Terug naar: Management
Home Page: www.wjsn.nl
Arbeidsmobiliteit en ziekteverzuim
Een benadering voor gerichte sturing
Door: W. Jansen Heijtmajer
BRON: PERSONEELBELEID 29/1993 - NR. 12
Arbeidsmobiliteit en ziekteverzuim worden vaak afzonderlijk bekeken en aangepakt. Een van mijn uitgangspunten is echter, dat de hoogte van het ziekteverzuim samen hangt met de omvang van de arbeidsmobiliteit. Dat zou inhouden dat een geïntegreerde aanpak noodzakelijk is. Gericht beleid gericht op mobiliteit, maar ook op uitstroom van langdurig zieken is op zich zinvol. Het is bepalend voor de samenstelling van het personeelsbestand in de toekomst en daarmee voor de personele kosten.
Vergelijkingen tussen vergelijkbare bedrijven en instellingen, maar ook tussen bedrijfseenheden binnen één arbeidsorganisatie kunnen veel informatie opleveren, die bruikbaar is voor (bij)sturing. Factoren die bij ziekteverzuim en bij arbeidsmobiliteit een rol spelen zijn voor een deel specifiek voor bedrijfstakken (arbeidsomstandigheden en de ruimte of krapte op de externe arbeidsmarkt). Voor een deel zijn ze specifiek voor afzonderlijke bedrijven en instellingen (aannamebeleid, arbeidssatisfactie, management). Daarnaast kan men factoren aanwijzen, die specifiek zijn voor bepaalde groepen van werknemers of typerend zijn voor bepaalde bedrijfseenheden. Registratie van gegevens rond ziekteverzuim en mobiliteit in een databestand en het maken van vergelijkingen is dan ook nodig voor arbeidsorganisaties, die meer grip wensen te verkrijgen op arbeidsmobiliteit en ziekteverzuim in hun onderlinge samenhang. In dit artikel wil ik ingaan op (mogelijke) samenhangen tussen mobiliteit en ziekteverzuim en op (mogelijke) achterliggende factoren. Tevens wil ik daarmee het belang aangeven van een integraal personeelbeleid.
Uitgangspunten
Het is handig om uit te gaan van een kader en/of een theorie. Het lijkt mij zinvol daarvoor
de uitgangspunten van Hirschman (1971) te gebruiken. Uitgangspunt is de relatie tussen
werknemer en arbeidsorganisatie, waarin vertrek (exit), binnenkomst (entry) en voice een
belangrijke rol spelen. Vooral de opties exit en voice worden door Hirschman uitvoerig
uitgewerkt. De optie voice staat voor: Je mening geven en je stem verheffen. Deze optie
dient voor de werkgever een signaal te zijn dat niet alleen wordt opgevangen, maar ook
omgezet wordt in daden.
Dankzij voice is de werkgever (tijdig) in staat verbeteringen aan te brengen. Hierbij gaat
het om zeer uiteenlopende zaken zoals salaris, arbeidsomstandigheden, overwerk, (lager)
management, etcetera. Hirschman gaat ervan uit dat voice plaats vindt (plaats blijft
vinden) als werkgevers erop reageren en/of erop willen reageren (responsief zijn). Wat de
werknemers betreft, veronderstelt hij dat het gebruik van de voice-optie verwijst naar een
binding met het bedrijf (loyalty).
Daarmee is dus de relatie tussen werknemer en arbeidsorganisatie aan de orde. Indien de
'relatie' tussen werknemer aan de ene kant en werk en arbeidsorganisatie aan de andere
kant slecht is ofwel verbetering behoeft, zal de werknemer proberen de situatie te
verbeteren ofwel (proberen te) vertrekken. Het eerste vindt plaats:
1. Als de entry elders geblokkeerd is. De werknemer kan niet ergens anders terecht:
bijvoorbeeld door een ruim aanbod van personeel. |
Dus: ongustige situatie --> streven naar verbetering |
Onvrede - vooral als die langdurig is - zal uiteindelijk resulteren in vertrek (exit) van die werknemers, die buiten de eigen organisatie arbeid weten te vinden. De werknemer stapt op:
- als de entry elders niet is geblokkeerd: De werknemer kan ook ergens anders aan de
slag; |
Dus: geen verbetering --> vertrek |
Het werk van Hirschman leent zich goed voor uitbreiding en voor diverse toepassingen.
Vandaar dat ik een driedeling aanbreng in de diverse vormen van exit. Hierbij ga ik ervan
uit dat een goede balans tussen deze vormen een optimale situatie vertegenwoordigt. Het
gaat om:
- een exit uit de organisatie;
- een exit uit de (ingenomen) functie;
- een tijdelijke exit uit de organisatie.
