Een paradijs op aarde - een fragment
|
Een paradijs op aarde is een boek in wording. Een boek over goed en kwaad. Een boek over alles en niets. Een boek over zin en onzin, diepgang en oppervlakkigheid. Een boek, kortom, over het leven zelf. En over de droom. En over het onbestaanbare. Het hier en nu. Het verleden. De toekomst. En wat al niet… |
Soms wordt het gat van de toekomst geopend en kijk je de diepten in. Dan is er geen weg terug meer, alleen nog leegte. In een droom zie ik wat komen gaat en het overvalt me, benauwt me. Wat ik zie is dit: Alles gaat gewoon door. Niets verandert. Ik blijf wie ik ben. Ik droom dat ik in een trein zit, op een mooie zonnige dag. Maar de trein komt niet aan, gaat nergens naar toe, blijft maar doorrijden in een eeuwig rondje rond de kerk. Een kerk met een toren met een kruis erop. Een kerk die me vaag bekend voorkomt. Ik ben er vaak binnen geweest. Ik heb op de harde bankjes geknield. Het wonder van vlees en bloed aanschouwd. Ik ken de ramen van glas in lood.
En ook de droom gaat maar door, houdt niet op, draait in het rond, komt steeds op dezelfde plek uit. Maar natuurlijk is dat niet waar. Vanzelfsprekend (is het wel zo vanzelfsprekend?) word ik wakker. Naast mijn bed rinkelt de telefoon. Het is zeven uur in de morgen. Pim belt. Hij klinkt moe en gedeprimeerd en verdrietig en ten einde raad en verward. Het is niet zo, dat hij (laten we zeggen als telefonerende conducteur) in mijn droom opduikt en dan bazelend in snikken uitbarst als ik hem geen kaartje kan tonen van mijn circulair traject. Het is evenmin zo, dat ik langzaam ontwaak en in de gaten krijg, dat het een droom was waarin ik rondreed en dat ik nu bezig ben wakker te worden. Ik ben in één keer klaarwakker. Ik grijp in één keer (vooruit: na twee keer overgaan) de telefoon en ik weet in één keer met wie ik te maken heb en wat eraan scheelt. Wie ben ik om wederom de reddende engel te spelen?
Pim blijkt het nog wel twaalf uur te kunnen redden zonder assistentie. Na werktijd (zijn werktijd, maar de vakantie komt eraan, dus dat kan de reden niet zijn van zijn verwarring en mistroostigheid) zit ik weer eens op die gezellige bank in die gezellige, maar praktisch ingerichte woonkamer met de kleurrijke kussens uit Goa. Fluisterend praat Pim me bij. Sandra staat in de keuken een verantwoorde en smakelijke maaltijd te maken. Het kost Pim zichtbaar moeite haar niet bij dit klusje bij te staan, maar de ernst van de situatie maakt harde maatregelen noodzakelijk.
Waarom om de kern heen gedraaid? Waarom niet een lang verhaal kort gemaakt? Waar het op neerkomt is het volgende: Het gaat niet goed met Pim en Sandra. Het ging misschien al langer niet super. Je weet hoe dat gaat. Druk op school. Spanningen in verband met de gebeurtenissen rond Elsbeth. De sleur van alledag. Misschien een beetje de sleet in de relatie, waardoor je dingen voor vanzelfsprekend houdt en elkaar iets te weinig aandacht geeft. Elke relatie heeft zijn dipjes. En meestal doet de zomervakantie wonderen om de zaken te verbeteren. Maar de laatste weken is er meer aan de hand. Zonder zijn eigen rol te negeren. Zonder de verantwoordelijkheid bij Sandra te willen leggen. Hoe dan ook: ze is veranderd, lijkt het wel. Niet meer haar gewone, rustige zelf. Ze gedraagt zich onvoorspelbaar. Ze is hongerig naar… Iets. Het iets komt niet helder omschreven over Pim's lippen, maar een goede verstaander heeft aan een half woord voldoende. Bovendien ben ik meer dan een goede verstaander. Ik ben de stokebrand, de man met de fakkel, de verspreider van het heilig vuur. En ook zonder dat hij verder vertelt begrijp ik wat er aan de hand is. Hij kan haar niet aan. Ze stelt eisen. Prettige eisen weliswaar. Eisen waarop hij trillend van opwinding in zou moeten gaan. Eisen? Onzin. Een voortdurende uitnodiging voor een tropisch carnaval vol schetterende samba, glitter en passie, maar blijkbaar geschreven in een hem onbekende taal. Hij is de weg kwijt als een toerist in een vreemd land.
