|
Terug naar Vakkenhoek: Nederlands Home Page: www.wjsn.nl |
|
SCHUIM EN ASCH
J. Slauerhoff
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
In de vijf verhalen die deze bundel telt, leren we Slauerhoff als een uitnemend prozaïst kennen. Hier is het zijn verachting voor het menselijk bestaan, daar treffen we zijn romantisch getint verlangen, vervolgens zien we zijn bijtende, soms goedmoedige humor, dan weer is het de fantasie die zich soms op sinistere wijze vertoont.
De erfgenaam. Dit is het verhaal van Kasem Hassein, de havenklerk, die arm is, maar rijk
begeert te zijn.
Tot Allah richt hij zijn gebeden, die gekocht zijn van een schriftgeleerde voor veel geld.
In één van de gebeden verzoekt hij Allah om zijn rijke neef Yezi Azid, "neer te vellen".
Deze Yezi Azid is een godloochenaar, die zeer hardvochtig is en in het stadje Bassora wordt
bespot.
Hassein wordt op een dag gewekt - in kantoortijd slaapt hij meestentijds - door de kadi:
"Heden zijt gij de rijkste burger van Bassora. Oom Yezi Azid is gestorven. Gij zijt zijn
enige bloedverwant en erfgenaam."
De kadi weet Hassein over te halen in zijn huis te gaan wonen, hij wordt met weelde overladen,
maar Hassein vergeet de belofte in het gebed aan Allah: "..... zal ik U bewijzen dat ik de
wereld verzaak, dorstend naar het kussen van Uw Heilige Steen." Na een bange droom besluit
hij naar Mekka te gaan, maar als de moefti duizend dinaren vraagt voor het bidden om veilig
te reizen, trekt hij zijn besluit in.
Toch gaat hij op reis. Op de boot ontmoet hij een westerse vrouw, die hem in Port Said
vierhonderd piasters afhandig maakt: haar loon voor haar "diensten". Ternauwernood komt hij
nog aan boord van de "Prince of Wales". Hassein weet dat hij kastijding heeft ontvangen en
besluit wederom naar Mekka te gaan.
Ondertussen vatten de sultan Omar en zijn schatmeester ibn Saäd te Bassora het plan op hun
financiële tekorten aan te zuiveren. De sluwe Omar weet dat Hassein eens zal terugkeren,
hetgeen inderdaad geschiedt. Te Stamboel is hij Mekka alweer vergeten, beladen met Stamboelse
zeden, gewaden, vrouwen en meubels neemt hij te Bassora z'n intrek in een eigen paleis.
Hassein vertoeft dagenlang bij zijn haremvrouwen, totdat de boodschapper van de sultan
verschijnt. Hassein wordt onder schoonschijnende daden en vele beloften ingepalmd, als een
vlieg in het web van de spin. Als Hassein bij het schaakspel de koningin van de sultan wint,
eist de laatste zijn koningin - een levende - uit de harem op: Fathma of Arabella, de
Frakische ?
Hassein wordt admiraal der vloot. Twee dagen later: vlootrevue ! Belachelijke vertoning voor
de ogen van de sultan met zijn Arabella. In de nacht scheept Hassein zich in op de
torpedoboot "Ecbatana" en wordt piraat. Na enkele weken is hij geld, vrouwen, alles kwijt.
"Kasem Hassein deed thans datgene waarmee hij had moeten beginnen: Mekka. In hem waren de
ijdelste der menselijke ijdelheden tot hun ware zwakte teruggebracht."
Het eind van het lied is het verhaal van de Russische officier, die zijn ideale geliefde zoekt
en zich daarin gefolterd weet. Hij gaat op reis, bereikt Locamo, waar hij het Zweedse meisje
Feodora ontmoet. Hij gaat dagelijks met haar roeien, maar zij vatten geen liefde op voor
elkaar. Als zij plotseling vertrokken is, komt het zoeken weer over hem: nu is het Feodora !
"Waarom liet ik haar gaan ? Om haar te zoeken - dan wist ik wat ik zocht." Bij de Krim in
Feodosia hoopt hij haar te vinden, maar hij blijft in Italië steken.
Met de "Mario Desio", een klein stoomschip, bereikt hij Kreta. Te Chania ontmoet hij een
monnik, die hem aanraadt in een klooster te gaan. De monnik blijkt een oude vriend te zijn.
Deze Ferapont wijst hem in orakeltaal de weg, die hij gaan moet, opdat hij vindt wat hij
zoekt.
Met de bark "Eudokia" trekt hij verder en hij bereikt uiteindelijk Feodosia waar hij meent
zijn geliefde in een klooster weer te vinden. Ook het gouden afgodsbeeldje kan hem echter
niet helpen. Dan, in een toeristengids, leest hij over een klooster hoog in de bergen.
De volgende dag begeeft hij zich op pad. Voor de poort van het klooster gekomen, klopt hij
aan. Na het tonen van het afgodsbeeldje komt hij binnen bij de zwijgende monniken in het
klooster der halve verlossing. Een visioen, een foltering gelijk, beleeft hij in de cel,
maar de uiteindelijke verlossing wordt hem onthouden. Daarna verlaat hij het klooster.
Zijn geliefde zal hij terugvinden als hij het eind van het lied verneemt en de dood hem
verlost uit het aardse leven.
Opmerking:
Van Het eind van het lied is een aparte uitgave verschenen in de serie Kort en goed
(Wolters en Querido).