Met de eerste vorm wordt gedoeld op externe arbeidsmobiliteit (uitstroom), met de
tweede op interne arbeidsmobiliteit en met de derde op tijdelijke afwezigheid onder andere
vanwege ziekte of verzuim.
Als de werknemer er niet in slaagt de situatie te verbeteren dan kan een situatie ontstaan van blijvende onvrede. Dat vindt vooral plaats als de werknemer niet buiten het bedrijf emplooi kan vinden. Met mijn driedeling kan ik vooral de tweede en derde exit-vorm benadrukken. Hierop kom ik nog terug. |
Dus: geen verbetering --> streven naar vertrek |
In een publicatie van het IVA (1993) wordt gesteld dat arbeidsmobiliteit gezien moet worden als een manier om de kwaliteit en inzetbaarheid van personeel op peil te houden en te bevorderen. Ook deze invalshoek wil ik onderstrepen en in dit kader vertalen in een andere driedeling, waarbij de (noodzaak voor) onderlinge afstemming tussen entry, exit naar elders (eerste exit-vorm) en de interne mobiliteit (tweede exit-vorm) voorop staat. Aan de hand van de twee driedelingen en de door Hirschman aangedragen begrippen kijk ik naar bedrijven en instellingen en dus naar arbeidsmobiliteit en ziekteverzuim. Op deze wijze wordt het mogelijk uitspraken te doen over de omvang en aard van de arbeidsmobiliteit en de mogelijke oorzaken in relatie tot ziekteverzuim.
Arbeidsmobiliteit
Er is voortdurend sprake van in/en uitstroom van werknemers. Bijvoorbeeld omdat binnen
organisaties altijd wel een deel van het personeel op zoek is naar arbeid elders en ook in
staat is ergens anders emplooi te vinden. Bovendien neem ik aan dat er binnen elke
organisatie personeelsleden zijn met een relatief geringe arbeidssatisfactie. Men zal dus
altijd een uitstroom van werknemers naar andere, betere banen binnen andere bedrijven
en instellingen aantreffen.
Daarnaast hebben bedrijven en instellingen te maken met een uitstroom van vutters, 65-
plussers en arbeidsongeschikten. Hier staat een instroom tegenover. Deze in- en
uitstroom te samen duid ik aan als de externe arbeidsmobiliteit. De vraag is nu waardoor
de mobiliteit en de omvang van de mobiliteit worden bepaald. Een relatief geringe externe
mobiliteit kan negatieve gevolgen hebben voor de organisatie zoals vergrijzing en de
geringe ruimte die er ontstaat voor werving en selectie van (jonge) nieuwkomers. Een
weinig omvangrijke uitstroom beïnvloedt dus niet slechts de omvang van de instroom
maar ook de samenstelling van het personeelsbestand. Een te geringe, maar ook een te
hoge mobiliteit verstoort het productieproces. Het is dus zaak de omvang van de
mobiliteit tussen voor de arbeidsorganisatie beheersbare grenzen te houden. Hiervoor
dient men op zijn minst globaal op de hoogte te zijn van de factoren die verantwoordelijk
zijn voor de te lage of te hoge mobiliteit.
De volgende vraag die ik me stel, heeft te maken met de aard van de mobiliteit. Is hier er sprake van een gebalanceerde mobiliteit of juist van scheve verhoudingen? Het antwoord op deze vraag is belangrijk, omdat ook dat verstrekkende gevolgen heeft en om een gerichte aanpak vraagt.
Als bedrijven en instellingen worden geconfronteerd met een exit van de beste (meest
creatieve en productieve) werknemers. is een snelle responsieve reactie vanuit de
organisatie gewenst. Het gevolg kan immers zijn dat de (blijvend) niet-responsieve
organisatie blijft zitten met de minst creatieve of de minder productieve werknemers. Een
(voor het bedrijf) ongezonde mobiliteitsvorm is die waarbij sprake is van een scheve
samenstelling van het personeelsbestand naar bijvoorbeeld leeftijdsopbouw.
In de door het IVA (1993) onderzochte arbeidsorganisaties was de leeftijdsopbouw van de
instromers en van de vertrekkers totaal verschillend. Het gevolg was een grote
leeftijdskloof binnen de onderzochte organisaties. Als omvang of aard van de mobiliteit
ongewenste vormen aanneemt zal men (responsief) moeten ingrijpen. Dat kan inhouden:
afstemming van de instroom in omvang en samenstelling op de uitstroom. Dat kan ook
inhouden: zorg dragen voor voldoende interne mobiliteit(smogelijkheden). Als de
mogelijkheden voor de interne mobiliteit - zowel horizontaal als verticaal - ontoereikend
zijn, treedt onvrede op onder een toenemend aantal werknemers.