In de keuken staat Sandra als een levend informatiebord van haar bedoelingen. Zelden iemand gezien met zo'n duidelijke lichaamstaal. Neem me, zegt ze terwijl ze de salade mengt. Er is tijd voor minstens tien orgasmen als voorgerecht. Raad eens welk toetje je straks kunt krijgen. Etcetera. Bijna te banaal voor woorden. Ik krijg het er warm van, maar blijkbaar op een andere manier dan Pim. "Luister, Ad," fluistert hij dringend. "Jij hebt iets met vrouwen. Jij weet beter dan ik hoe die dingen met vrouwen werken. Help me om mijn relatie weer op de rails te krijgen. Ik houd waanzinnig veel van haar, dat weet je. Ik wil alles voor haar doen. Maar wat ik op dit moment ook doe, het werkt niet. Ik maak haar ongelukkig, en zij maakt mij ongelukkig. En als er niks verandert gaat het fout."
Zo gaan die dingen in het leven: Je denkt iemand gelukkig te maken en iemand anders blijkt er ongelukkig van te worden. Sterker nog: geluk is een fragiel beestje. Het ene moment springt het gezond en lustig rond, het volgend moment zit het lusteloos in een hoekje. Ook Sandra zit minder goed in haar vel dan toen ik haar naakt op bed achterliet. Hitsig prikt ze in het vlees dat maar niet gaar wil worden. Even hitsig prikt ze in mij, als ik naast haar kom staan. Pim is naar de kelder om de wijn uit te zoeken. Een geliefde bezigheid, waaraan hij aanzienlijke tijd en aandacht kan schenken. Dezelfde intense aandacht aan Sandra zou al een hoop schelen. "Ad, zou jij mij even tevreden kunnen stellen," zegt ze, terwijl ze zich om mij heen slingert. "Pim schijnt er niet toe in staat te zijn, hoewel er niet veel voor nodig is. Jezus, ik loop de godganselijke dag vochtig en vragend rond, maar hij wil maar niet in de gaten hebben dat hij gewoon zijn driften even vrij spel moet geven. Hij is viriel genoeg, maar hij moet zijn apparaatje wel laten werken." Het lijkt erop of ze tot daden wil overgaan, een andere maaltijd wil bereiden, ander vlees wil verorberen, andere vruchten wil aanbieden, me wil bestijgen, maar haar betere ik houdt de overhand en teleurgesteld laat ze me los. "Zou je niet met hem willen praten, Ad. Zou je hem niet willen uitleggen hoe het werkt, hem vertellen hoe makkelijk ik te bevredigen ben. Alsjeblieft, Ad, maak mijn Pimmetje duidelijk dat ik gewoon van vlees en bloed ben. Dat ik het lekker vind als hij zich aan me opdringt. Dat ik niet kapot ga van een beetje geduw en getrek. Dat hij zich gewoon mag laten gaan en dat getrut over mijn orgasme en of ik het wel lekker vind en of het niet te snel gaat en of ik wel voldoende aandacht krijg achterwege mag laten. Ik wil geen aandacht, ik wil gewoon eens genomen worden, verdomme."
