Terug naar Vakkenhoek: Nederlands
Home Page: www.wjsn.nl


LANSELOET VAN DENEMARKEN (Een abel spel)
Hoe hi wert minnende ene joncfrou, die met sijnder moeder diende
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
Volledige tekst

In de Proloog zegt de dichter dat tussen Lanseloet en zijn moeder conflicten zijn gerezen over het feit dat de aanzienlijke en voorname ridder liefde heeft opgevat voor Sanderijn, een meisje van lagere geboorte, maar niettemin van adel. Waartoe dit conflict leidt, zal het spel ons leren: "Ic wane, dat ghi noit van minnen / en hebt ghehoert dies ghelike."

Het spel begint met de verzuchting van Lanseloet dat hij de liefde die hij voor Sanderijn heeft opgevat, niet kan opgeven omwille van zijn moeder. Onder de eglantier verbeidt hij zijn geliefde. Als Sanderijn hem begroet en tegemoet treedt, vraagt Lanseloet haar om raad : hij wil òf haar lief hebben òf sterven. Sanderijn wijst zijn liefde echter af, niet omdat zij hem niet lief heeft, maar omdat hij voor haar te machtig en té rijk is. Zij voegt hieraan toe dat zij er niet voor voelt de rol van minnares te spelen: een eerste aanduiding van de hoge opvatting, die Sanderijn over de liefde heeft (hoofse liefde).

Lanseloet blijft aandringen op haar liefde (als minnares tegen betaling), maar Sanderijn wijst - gebelgd nu - dit van de hand: "Neen edel here noch ben ic maeght / Dies danc ic Gode van den trone : / Al woudi mi gheven te lone / Dusent meret van goude roet."

Zij verkiest verre de oprechte liefde tussen man en vrouw, boven alle dorperheid (zinnelijke liefde). Geschrokken neemt Lanseloet iets van zijn woorden terug: als Sanderijn hem slechts troost, terwijl ze wat in het gras zitten en luisteren naar de vogels, dan zal zijn verdriet al plaats maken voor vreugde. Maar Sanderijn laat zich niet verschalken: "Bi lichte geloven es die menege bedrogen." Nee, ook voor dat plannetje voelt ze niets! Lanseloet speelt nu de rol van de beledigde: hoe kan Sanderijn dat denken van hem! Tegen haar wil zal hij haar niet "doen enege scande". Tenslotte maakt Sanderijn een eind aan het gesprek : ze zijn al te lang op deze eenzame plek. Je kunt nooit weten door wie ze bespied worden en de mensen roddelen liever, dan dat ze iets goeds van je zeggen.

Met de gebruikelijke groet dat God Lanseloet mag bewaren, neemt ze afscheid.

In een alleenspraak overdenkt Lanseloet alles: Sanderijn kent slechts zuivere liefde ("Si mint ere voor enich gout"). Hij betreurt het dat zij niet van gelijke geboorte is. Zijn moeder heeft hem afgeluisterd en verwijt hem zijn liefde voor Sanderijn, die - zo zegt zij - niets om hem geeft. Lanseloet protesteert hiertegen en zegt haar dat hij Sanderijn wil liefhebben wat er ook gebeure. Het twistgesprek zet zich voort: de moeder ziet allerlei bezwaren in standsverschil (hoge adel en lage adel), Lanseloet stelt daartegenover dat de liefde noch op geboorte, noch op rijkdom let. Dan besluit de moeder haar zoon ter wille te zijn: zij zal zorgen dat Sanderijn in de nacht op Lanseloets kamer is. Hij kan dan met haar doen wat hij begeert. Na zijn daad - zo zegt zijn moeder - moet hij haar onheuse woorden toevoegen en zich van haar afwenden. Na een zwak protest, besluit Lanseloet de wil van zijn moeder op te volgen, daarmee zich vrij pleitend van schuld.

Lanseloets moeder weet in het volgende tafereel Sanderijn te bewegen naar de kamer van haar zoon te gaan: hij heeft al lange tijd niet meer gesproken, hij is - zo stelt ze het voor - ernstig ziek. Sanderijn gaat de kenner binnen, waar Lanseloet zich aan haar vergrijpt.

