Terug naar Educatiehoek

BRON: CBS, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken, 1997-III

Hoger beroepsonderwijs regionaal bezien, 1995/’96
C.M.N. Gordijn en drs. G.F.M. Janssen

De meeste eerstejaarsstudenten in het hoger beroepsonderwijs studeren in de eigen regio. De belangstelling verschilt soms sterk per regio.

Friesland grootste leverancier voor agrarisch onderwijs

Van de studenten die in 1995/’96 voor het eerst met een opleiding startten in het hoger beroepsonderwijs (hbo), koos bijna één op de drie voor een economische studie. Eén op de vijf gaf de voorkeur aan een technische opleiding. De inschrijvingen voor het agrarisch onderwijs en het kunstonderwijs waren het kleinst (tabel 1).1

Van alle eerstejaarsstudenten komen verhoudingsgewijs de meesten uit het zuidelijk deel van Noord-Holland (tabel 2). Oost-Groningen en Roermond en omstreken leveren beide minder dan één procent van het totale aantal eerstejaars. Friesland is de grootste leverancier voor het agrarisch onderwijs terwijl het noordelijke deel van Zuid-Holland de grootste bijdrage levert aan het sociaal-agogisch onderwijs.

Eigen onderwijsgebied is troef

Van de eerstejaars hbo-studenten uit 1995/’96 koos bijna de helft voor een hogeschool in het eigen onderwijsgebied (tabel 3). In de gebieden Groningen en omstreken, Friesland, het zuidelijke deel van Noord-Holland, Rijnmond groot en Zuid-Limburg kiezen gemiddeld zeven van de tien studenten voor het eigen onderwijsgebied. De regio’s Oost-Groningen en Harderwijk-Amersfoort bieden geen hoger beroepsonderwijs aan.

Eén op de drie eerstejaars kiest voor een instelling in een aangrenzend onderwijsgebied. Dit betekent dat tachtig procent van de studenten in het eigen of aangrenzend onderwijsgebied studeert. In Friesland, het zuidelijke deel van Noord-Holland en het noordelijke deel van Zuid-Holland geldt dit voor maar liefst negen van de tien studenten.

De meeste onderwijsgebieden bieden niet alle opleidingen aan. Daarom moeten studenten soms uitwijken naar een aangrenzend of niet-aangrenzend onderwijsgebied. Om de voorkeur van studenten voor het eigen onderwijsgebied te bepalen is in tabel 4 gecorrigeerd voor de aanwezigheid van opleidingsmogelijkheden.2 Daartoe is uitgegaan van de groep studenten die de mogelijkheid heeft in het eigen onderwijsgebied de studie van hun keuze te volgen. Van deze studenten blijkt 56 procent te studeren in het eigen onderwijsgebied. De Zuid-Limburgers zijn het sterkst georiënteerd op de eigen regio. Jongeren uit de regio Apeldoorn en midden-Ijsselgebied en jongeren uit het onderwijsgebied Dordrecht-Gorinchem zijn het minst honkvast. Ook per sector lopen de percentages uiteen (tabel 5). Bij het sociaal-agogisch onderwijs kiezen zes van de tien studenten voor een studie in het eigen onderwijsgebied tegen vier van de tien bij het kunstonderwijs.

Regionale aantrekkingskracht per sector

Om vast te kunnen stellen welke sectoren van het hbo de meeste aantrekkingskracht uitoefenen op studenten uit verscheidene onderwijsgebieden worden oriëntatiegetallen berekend. Deze getallen geven weer in welke mate de keuze voor een hbo-sector door eerstejaarsstudenten uit een bepaald onderwijsgebied afwijkt van die van eerstejaarsstudenten uit geheel Nederland. Een oriëntatiegetal van 200 betekent dat in het betreffende onderwijsgebied studenten tweemaal zo vaak als landelijk gemiddeld kiezen voor een bepaalde sector van het hbo. De getallen verschaffen geen directe informatie over het belang van een gebied voor een hbo-sector omdat de absolute aantallen studenten per gebied uiteenloopt. De oriëntatiegetallen worden weergeven in cartogrammen per hbo-sector. Het kunstonderwijs is hierbij buiten beschouwing gelaten. In de cartogrammen is aangegeven in welke onderwijsgebieden opleidingsmogelijkheden voorkomen. De cijfers in de cartogrammen corresponderen met de onderwijsgebieden in de tabellen.

Bij het agrarisch onderwijs lopen de oriëntatiegetallen duidelijk uiteen (figuur 1). Uitgezonderd Groningen en omstreken is de belangstelling in het noorden van het land het grootst. Noord-Brabant, Zeeland en Zuid-Limburg blijven achter bij het landelijk gemiddelde. In deze regio’s wordt vrijwel geen agrarisch onderwijs aangeboden.