Volgens Hirschman zullen in dat geval velen de exit-optie hanteren. Ik zou daar aan toe willen voegen, dat dat wellicht vaak de werknemers zijn, die gemakkelijk elders aan de slag kunnen. Vele anderen blijven noodgedwongen zitten. Hun onvrede kan tot uiting komen in de derde vorm van exit: ziekte en verzuim. |
Dus: geen verbetering --> vertrek van de besten |
Voorzichtige conclusies
Op basis van het werk van Hirschman zou het gaan om een aantal factoren: onvrede,
voice-mogelijkheden en entry-mogelijkheden elders. Op basis van de driedeling in exit-
vormen zou het ook gaan om een evenwichtige balans tussen de onderscheiden vormen.
Daarnaast werd gesteld, dat ook de balans tussen entry, exit naar elders en de interne
arbeidsmobiliteit van belang is.
Uit verricht onderzoek komt naar voren:
- dat de oorzaak voor exit onder wetenschappelijk personeel vooral gezocht moet worden
bij de onvrede (over de aanwezige mobiliteitsmogelijkheden - IVA 1993). Dat verwijst dus
naar een niet geblokkeerde entry elders en/of naar de afwezigheid van voice;
- dat een geblokkeerde entry elders de omvang van de mobiliteit ten dele zou verklaren.
De relatie tussen arbeidsmobiliteit en de vraag op de arbeidsmarkt staat centraal in een
rapport van de OSA (1993). De arbeidsmobiliteit op de Nederlandse arbeidsmarkt steeg
van 5,4% in 1983 tot 14,8% in 1990. Binnenkort wordt een daling verwacht, omdat velen
niet (meer) elders terecht kunnen. De oorzaak van een geringe (externe)
arbeidsmobiliteit wordt dus gelegd bij de geringe vraag naar arbeid vanuit de markt.
Op basis van enkele (theoretische) uitgangspunten wordt verwacht:
- dat de externe arbeidsmobiliteit samenhangt met de samenstelling van het
personeelsbestand (bijvoorbeeld leeftijdsopbouw), de vraag vanuit de markt, de onvrede
binnen de organisatie, maar ook met het aantal vrouwelijke en deeltijdwerkers en met
kenmerken horende bij de sector/bedrijfstak (seizoenarbeid, zware arbeid en dergelijke);
- dat een relatief omvangrijke uitstroom duidt op onvrede, een specifiek samengesteld
personeelsbestand, een grote vraag naar arbeid vanuit andere organisaties en/of veel
mogelijkheden elders;
- dat een relatief geringe uitstroom kan duiden op een hoge mate van arbeidssatisfactie,
een specifieke samenstelling van het personeelsbestand, een hoge mate van responsiviteit
van de bedrijfstop (op wat Hirschman noemt loyalty), maar ook op weinig mogelijkheden
op de externe markt;
- dat het wellicht de combinatie is van geringe uitstroom en onvrede die leidt tot een
zwaar accent op de andere exit-vormen: interne exit (interne arbeidsmobiliteit) en
tijdelijke exit (ziekte/verzuim). Een goed evenwicht tussen de drie exit-vormen is een
relevante voorwaarde voor het voortbestaan van bedrijven en instellingen. Het verwijst
immers naar kwaliteit en productiepotentieel.
Werkgevers dienen voice dan ook niet te negeren en zullen - als het ziekteverzuim vrij
omvangrijk is of wordt - de mogelijkheden voor interne mobiliteit moeten uitbreiden.
Verlaging van het ziekteverzuim kan bereikt worden door gedwongen exit van langdurig zieken. Het kan ook bereikt worden door preventieve maatregelen waarmee de arbeidssatisfactie onder het personeel verhoogd wordt.
In de visie van Hirschman moet men vooral bewust gebruik maken van voice. Volgens mij dient men hierbij ook de interne mobiliteit als middel te hanteren. Men zou ook een tweesporenbeleid kunnen volgen, waarbij men mensen die wensen te vertrekken ondersteunt (responsive to exit) en de blijvers zinnige en passende arbeid aanbiedt (responsive to voice). |
Dus: verbeteringen --> meer "loyalty" en satisfactie |
Geraadpleegde literatuur
Hirschman, A.O. (1971 / eerste engelstalige publicatie: 1970), Exit, voice and loyalty
IVA (1993). Arbeidsmobiliteit van wetenschappelijk personeel
OSA (1993). Aanbod van arbeid