De volgende morgen vinden we Sanderijn, treuria dwalende, in het bos. Zij beschuldigt Lanseloets moeder, maar het ergste is toch dat Lanseloet zelf haar ná zijn schanddaad zo onheus heeft behandeld.

In vreemde landen dolen lijkt haar de enige oplossing: zij bidt tot God dat haar dit nooit meer zal overkomen. Bij een bron gekomen, ontmoet zij een ridder die op jacht is, maar nog niets heeft gevangen. De ridder vergeet elke prooi bij het zien van Sanderijn: "Ic hebbe u liever dan een everzwijn / Al waert van finen goude gewracht."

Bevreesd wacht Sanderijn op de afloop van deze ontmoeting. Haar vrees is gegrond: ook deze ridder stelt haar voor met hem naar het kasteel te gaan, waar zij zich aan het liefdesspel kunnen overgeven. Sanderijn verzoekt hem daarover niet te praten. Zij vertelt hem dat haar vader schildknecht is en Robberecht heet. De ridder vraagt haar zijn vrouw te worden. Sanderijn heeft geen bezwaren, maar alvorens met hem te trouwen, vertelt ze hem wat haar is overkomen. Zij maakt daartoe gebruik van een treffende gelijkenis: een boom bloeit in schone pracht. Dan komt een valk van hoge aard gevlogen en rooft van de boom een bloesem, één enkele. Moet de boom daarom worden gehaat en gemeden?

De ridder begrijpt de parabel, maar dat tempert zijn liefde voor Sanderijn niet. Zij zullen samen zeer gelukkig worden.

Ondertussen treurt Lanseloet over het verdwijnen van Sanderijn. Zijn kamerdienaar Reinout moet uitkomst brengen: deze moet Sanderijn gaan zoeken en haar het berouw van Lanseloet meedelen. Reinout vindt op zijn weg na enige tijd de boswachter, die in dienst is van de ridder waar Sanderijn mee is getrouwd. De boswachter, die het idee heeft bij de fontein misschien ook zulk "wild" te vangen, ontmoet slechts Reinout. Tijdens het gesprek blijkt dat de boswachter begrijpt wat Reinout bedoelt: bijna een jaar geleden heeft zijn ridder een vrouw hier bij de fontein ontmoet, met wie hij is getrouwd.

Reinout spitst de oren. Sanderijn! Ja, dat is degene die hij zoekt. Als Reinout er een drinkpenning voor over heeft, dan zal de boswachter hem met haar in contact brengen. Reinout geeft hem zelfs twee penningen.

In het gesprek met Sanderijn is er voor Reinout geen enkele hoop: Sanderijn wijst Lanseloet af. Ze is getrouwd en heeft een edele echtgenoot. Als Reinout haar om een bewijs vraagt dat hij haar heeft ontmoet, voor het geval Lanseloet daarnaar informeert, vertelt zij voor de tweede keer de gelijkenis van de boom en de valk.

Reinout keert terug naar Lanseloet en vertelt hem dat hij Sanderijn heeft ontmoet in Rawast in Afrika. Als Lanseloet dit praatjes vindt, doet Reinout hem het verhaal van Sanderijn: voor de derde maal wordt de parabel verteld. Reinout vermeldt niet dat Sanderijn is getrouwd, maar zegt dat ze is gestorven. Lanseloet begrijpt de symboliek (herhaalt gedeeltelijk het verhaal). Radeloos besluit hij zelfmoord te plegen. In het nawoord, door Reinout gesproken, stelt de dichter dat de onhoofse behandeling van Lanseloet hem de liefde van Sanderijn doet verliezen; slechts de ware liefde vindt gehoor:

"Ghi heren, vrouwen, wijf ende man
Nu nemt hier exempel an."

Opmerking :
Gebruik is gemaakt van de tekstuitgave van dr. G. Stellinga (uitgave J. Noorduyn en Zoon, Gorinchem 1962).