In de Proloog zegt de dichter dat tussen Lanseloet en zijn moeder conflicten zijn gerezen over het feit dat de aanzienlijke en voorname ridder liefde heeft opgevat voor Sanderijn, een meisje van lagere geboorte, maar niettemin van adel. Waartoe dit conflict leidt, zal het spel ons leren: "Ic wane, dat ghi noit van minnen / en hebt ghehoert dies ghelike."

Het spel begint met de verzuchting van Lanseloet dat hij de liefde die hij voor Sanderijn heeft opgevat, niet kan opgeven omwille van zijn moeder. Onder de eglantier verbeidt hij zijn geliefde. Als Sanderijn hem begroet en tegemoet treedt, vraagt Lanseloet haar om raad : hij wil òf haar lief hebben òf sterven. Sanderijn wijst zijn liefde echter af, niet omdat zij hem niet lief heeft, maar omdat hij voor haar te machtig en té rijk is. Zij voegt hieraan toe dat zij er niet voor voelt de rol van minnares te spelen: een eerste aanduiding van de hoge opvatting, die Sanderijn over de liefde heeft (hoofse liefde).

Lanseloet blijft aandringen op haar liefde (als minnares tegen betaling), maar Sanderijn wijst - gebelgd nu - dit van de hand: "Neen edel here noch ben ic maeght / Dies danc ic Gode van den trone : / Al woudi mi gheven te lone / Dusent meret van goude roet."