Voor je het weet ben je de Stichting Korrelatie en de Rutgersstichting in één persoon. Later op de avond, als het eten gegeten is en de wijn zijn zegenende werk heeft gedaan, wijd ik Pim in in de mysteries van zijn vrouw. In tweede persoon conjunctief vertel ik hem omstandig wat ik in eerste persoon voltooid verleden tijd met zijn vrouw heb gedaan. Of deed (onvoltooid verleden?). Of zou doen (toekomstig verleden conjunctief gesublimeerde wens?). Als ik hem was. In zijn geval. Indien zich de gelegenheid voordeed. Die zich overigens heel vaak zou kunnen voordoen. Die ook een handje geholpen zou kunnen worden. Die zich bijvoorbeeld zou voordoen als ik nu wegging. Of later wegging, want nu meteen weggaan is onaardig tegen de gastvrouw. Of zou ik nu toch maar meteen weggaan, hij hoefde het maar te zeggen. Op de achtergrond (in huis, wij zitten in de tuin, mooie zomeravond, warm maar niet drukkend, uitermate geschikt voor het onderwerp van onze conversatie, mijn monoloog, uiteenzetting, wensdroom) is Sandra druk in de weer met allerlei dingetjes waarvan alleen een vrouw in het huishouden ontwaart dat ze moeten gebeuren, zodat wij mannen het rijk even alleen hebben. Zelden zo'n vlijtige leerling gezien als Pim. Ook zonder pen en papier zie ik hem voortdurend aantekeningen maken.
Ik hoef niet meteen weg te gaan. Dat zou Sandra niet leuk vinden. Ze is bijzonder op me gesteld. Vlijtige leerlingen zijn niet altijd intelligent. Uit ijver komt niet automatisch inzicht voort. Als Pim weer naar de kelder is voor een volgende fles wijn, komt Sandra meteen op mijn schoot zitten om te horen hoe het gaat met de les. Ik herhaal in derde persoon conjunctief (verleden toekomstig waarschijnlijk) wat ik Pim heb proberen bij te brengen. Al snel leg ik de nadruk op praktische toepasbaarheid. Als Pim dit, hoe zou jij dan reageren. Als hand onder jouw hemdje, op jouw borst, hé, geen BH, o ja, te warm, wat is dan het effect. Natuurlijk. Jouw lippen op de zijne. Als jouw tong tussen zijn tanden, en zijn reactie handen over jouw lichaam en onder jouw rok en over jouw billen, hé, ook al geen slip, ja, ja, ik weet het, te warm, moet ik dat geloven, loop je zo al de hele avond, had het me eerder laten weten, en zijn hand tussen jouw benen, dan… Dan zou hij toch (conjunctief) in de gaten moeten hebben, ik heb het ook in de gaten en ik doe maar alsof, ik leg alleen maar even uit wat er zou kunnen gebeuren indien, dan moet hij toch in de gaten hebben dat je helemaal nat bent, mijn vinger glijdt zo naar binnen en die reactie van jou laat toch ook niets aan duidelijkheid te wensen over en gelukkig zijn de buren op vakantie en gelukkig is Pim nog wel even bezig met de wijn en als je niet al te luidruchtig bent kan ik even doorgaan, het is toch niet moeilijk, ik leg hem hele simpele dingen uit, maar ze werken wel, moet je me nu in mijn oor bijten, o natuurlijk, zo lukt het je om niet te luidruchtig te zijn, dus dit soort dingen ben ik Pim aan het uitleggen, tevreden?
Nog een fles later is Pim helemaal bijgepraat en kan ik met een voldaan gevoel vertrekken. In het halletje neem ik afscheid van Sandra. Nu lijkt het Pim's beurt om onzichtbare karweitjes in de woonkamer op te knappen. Ongelooflijk wat die twee elkaar een ruimte geven in hun verstikkende relatie. Waarom zitten ze elkaar niet wat dichter op de huid? "Ad," vraagt Sandra als ze zich ten afscheid tegen me aandrukt, "Ad, vind je me aantrekkelijk?" Heeft ze te veel gedronken? Heeft haar rustige, evenwichtige, buitenwijkneurotische persoonlijkheid de zaak overgedaan aan een stadse, schepenverbrandende gokker? Er is een blik in haar ogen, een gulzigheid in haar trekken. "Ad, zou het wat worden tussen ons?" "Ja," antwoord ik, "en nee." "Luister Sandra," zeg ik, terwijl ik moeite doe om me in te houden. Ik ben ook maar een mens. Een man van vlees en bloed. Ik