoeft op te zoeken: die is al drie jaar dood. Emmeken betreurt deze gang van zaken. Even later wordt haar aandacht getrokken door een menigte mensen. Er wordt een wagenspel opgevoerd. Moenen laat zich hier smalend over uit: dat is allemaal kletspraat wat je daar hoort. Het wagenspel geeft een beeld van een rechtszaal: aan de ene zijde Masscheroen (oorspr. Arabisch: hofnar), advocaat van Lucifer, ter andere zijde God, dat is hier Jezus Christus; Ons Lieve Vrouwe treedt op als bemiddelaarster.
Masscheroen klaagt aan: de duivels kunnen nimmer genade ontvangen, de allerzondigste mens (dus Emmeken bijv.) wel, als hij oprecht berouw toont. Het sluimerend berouw van Emmeken komt sterker boven. Moenen tracht haar mee te krijgen, maar zij wil het spel uit horen. Het spel eindigt met het woord van God: "al hadde een mensche alle die sonden / ghedaen, diemen sonde connen gronden, / kent hi mi met berou, hi sal vercoren sijn". Emmeken smeekt om genade, Moenen ontsteekt in grote woede. Daarop voert Moenen haar mee de lucht in, ver boven de mensen. Dan werpt hij het meisje naar beneden. Oom Gijsbrecht, die ook bij het wagenspel heeft geluisterd, buigt zich over het meisje en herkent zijn nichtje. Moenen ziet zich zijn prooi ontgaan en gaat "des duivels" te keer. Mariken komt tot bewustzijn en herkent haar oom. Mariken vertelt haar oom in 't kort wat er gebeurd is. Moenen is echter nog steeds in de buurt: hij ruziet met oom Gijsbrecht. Deze leest enkele regels uit zijn bijbelboek (Johannes-Evangelie), waarop Moenen van het toneel verdwijnt.
Oom Gijsbrecht reist met Mariken via Keulen naar Rome: slechts de Paus heeft de macht haar te absolveren. Mariken biecht bij de Paus: zij is zeven jaar de geliefde van de duivel geweest. De Paus is zeer ontsteld. Zulk een zonde heeft hij nimmer vernomen. Wat moet de penitentie zijn ? Drie ringen moet ze dragen, een om de hals en twee om de armen. Haar zonden zullen vergeven zijn, als de ringen versleten zijn of vanzelf afvallen. Dan gaat Mariken te Maastricht in een klooster.
Vele jaren leeft Mariken in grote berouwenis. Op een nacht verbreekt een engel de ringen: Mariken heeft genade van God ontvangen (let op de kern van het wagenspel). Nog zijn de drie ringen te zien boven het graf van Mariken, en daaronder is geschreven haar levenswijze en de penitentie die zij heeft moeten doen, zegt de auteur. Twee jaar leeft Mariken, bevrijd van haar zonden, nog in het klooster.
De hemelse glorie heeft zij mogen ontvangen.

Opmerking:
Gebruikt is de tekstuitgave van dr. W.H. Beuken, Zutphen, W.J. Thieme en Cie, 1931. We wijzen nog op de goedkope uitgave die verscheen in Malmbergs Nederlandse Schoolbibliotheek en geannoteerd is door dr. G. Knuvelder.

Vragen:
1. Mariken van Nieumeghen is een mirakelspel. Waaruit blijkt dit ?
2. In 1485 heeft Paus Innocentius VIII zijn heksenbulle uitgegeven. Waarom is M. v. N. voor die tijd een actueel stuk ?
3. Op welke wijze blijft Maria met Mariken verbonden, ook na de naamsverandering ?
4. Mariken blijft ons sympathiek. Zijn daar motieven voor aan te wijzen ?
5. Waarom is het wagenspel in het stuk een originele vondst ? (Dramatechnisch)
6. Noem enkele typische kenmerken uit M. v. N., die op de Rederijkerstijd wijzen.
7. Maak duidelijk waarom M. v. N. gelijkenis vertoont met de Faustsage.
8. Hoe kan Mariken weten dat Moenen inderdaad de duivel is ?