Bij het technisch onderwijs zijn de regionale verschillen minder groot (figuur 2). Groningen, Friesland en de regio Arnhem en omstreken blijven duidelijk achter bij de rest van Nederland. In Zeeland is de belangstelling het grootst.

Het westen van Nederland kiest minder dan gemiddeld voor gezondheidszorgonderwijs (figuur 3). Met uitzondering van Noord-Limburg laten de regio’s die grenzen aan Duitsland juist een bovengemiddelde oriëntatie zien.

Bij het economisch onderwijs zijn de regionale verschillen het kleinst (figuur 4). Studenten uit het westen en uiterste noorden van het land kiezen iets meer dan gemiddeld voor een studie economie. De overige regio’s van Nederland liggen net onder het gemiddelde.

Sociaal-agogisch onderwijs heeft de minste aantrekkingskracht op studenten uit Noord-Holland (figuur 5). Daarentegen voelen studenten uit Arnhem en omstreken, de Zuidelijke achterhoek en Roermond en omstreken zich juist sterk aangetrokken tot deze vorm van onderwijs.

Evenals bij het economisch onderwijs zijn ook bij het pedagogisch onderwijs de regionale verschillen klein (figuur 6). De Friezen zijn het meest geïnteresseerd in een lerarenopleiding.

Technische toelichting

Jaarlijks ontvangt het CBS de inschrijvings- en aanmeldingsgegevens van studenten in het hoger onderwijs. Deze gegevens worden geleverd door de Informatie Beheer Groep.

De inschrijvings- en aanmeldingsgegevens zijn jaargegevens op individueel niveau. Het inschrijvingenbestand heeft betrekking op studenten die zich voor het studiejaar 1995/’96 hebben laten inschrijven. Het aanmeldingenbestand heeft betrekking op de studenten die zich voor het studiejaar 1995/’96 hebben aangemeld.

Uit het inschrijvingenbestand worden alle studenten geselecteerd die zich voor het eerst bij een hbo-instelling hebben ingeschreven in de propedeutische fase van het voltijdonderwijs. Door koppeling met het aanmeldingenbestand kan van deze studenten de postcode van de woongemeente bij aanmelding worden toegevoegd. Via de postcode worden de zogeheten onderwijsgebieden afgeleid.

Begrippen

Nodaal gebied en onderwijsgebied

In het kader van de onderwijsplanning is een indeling van Nederland ontwikkeld in tachtig nodale gebieden. Bij het samenstellen van deze indeling is onder meer gekeken naar de aanwezigheid van een volledig pakket onderwijsvoorzieningen, aansluitend op het basisonderwijs, en naar de verzorgingsrayons van de scholen voor voortgezet onderwijs.

De 25 onderwijsgebieden zijn gevormd door groepering van een aantal nodale gebieden. Bij de clustering is onder meer gebruik gemaakt van informatie over woonschoolstromen uit het CBS-onderzoek ‘Het voortgezet onderwijs regionaal bezien’.

Oriëntatiegetal

In de cartogrammen worden oriëntatiegetallen gebruikt. Per onderwijsgebied wordt het oriëntatiegetal (O) als volgt berekend:
O = (R/S) x 100
R = percentage studenten uit onderwijsgebied X dat zich inschrijft voor hbo-sector Y
S = percentage studenten uit Nederland dat zich inschrijft voor hbo-sector Y
Een oriëntatiegetal van 100 komt overeen met het landelijk gemiddelde.

Afkortingen

hoa hoger agrarisch onderwijs
hto hoger technisch onderwijs
hgo hoger gezondheidszorgonderwijs
heo hoger economisch onderwijs
hsao hoger sociaal-agogisch onderwijs
hko hoger kunstonderwijs
hpo hoger pedagogisch onderwijs

Noten in de tekst

1 In 1995/’96 meldden zich bijna vijfenvijftigduizend studenten voor het eerst aan in de propedeutische fase van het voltijd hoger beroepsonderwijs. Van acht procent van deze studenten is de regionale herkomst niet bekend. In dit artikel worden deze studenten buiten beschouwing gelaten. Voor een deel komen zij uit het buitenland.

2 Een instelling voor hoger beroepsonderwijs kan meerdere vestigingen hebben verspreid over delen van het land. Bij de vaststelling van de opleidingsmogelijkheden wordt uitgegaan van de aangeboden opleidingen van de vestigingen in de desbetreffende regio’s.


Terug naar Educatiehoek