|
Terug naar Vakkenhoek: Nederlands Home Page: www.wjsn.nl |
|
Jan, Jannetje en hun jongste kind
E.J. Potgieter
Dit allegorische verhaal waarin Potgieter het verval van Holland schetst, verschijnt in 1841.
Potgieter is een strijder, een man van de daad, die zich geheel wil inzetten om de ontredderde
maatschappij te helpen opbouwen. Hij is vaderlandslievend, zeer gesteld op de burgerlijke
vrijheid en tenslotte een waardige romanticus.
In Jan, Jannetje en hun jongste kind wil hij het Nederlandse volk tonen, wat er gebeurt als
de Jan-Saliegeest niet verdwijnt.
Dat Nederlandse volk-door-de-eeuwen-heen vinden we gepersonifieerd in Jan: de Hollander die
in de historie groot geworden is; in Jannetje, de Hollandse vrouw: degelijk, spaarzaam, netjes
en godsdienstig; in de kinderen en kleinkinderen op wie Jan en Jannetje zitten te wachten.
Immers het is Oudejaarsavond: allen zullen komen.
Het jaar 1841 loopt ten einde: het is een slecht jaar geweest, doch "de koetjes zijn al op
het droge".
Jan steekt de schone Goudenaar op, de kinderen zijn laat, maar goed, ze zijn naar de
oudejaarsavondkerk.
John Bull en Hans Moff e.a. benijden hem, Jan, wel.
Vervolgens wordt Jans afkomst belicht: omstreeks "den jare Vijftienhonderd lag hij in de
luijers." Hij is voorbeeldig opgegroeid ! In de afrekening is hij nauwgezet. Moeilijke
tijden heeft hij ook gekend: "hoe zuur had Jan het niet onder de voogdijschap van de koning
van Spanje !"
Jannetjes portret wordt daarna geschilderd: "men moet de gaven van Rembrandt aan die van
Rubens paren." Haar deugden zijn talrijk.
Dan komt hun eersteling binnen: "hij zwalkt naar den haard." Het is Janmaat: de zeeman.
Onder de Spaanse tirannie: "hij voer uit in een' notedop, hij kwam te huis in een
linieschip !" Nu is hij echter veranderd, hij is neerslachtig: "Al weer een jaar, dat ik als
een landkrab sleet", verzucht hij. Dan roept eensklaps een pieperig stemmetje uit één der
kamerhoeken: "Janmaat ! wil je óók een kopje slemp ?" Ieder huis heeft zijn kruis ! Het is
in dit geval de jongste zoon, Jan Salie: "welke doffe oogen ! - welk een meelgezigt ! - welk
eene houding van slierislari ! patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te
ontzent !"
Janmaat wendt zich van de slungel af.
Andere gasten komen binnen: Jan Contant en Jan Crediet. Zij vertegenwoordigen het
handeldrijvende volk. Jan Contant "die weltevredene, tonronde, overdrieste vent, hij rigtte
het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde". Zij hebben het ver gebracht.
Vader Jan neemt het woord: "Kinders, Janmaat heeft zich straks bitter beklaagd, dat ik in
langen tijd niets voor hem over heb gehad. - Maar als ik wat aan hem zal doen, dan moet mijn
jongste kind geplaatst wezen, dan moet die kwelgeest mijn huis uit."
"Wie van jelui wil nog eens beproeven wat er in hem steekt ?"
Geen van de drie genoemde broers voelt er iets voor. In een hoek zitten de Jantjes Goddome
en Jannen Kalebas "te klinken, dat hooren en zien vergaan !" Dat zijn spotters, ploerten.
Ze zitten daar met Jan en Alleman
("de misdeeldste kinderen"), met Jan Hagel en Jan Rap en zijn' maat. Over deze heertjes
heeft Jan zich al zo lang geschaamd.
Jan de Poëet dient zich aan (weliswaar heet hij nu maar Jan de Rijmer); ook hij wijst Jan
Salie af: Cats liet het jongsken aan zijn knieën spelen. Neen, dan Hooft ! Hooft en Jan
Salie ! : een bespottelijk idee. "En Vondel - Vondel, wiens oogen zouden gebliksemd hebben,
als ik zijne reijen had gestoord door het salieroepen van ons broertje."
Jan de Poëet gaat zo enige tijd voort. "Hij moet gedrild, hij moet soldaat worden !" klinkt
het. Jannetjes moederliefde (zwakheid) wijst dat af. Jan Compagnie, de vrolijkste, de
welgedaanste, kloekmoedigste van Jans kinderen, wijst het idee resoluut van de hand (hij is
de koloniaal): "Moeder, Jan Cordaat weigert hem." Jan Cordaat wijst op zijn
krijgsverrichtingen: "Ik heb geene plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij
de schutterij !"
Arme Gastheer ! "Hoe menigh vader lijdt in zijne zone alleen !" Potgieter citeert Vondel.
Niemand wil Jan Salie: hij mist energie, geestelijk en maatschappelijk veroorzaakt hij
alleen maar achteruitgang.
Na lang gepeins neemt Vader Jan zijn besluit: hij zal niemand met de jongen lastig vallen;
"ik schaam mij, dat ik zijn vader ben, ik was maar een koopman. Weelde ontzenuwt, verslapt,
ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn overvloed, Jan Salie besteed ik op een hofje." Nu mag
hij nog aanzitten, onder aan. Janneije pinkt een traan weg.
Jan Klaassen neemt nog het woord, hij betreurt het dat Jan Gat en Jan Hen er niet zijn: dan
kon Jan Salie daar tussen zitten. Jan Klaassen vertegenwoordigt het realistische blijspel:
"Trijntje Cornelis" van Huygens noemt hij als voorbeeld. Jammer dat Jan Klaassen geen
vrijheid heeft in deze tijd: hij zou Jan Salie hebben genezen.
Jan Kritiek zal Jan Salie op het hofje bewaken.
Vader stelt de feestdronk in: "Oranje in het hart, en niemands slaaf !",
waarna hij de toast besluit met: "God zegene ons, kinderen !"
God zegene u, Jan ! u en de uwen !
31 december 1841.
Opmerking:
Tekst uit De werken van E. J. Potgieter - Proza I.
Vragen: