|
Terug naar Vakkenhoek: Nederlands Home Page: www.wjsn.nl |
|
WILHELMUS VAN NASSOUWE
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
Volledige tekst
WILHELMUS VAN NASSOUWE
De volledige titel van dit geuzenlied luidt : Een nieuw christelick Liedt, gemaect ter eeren
des Doorluchtigsten Heere Wilhelm Prince van Oraengien, Grave van Nassou, Patris Patriae,
mijnen G. Forsten ende Heeren. Waervan d'eerste Capitael letteren van elck veers zijner F.G.
name meebrenge. Na de wijze van Chartres. (F.G. = Vorstelijke Genade). De laatste opmerking
houdt verband met de melodie. De hoofdletters van elke eerste zin der strofen vormen WILLEM
VAN NASSOV: een rederijkerskunstje, dat we acrostichon noemen.
Als we letten op hetgeen in het 4de en 11de couplet wordt gezegd, is het Wilhelmus geschreven
na de mislukte veldtocht over de Maas (1568, oktober). De oudste Nederlandse tekst is te
vinden in het Geuzenliedboek van 1581, maar het lied is ouder: misschien gemaakt in de
voorbereidingstijd van de tweede veldtocht (1571-1572). Als zodanig kan het een
propagandalied zijn. De grote gedachte in het gehele lied is vooral het leiderschap van
Oranje. Daarnaast treft ons het religieuze element: God zal als Bestuurder der wereld in
de strijd beslissen. Willem van Oranje is in dat licht gezien de stijder Gods.
Het is het geloof in God en de strijdvaardigheid die uit de woorden van Willem van Oranje
blijken, waardoor dit lied een waarlijk geuzenlied is geworden, en ons nationale volkslied !
De vraag wie de dichter is geweest, zal wellicht nooit worden beantwoord. Een groot aantal
kandidaten is in de loop der tijden genoemd, waaronder Saravia, een veldprediker in het leger
van de Prins.
De meest serieuze kandidaat is Marnix van St. Aldegonde, maar dan moet het gedicht gemaakt
zijn ná 1569, gelet op de verhouding tussen Oranje en Aldegonde.
Tenslotte willen we in dit algemene overzicht nog wijzen op de interpretatie van dr. K.
Meeuwesse. Deze meent dat in het lied drie bewegingen zijn te onderkennen :
strofe 1 t/m 4 gaat uit van het aardse vaderland en bereikt tenslotte het hemelse (4 strofen);
strofe 5 t/m 9 geeft deze beweging voor de tweede maal: vanuit het tijdelijke wordt het
eeuwige Rijk bereikt (5 strofen); strofe 10 t/m 15 laat voor de derde maal deze idee zien in
6 strofen.
Eerste strofe: Wilhelmus stelt zich aan de lezer voor. Er worden vier facetten genoemd die
zijn persoonlijkheid bepalen: zijn afkomst, zijn trouw aan het land, zijn besliste dapperheid
en zijn eerbied voor de koning van Spanje. Dit laatste wekt wellicht verwondering; men kan
hier echter een formele erkenning in zien: pas op 26 juli 1581 wordt de koning afgezworen.
Het is de gehoorzaamheid die past bij de calvinist, die in de bijbel als eis gesteld ziet de
wettige vorst trouw te zijn.
Tweede strofe: Beroofd van land en onderdanen is hij genoodzaakt te vluchten, maar in Gods
hand is hij als een werktuig dat mettertijd de gezaghebbende functie weer zal vervullen.
Derde strofe: Hij richt zich nu tot zijn onderdanen. Hoe moeilijk de tijden ook zijn, God is
altijd aanwezig. Blijf onverminderd bidden tot de Heer opdat ik, Wilhelmus, terug kan keren
om het volk tot steun te zijn.
Vierde strofe: Voor de strijd is alles reeds ingezet: leven en materiaal. Het wordt bewezen
door Graaf Adolf, die gesneuveld is bij Heiligerlee, 23 mei 1568. Op de Dag des Oordeels zal
de dode naar zijn werken worden beoordeeld (zie: Openbaring 20, 12-13).
Vijfde strofe: Uit deze strofe blijkt de moed van Wilhelmus van Nassau die zijn leven heeft
gewaagd voor de zaak van de vrijheid. Tevens blijkt weer het vertrouwen in God. Wilhelmus
is lid van de rijksvorstenraad geweest, één van de drie afdelingen van de Rijksdag.
Zesde strofe: Met de eerste strofe is dit de meest bekende. De inhoud nadert die van een
psalm (zie o.a. psalm 18 en 28). Het is de Spaanse gruwel die bestreden moet worden.
Zevende strofe: Een smeekbede tot God: laat mijn vijanden mij niet overrompelen, ongetwijfeld
zullen zij mij doden. Is het de angst voor een verraderlijke overval die hier wordt geuit ?
(De aanslag vindt in 1584 met succes plaats.)
Achtste strofe: Er wordt een vergelijking getroffen met David, die immers ook moest vluchten
(zie: Sam 19 e.v.). Hier wordt vooral bedoeld dat de vrome mens voortdurend vervolgd wordt.
Zó David, zó Oranje. David is uitverkoren door God om over Israël te regeren. (Gedacht kan
worden: Oranje zal over de Nederlanden regeren.)
Negende strofe: Na de moeilijke periode hoopt Oranje dat betere tijden zullen volgen. Als een
held te sterven is zijn innigste wens. (Dag des Oordeels.)
Tiende strofe: In strofe 1 t/m 9 (uitgezonderd str. 3) is vooral gesproken over Oranje en
zijn familie. Nu wordt het accent verlegd en wordt de nood, waarin de Nederlanden verkeren,
bezongen. Het godsdienstige element maakt plaats voor het zakelijke.
Elfde strofe: De slag bij Maastricht in 1568 wordt beschreven. De verwaande tiran die bij
deze stad verschanst lag, nl. Alva (nooit de koning van Spanje), was bang voor de krijgsmacht
van Oranje. Alva ontweek een treffen: het aantal ruiters van de Prins was aanzienlijk groter
dan van Alva. Alva hoopte dat de Prins door geldgebrek zijn (huur)soldaten zou moeten
wegsturen.
Twaalfde strofe: Het vertrouwen in het bestuur van God blijkt overduidelijk: de Heer
heeft het anders gewild dan Oranje had gedacht. Afhankelijkheid van God is voor de
calvinist een onvoorwaardelijke eis.
Dertiende strofe: In de periode van tegenspoed moet de trouw aan God vooral blijken;
het is - in andere woorden nu - weer een wijzen op de macht van God.
Veertiende strofe: Met een kenmerkend rederijkerswoord neemt de dichter afscheid van de lezer:
Oorlof.
De volgende regels zijn terug te vinden in Jeremia 23, 1-4: Ze manen aan tot een Christelijk
leven, gehoorzaamheid tevens. In de laatste regel wordt gewezen op het komende leven in het
hiernamaals: voor ieder zal de Dag des Oordeels komen.
Vijftiende strofe: Het calvinistische karakter van het Wilhelmus blijkt ook hier: het verzet
is geoorloofd, niet tegen de koning, maar tegen de overheerser. Het verzet is een
gewetenszaak: het heeft een religieuze oorsprong.
Vraag:
Waarom zal vooral in tijden van bezetting het Wilhelmus het nationale
bewustzijn accentueren ?
Opmerking:
Zie S. J. Lenselink, Het Wilhelmus, een andere interpretatie (
De Nieuwe Taalgids, jg. 57, blz. 140).