Terug naar Educatiehoek

BRON: CBS, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken 1999-IV

Meer studenten in het hoger onderwijs
drs. G.F.M. Janssen

Het aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs groeit sinds het midden van de jaren tachtig. In het lopende studiejaar komt het aantal hbo’ers voor het eerst boven de 300 duizend. In het wetenschappelijk onderwijs werd voor het eerst sinds 1993 een stijging gemeten. Het aantal geslaagden in het hoger onderwijs neemt af.

Voortdurende groei van aantal hbo’ers

Het aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs (hbo) is sinds 1985 voortdurend toegenomen. In het studiejaar 1999/2000 studeren er meer dan 300 duizend studenten aan een hogeschool. Vergeleken met een jaar eerder bedraagt de stijging 13 duizend ofwel 4 procent. De groei bij de vrouwen bedraagt 6 procent en bij de mannen 3 procent. Sinds het studiejaar 1997/’98 overtreft het aantal vrouwen het aantal mannen. In het lopende studiejaar zijn er ruim 10 duizend vrouwen meer dan mannen.

Het aantal studenten die een opleiding in de sector pedagogisch onderwijs volgen, neemt sterk toe. Vergeleken met vorig jaar bedraagt de toename 4 duizend ofwel 8 procent. De groei kan grotendeels worden toegeschreven aan het aantal studenten die een opleiding tot docent basisonderwijs volgen (pabo). De groei bedraagt hier 3 duizend ofwel 12 procent. Ook het aantal studenten die een opleiding volgen tot leraar speciaal onderwijs, neemt toe. Bij de sector economie, de grootste van de onderscheiden sectoren, was de groei eveneens fors. Vergeleken met een jaar eerder bedroeg de stijging ruim 6 procent. Het agrarisch onderwijs en het kunstonderwijs tellen daarentegen iets minder studenten dan in 1998/’99.

Bij de mannen zijn de sectoren economie en techniek het grootst. Van alle aan het hbo studerende mannen zit 70 procent in één van deze sectoren. Bij de vrouwen zijn de sectoren economie en pedagogisch onderwijs het grootst: van alle vrouwen volgt de helft een opleiding in één van deze richtingen.

In het studiejaar 1999/2000 studeren bijna 54 duizend studenten in deeltijd. Het aantal is de laatste vier jaren sterk toegenomen: vergeleken met 1995/’96 bedraagt de stijging bijna 30 procent. Het aantal voltijders steeg in deze periode slechts met 8 procent.

Lichte daling aantal geslaagde hbo’ers

In het studiejaar 1998/’99 behaalden bijna 52 duizend studenten een hbo-einddiploma. Dat waren er vijfhonderd minder dan een jaar eerder. Het is voor het tweede opeenvolgende jaar dat het aantal geslaagden afneemt. Vergeleken met het begin van de jaren negentig zijn de geslaagden jonger. Van de geslaagden van 1998/’99 waren er twee van de drie 24 jaar of jonger; van de geslaagden van 1990/’91 was iets meer dan de helft jonger dan 25.

Aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs neemt toe

Het aantal ingeschrevenen in het wetenschappelijk onderwijs is voor het eerst sinds het studiejaar 1993/’94 weer toegenomen. In het studiejaar 1999/2000 staan bijna 163 duizend personen ingeschreven. Dat is 2 procent meer dan vorig studiejaar. Het aantal vrouwen is met ruim 3 procent toegenomen, het aantal mannen met 1 procent. Van het totaal aantal ingeschrevenen is 47 procent vrouw.

Van de onderscheiden universiteiten kennen de Technische Universiteit Eindhoven en de Universiteit Maastricht dit studiejaar de grootste toename van het aantal studenten. Ook bij de Katholieke Universiteit Brabant en de Erasmus Universiteit Rotterdam was de groei fors. De Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht zijn met elk 22 duizend studenten het grootst.

De aantallen studenten in de sector economie en in de sector gedrag en maatschappij namen het sterkst toe. De sector gedrag en maatschappij is de grootste van de in de tabellen onderscheiden sectoren. Met ingang van 1998 wordt in de tabellen een apart onderscheid gemaakt voor het University College Utrecht (ucu), dat in september 1998 van start is gegaan. Dit driejarige programma kan worden afgesloten met een zogenaamd bachelor-diploma, qua niveau vergelijkbaar met het vroegere kandidaatsexamen.

Bij de mannen zijn vooral de sectoren techniek en economie in trek: bijna 45 procent van alle mannen volgt een opleiding in één van deze twee sectoren. Bij de vrouwen is de sector gedrag en maatschappij duidelijk het grootst: een kwart van alle studerende vrouwen volgt een opleiding in deze richting.

Eerstejaars: meer vrouwen dan mannen

Het aantal eerstejaarsstudenten bereikte een top in 1991/’92. Toen waren er 36 duizend. In de periode 1992-1996 daalde het aantal met gemiddeld vijftienhonderd per jaar. Sinds 1997/’98 neemt het aantal eerstejaars weer toe. Op 1 december 1999 stonden 32 duizend studenten voor het eerst ingeschreven aan een universiteit. Dat zijn er zeventienhonderd ofwel 5 procent meer dan op 1 december 1998.

De grootste stijging van het aantal eerstejaars doet zich voor bij de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het aantal is 19 procent groter dan een jaar eerder. Ook bij de Technische Universiteit Eindhoven en de Universiteit Utrecht is de groei fors.

Meer dan vorig studiejaar kiezen de eerstejaars voor een opleiding in de sector taal en cultuur. In de afgelopen jaren werd deze sector nog geconfronteerd met sterk teruglopende aantallen eerstejaarsstudenten. Ook de sector gedrag en maatschappij en de sector economie kennen een forse toename van het aantal eerstejaars.

Het aantal vrouwelijke eerstejaars is sterker toegenomen dan het aantal mannen. Voor het eerst in de historie zijn er meer vrouwen dan mannen onder de eerstejaars.

Minder doctoraalgeslaagden

Het aantal doctoraalgeslaagden in het wetenschappelijk onderwijs in het studiejaar 1998/’99 bedroeg bijna 21 duizend. Dat zijn er ruim 8 procent minder dan een jaar eerder. De daling deed zich voor in bijna alle sectoren. Alleen bij de sector economie was er een lichte stijging. De daling bij de mannen en vrouwen lag in dezelfde orde van grootte. Het is voor het derde opeenvolgende jaar dat het aantal geslaagden is afgenomen. Het hoge aantal geslaagden in 1995/’96 hangt waarschijnlijk samen met de beperking van de maximale termijn van de basisbeurs in 1991/’92 van zes tot vijf jaar. Daardoor steeg het aantal studenten dat binnen vijf jaar het doctoraaldiploma behaalde. De daling van het aantal geslaagden in 1996/’97 moet in dit licht worden bezien. De daling in de jaren daarna hangt samen met de afname van het aantal eerstejaars in 1992 en 1993.

Technische toelichting

De aantallen studenten in het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs zijn inclusief extraneï en auditoren. De aantallen hebben alleen betrekking op de door het Rijk bekostigde instellingen voor hoger onderwijs. De studenten in de sector landbouw zijn in de aantallen inbegrepen.

De gegevens in dit artikel zijn gebaseerd op tellingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het Ministerie van Landbouw en Visserij, de Informatie Beheer Groep en het Centraal Bureau voor de Statistiek.


Terug naar Educatiehoek