De inleider ziet in dit verhaal een "parabel op het dichterlijk bestaan, dat, ondanks alle
ontgoocheling zijn zin vindt in de onuitroeibare hoop op het vinden van het lied dat de zin
van het leven zal bloot leggen".
De laatste reis van de Nyborg.
Kapitein Fröbom en eerste stuurman Soden varen regelmatig op
de viermastbark "Nyborg" tussen San Francisco en Foochow, de Stille Oceaan over. Hun lading
bestaat uit lijken van Chinezen, die in Foochow begraven moeten worden. Tijdens een storm
komt het dodenschip in moeilijkheden, raakt uit de koers. Fröbom houdt scheepsraad: "Lading
uitwerpen ? - Neen." Voor elk lijk dat levend, dat wil zeggen onbeschadigd overkomt, wordt
vijf dollar betaald.
Eindelijk, na dagen, bereikt het schip de eilandengroep Paoemoetoes, maar men zeilt met het
half ontmaste schip eraan voorbij. Een muiterij breekt uit, maar Fröbom, Soden en Jensen,
de tweede stuurman, en de kok weten de dronken muiters te overmeesteren.
Een oorlogsprauw nadert de "Nyborg". Jefferson, een rubberplanter, chartert het schip voor
twintig duizend dollar. Via Adelaïde, waar de rubber ontscheept wordt, zullen ze naar
Foochow varen. De lijken worden in één ruim ondergebracht, waarbij de wilden van Jefferson
toch nog een paar koppen weten te bemachtigen.
Na drie dagen is de "Nyborg" weer zeewaardig: men kiest zee. Jefferson is heimelijk aan
boord gebleven: hij wil dat de rubber inderdaad de plaats van bestemming bereikt. De naam
van het schip wordt veranderd: "Aarhuus", Kopenhagen. Ze bereiken Adelaïde en vertrekken
weer. Door de mist kunnen ze de Paoemoetoes niet aandoen: Jefferson moet aan boord blijven.
Als de rubberkoning zich verzet, wordt hij gevangen genomen.
Als de storm op komt zetten, gaat de lijkenlading werken. Het schip is reddeloos verloren,
doordat Fröbom zelf schade heeft laten aanbrengen om de wanorde in het voorruim te motiveren.
Overal drijven lijken rond en ze hangen in de touwen.
Fröbom steekt de aanstormende lichamen met een bootshaak van zich af. Toch wordt hij
slachtoffer van de lijken: Jefferson, gek geworden, werpt zich op de kapitein : "zij vielen
samen op het dek, de lijken sloegen over hen heen". "Soden is overboord gesprongen toen de
eerste kisten tevoorschijn kwamen." Kustbewoners vinden wrakstukken en kisten. Zo eindigt
de veertiende dodentocht van de "Nyborg".
Larrios.
In dit verhaal van een zwervend zeeman is de ontmoeting met de vrouw Larrios het
motief, waar zich het gebeuren om beweegt.
De eerste keer dat hij Larrios ziet is in Spanje. Vanuit de trein te Burgos ziet hij haar
verschijnen op één der veranda's van het laatste huis. In de enkele seconden van voorbijgaan
doorleeft hij haar gehele bestaan.
Tien maanden later keert hij terug in Burgos, maar bij vindt haar niet. In het oude Malaga
heeft hij de moed al opgegeven, maar dan verschijnt zij plotseling. Samen gaan ze naar haar
kamertje, armoedig ingericht. Hij blijft de nacht bij haar, doch in de morgen is zij
verdwenen. In het stadje gaat hij haar zoeken, maar hij vindt noch Larrios, noch haar
kamertje terug. Het zwarte haar met de rode bloem blijft hij zich herinneren. Hij snijdt
haar beeltenis uit in hout en heeft haar zo altijd bij zich. In Shanghai ontmoet hij haar
voor de derde keer. Met zijn scheepsmakker Jorgen gaat hij de stad in. Over de zigzagbrug
moeten zij. In een groot Chinees bordeel werkt ze als nr. 39. Ze is vrij, maar herkent hem
nauwelijks: acht jaren zijn verstreken. Hij stelt haar voor te vluchten in zijn kleren.
Samen met jorgen gaat zij weg: "Zo was de derde maal, een haastig gejaagd uur." Door een Ier
wordt hij bevrijd uit de handen der Chinezen, dan vindt hij Jorgen weer: Larrios zit al op de
boot op weg naar Manilla, waar ze weer Spaanse vrouw kan zijn.
Eindelijk bereikt hij Manilla en ontmoet haar voor de vierde maal, buiten de stad in een
landhuis.
Zij is nu een rijke vrouw, zij weigert hem te ontvangen: "Het heeft geen twee minuten geduurd,
in weinige woorden is Larrios in mij omgebracht, Larrios die jaren lang in mij leefde." Het
houten beeld laat hij met een: één, twee, drie, voor eeuwig, - in het water zakken.
Such is life in China. In dit verhaal wordt verteld hoe de
Europeanen in een Chinese havenstad ondergaan.
Bruce, de havenarts, Dupérier, zakenman en diplomaat, Talman, manager en Ibsen, ex-kapitein,
zijn de losgeslagen en wrakke mensenfiguren in deze vertelling.
In de kroeg van Josiah vinden zij elkaar, waar zij spelen en drinken. In Bruce gaat de
beschaving ten onder. Geloof en ongeloof, hemel en hel, staan tegenover elkaar. Bruce
overwint de kwade genius, die in hem huist.
Opdracht: Verklaar de titel van deze novellenbundel.