word ook maar verscheurd door de tegenstrijdige eisen van lust en vriendschap. Ik kan er ook verdomde weinig aan doen dat die rok van haar zo kort is en mijn handen toch weer dat prachtige stel naakte billen in heel hun glorie omvatten. Ik ben ook niet perfect. "Luister Sandra," zeg ik dus, terwijl ik moeite doe me in te houden. "Ik hou van jou. En ik hou van Pim. En ik wil dat het tussen jullie twee gaat werken. Ik wil jullie alle twee houden. Probeer het met hem uit te werken. Help hem een beetje. Hij is niet stom. Hij gaat het heus wel begrijpen. En dan heb je mij helemaal niet nodig. Echt, je bent beter af met hem dan met mij. Jij bent niet zo'n woeste meid die alle schepen achter zich gaat verbranden. Daar ben je, in the end, veel te keurig voor. Je loopt tenslotte ook niet rond met een kort geblondeerd koppie en een piercing in je tepel. Dit leven ligt je wel. Er moet alleen wat meer pit in, maar dat heb je zelf in de hand." Het klinkt goed wat ik zeg. Ik sta versteld van me zelf. Nooit geweten dat eens in mij een mensenvriend zou opstaan die huwelijken gaat redden. Maar ik blijf een mens. En als de vos de passie preekt… Pim, je zou eens wat beter kunnen opletten als ik in de buurt ben. Weet je niet dat de gelegenheid de dief maakt? Dus blijf ik nog even staan met mijn handen om haar billen. En op andere delen van haar prettige lichaam. En ik stel nog even vast, dat ze helemaal klaar is voor romantisch samenzijn. En ik laat haar lippen nog een keer met de mijne versmelten. Wat een keurige buitenwijkmanier om te eufemiseren dat we, met Pim op reuk-, hoor- en tastafstand in de kamer, woest tongen en vozen, met handen op plaatsen waar ze niet horen. Shit! Ik ben maar een mens. Shit! En Sandra niet minder. Maar het gezonde verstand zegeviert. "Als het neuken met Pim tegenvalt, Sandra," zeg ik ten afscheid, "dan kom je maar langs. Ik denk er over in de handel te gaan, en ik zoek nog iemand voor de administratie. Heb je meteen een goede reden om een paar avonden per week van huis te zijn."
"Dank je wel Ad," zegt Pim, als hij met me meeloopt naar de auto. "Ik ben blij dat je me hebt willen helpen, vanavond. Ik zal doen wat je gezegd hebt." Hij krijgt een dromerige uitdrukking op zijn gezicht. Niet precies het soort uitdrukking dat ik voor ogen had toen ik hem onderrichtte in de positieve aspecten van bronsterigheid. Maar goed, alle kleine beetjes helpen. En ach, als Pim onvoldoende slaagt in zijn missie als meesterneuker, dan ben ik dus altijd nog bereid om Sandra op andere wijze terzijde te staan in haar queeste naar hoogtepunten. Een vriend voor alles. "O ja," zegt Pim, als ik al in de auto zit en op het punt sta weg te rijden, "dat is waar ook. Ik had het je al eerder willen vertellen, maar ik ben het helemaal vergeten in alle commotie van vanavond… Elsbeth is terug."
Een droom. Nu echt een droom van het type nachtmerrie. Ik ben helemaal niet wakker geworden. Naast mijn bed heeft misschien een telefoon gerinkeld om zeven uur in de morgen. Maar ook dat was onderdeel van de droom. In een dromend continuüm ben ik ontwaakt en naar Pim en Sandra gegaan. Het kan zijn dat Pim me van de trein heeft gehaald, glimlachend om het hoekje heeft toegekeken naar de dingen die ik met Sandra deed en helemaal niet moe en gedeprimeerd en verdrietig en ten einde raad en verward was. Pim is de duivelse conducteur die naar het kaartje vraagt dat ik niet kan tonen. Ik ben helemaal niet in één keer klaarwakker. Ik heb helemaal niet in één keer de telefoon gegrepen. Alles is gewoon doorgegaan. Niets is veranderd. De droom gaat eeuwig door en nu zit ik in mijn auto en heb ik net van Pim gehoord, dat Elsbeth terug is. Het is geen mooie zonnige dag meer, het is donker en nacht en er zit een dreiging van onweer in de lucht. Maar het is allemaal een vreselijke droom, een droom die niet overgaat.