|
B ....
Product van twee machten (vermenigvuldigen)
Twee machten die hetzelfde grondtal hebben, kun je vermenigvuldigen
|
|
Voorbeelden:
6).. 102∙103 = 10∙10 (2 factoren ) maal
10∙10∙10 (3 factoren) = 10∙10∙10∙10∙10 =
105
7).. a2∙a4 = a∙a (2 factoren) maal
a∙a∙a∙a (4 factoren) =
a∙a∙a∙a∙a∙a = a6
|
|
Dus: de exponent 5 in 105 krijg je door de exponenten 2 en 3 op te
tellen en de exponent 6 in a6 krijg je door de exponenten 2 en 4 op te tellen
voorbeeld 6 kun je ook berekenen: 102∙103 =
100∙1000 = 100000 (= 105)
In het ander voorbeeld [ voorbeeld 7 ] kan dat niet. Het gaat zo: a2∙a4
= a2 + 4 = a6
REGEL 1: bij het vermenigvuldigen van twee machten,
die hetzelfde grondtal hebben, moet je de exponenten optellen
|
|
Voorbeelden :
8).. 35∙34 = 39
.....
9).. 211∙25 = 216
.....
10).. p30∙p3 = p33
.....
11).. a1∙a9 = a10
|
|
Opgave 5: Schrijf als één macht
(machten van 10 en 5 niet uitrekenen !)
a) .. a9∙a4
.....
b) .. 102∙1030
.....
c) .. p5∙p3
.....
d) .. 52∙57
|
|
Let op:
c3 is het product van 3 factoren c; b2 is het product
van 2 factoren b; a1 is geen product, want je kunt niet
spreken van het product van 1 factor; dus a1 uit voorbeeld 11
is eigenlijk geen macht. Maar we spreken
af dat we met a1 gewoon a bedoelen.
Onthoud daarom: a1 = a (en dus ook: 71 = 7 en
bijvoorbeeld 101 = 10, etc.)
|
|
C ....
Quotiënt van twee machten (delen)
|
|
Twee machten die hetzelfde grondtal hebben, kun je ook op elkaar delen
Voorbeeld:
106 : 102 = 10∙10∙10∙10∙10∙10
(6 factoren) gedeeld door
10∙10 (2 factoren) is gelijk aan:
10∙10∙10∙10 (4 factoren)
De berekening die hierbij hoort is: 106 : 102
= 1000000 : 100 = 10000 (= 104)
De exponent 4 in 104 krijg je door de exponenten 6 en 2
van elkaar af te trekken. Daarom geldt: 106 : 102 =
106 - 2 = 104 en bijvoorbeeld ook:
p10 : p8 = p10 - 8 = p2
REGEL 2: bij het op elkaar delen van twee
machten, die hetzelfde grondtal hebben, moet je de exponenten aftrekken.
|
|
Voorbeelden :
12).. 3 7 : 34 = 33
.....
13).. 211 : 25 = 26
.....
14).. p13 : p3 = p10
.....
15).. a19 : a8 = a11
|
|
Opgave 6: : herleid
a) .. a7 : a2
.....
b) .. 79 : 73
.....
c) .. p5 : p3
|
|
Opgave 7: : herleid en bereken ook de uitkomst
a) .. 87 : 85
.....
b) .. 73 : 72
.....
c) .. 45 : 43
d) .. 97 : 96
.....
e) .. 54 : 52
.....
f) .. 87 : 87
|
Als je een getal deelt door zichzelf, dan krijg je als uitkomst altijd 1. Vanzelfsprekend
is dat ook zo als je (dezelfde) .. machten op elkaar deelt; en dus:
REGEL 3: delen van twee machten, die hetzelfde grondtal hebben en
dezelfde exponent levert als uitkomst 1 op
|
|
Voorbeelden :
16).. 106 : 106 = 1
.....
17).. a19 : a19 = 1
.....
18).. p103 : p103 = 1
|
|
D ....
De macht van een macht
|
|
We noemen 102 een macht en we noemen (102)3
een macht van een macht.
(102)3 betekent:
102∙102∙102 en dat zijn dus 6 factoren.
De berekening die erbij hoort is: (102)3=
1003 = 100∙100∙100 = 1000000 (= 106).
Dus: (102)3 = 102∙3 = 106 maar ook
bijvoorbeeld: (p5)3 = p5∙3 = p15.
Bij de laatste zien we tussen haakjes staan: het product van 5 factoren p en dat
kun je schrijven als: p∙p∙p∙p∙p (5 factoren); daarvan de derde
macht nemen levert dus 15 factoren op; te schrijven als:
p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p∙p
REGEL 4: bij het machtsverheffen van een macht, moet je de exponenten met elkaar
vermenigvuldigen
|
|
Opgave 8: schrijf over en vul in
a) .. (53)5 = 5..
.....
b) .. (55)3 = 5..
.....
c) .. (x9)4 = x..
d) .. (95)2 = 9..
.....
e) .. (96)7 = p..
.....
f) .. (q6)10 = q..
|