|
Terug naar Vakkenhoek: Nederlands Home Page: www.wjsn.nl |
|
KORT AMERIKAANS
Jan Wolkers
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
KORT AMERIKAANS
De eerste druk van Kort Amerikaans verscheen in oktober 1962. Voor deze samenvatting is
gebruik gemaakt van de achttiende druk, januari 1965 Amsterdam, Meulenhoff Editie E 16. Het
verhaal speelt in Leiden omstreeks september 1944 tot de bevrijding in mei 1945.
Bij een razzia in 1944 wordt Peter, een vriend van Erik van Poelgeest opgepakt. Erik zelf
ontloopt dit lot, doordat hij juist het postkantoor was binnengegaan. Erik van Poelgeest is
een achttienjarige jongeman, die ondergedoken is voor de arbeidsdienst en op een klein
zolderkamertje woont.
Als hij naar z'n kamer terugkeert, komt hij voorbij de Teken- en
Schilderacademie ARS AEMULA NATURAE, waar hij zich opgeeft als leerling bij kunstschilder
Van Grouw.
Erik werkt op een soort atelier, waar hij zeventiende-eeuwse zeeslagen op
lampekappen schildert.
Het ateliertje wordt beheerd door jonkheer Paul d'Ailleurs, een mislukte meester in de
rechten. Behalve Erik, werkt er ook een blond joods meisje, Elly, twintig jaar oud, dat
ondergedoken is bij de familie d'Ailleurs. De zestigjarige jonkheer bezoekt Elly 's nachts,
als zijn vrouw slaapt. Ook op het atelier, als Erik weg is, hebben ze contact. Elly
aanvaardt dit lichamelijk contact, omdat ze anders volledig in eenzaamheid is. Als Erik wat
aandacht aan haar besteedt, wordt haar behoefte aan lichamelijkheid nog meer bevredigd.
De eerste keer dat Erik de tekenacademie bezoekt, kan hij ongestoord het oude gebouw
verkennen. Hij ontdekt een stilleven, waarop o.a. een schedel is geschilderd met op de
linkerslaap een paarsige vlek: "Ik verkeer in gevaar, dacht Erik. De man die dit heeft
geschilderd moet van mijn komst op de hoogte zijn geweest." Erik heeft zelf een groot
litteken aan z'n hoofd, links bij de slaap. Dit litteken veroorzaakt nerveuze spanningen in
hem, beïnvloedt z'n doen en laten. Steeds is hij geplaagd met dat litteken, door z'n
vriendjes, door z'n broers en zusters: "Vooral als mijn haar pas geknipt was
en het gedeelte van het litteken bloot kwam dat eronder verborgen was, zag je het erg.
Kort Amerikaans model, godverdomme. En dat om een paar dubbeltjes uit te sparen." Hierom haat
hij z'n vader.
Bij dat eerste bezoek ontdekt hij ook een zolder en in een bergruimte een
gipsen tors van een Griekse venus. Deze tors neemt hij als zijn geliefde: "Eindelijk heb
ik een vrouw gevonden voor wie ik mijn hoofd niet af hoef te wenden uit angst dat ze mijn
geschonden gelaat zal zien", en even verder: "Maar jij bent blind voor de schaduw die over
mijn gezicht valt, je verloor je hoofd toen je me zag."
De kunstschilder Van Grouw is aangesloten bij de N.S.B., draagt een officiersuniform van de
W.A. Hij is evenwel vriendelijk tegen Erik.
Erik, die uit een streng-calvinistisch milieu komt, heeft een vriendinnetje
Ans, dat als boekverkoopster werkzaam is. Als ze voor de eerste keer z'n zolderkamer komt
zien, nadat Erik een boek over het animisme uit de winkel heeft meegenomen, gaat ze met hem
naar bed.
Ze is rooms en biecht haar zonde bij de pastoor, die haar verdere omgang met Erik verbiedt.
Na een tweede zolderbezoek laat ze Erik in de steek. Hij heeft inmiddels intiemer contact
gezocht met Elly op het kantoor, als d'Ailleurs afwezig is. Ze praten nu samen meer, over hun
ouders en over de opvoeding, die ze hebben gehad. Erik zit vol haatgevoelens t.o.v. z'n
opvoeders.
Op de academie ontmoet hij een zonderling, De Spin genaamd, die ook aangesloten is bij de
N.S.B. Het huis waar De Spin woont, bevat ook eigenaardigheden: een kamer vol flessen aan
touwtjes, een werkkamer. De Spin houdt er een eigen theorie op na over de zwaartekracht
i.v.m. het kleurenspel, die ook nog, zoals hij zegt, van strategisch belang zal blijken.
Eriks moeder komt hem in een pannetje elke dag eten brengen. Het gezin woont in Oegstgeest,
ze reist per tram.
Op een dag komt ze bedroefd uit het trammetje: Frans, de broer van Erik,
die in de ondergrondse zit, heeft difterie.
Later gaat Erik bij De Spin om raad vragen: er is geen hoop dat Frans het zal redden. De
Spin geeft Erik een briefje van honderd gulden. Ze praten samen over de dood en als Erik
vraagt hoe de hond van De Spin is gestorven, vertelt deze dat hij z'n hond heeft vermoord,
omdat hij niet wilde spreken. Later, als Erik weg is, pleegt De Spin zelfmoord. Erik
ontdekt zijn lichaam, als hij een brief moet wegbrengen van
Van Grouw voor De Spin. Van Grouw vlucht op Dolle Dinsdag voor de geallieerden.
Hij laat Erik in de academie wonen, zodat toch iemand het huis bewaakt. Inmiddels is de
broer van Erik gestorven.
Erik heeft hem nog kunnen bezoeken in het ziekenhuis. Zijn broer heeft hem nog herkend:
"Langzaam bracht hij zijn rechterarm omhoog en balde zijn vuist naar Erik" alsof ie daarmee
wilde zeggen: "Wees sterk, hou je goed, met mij is alles in orde."
De begrafenis wordt door Erik bijgewoond. Zijn vader, een gelovig mens, tracht de dood van
zijn zoon te aanvaarden: "Hij heeft tegen de verpleegster gezegd dat hij naar de Here Jezus
ging. Hij heeft ook nog een tekst uit de bijbel gezegd, uit de Psalmen: "Zoals een hert
schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel naar U, o God." Van werkelijk berusten
is noch bij de vader, noch bij de moeder sprake. In deze situatie blijkt ook de tegenstelling
tussen de vader en Erik, die atheïstisch denkt "Mijn ongeloof in God is mijn enige houvast
aan hem."
Van de fl 100.- van De Spin koopt Erik bloemen voor Frans. Op een van de kransen laat hij,
op verzoek van z'n zuster Bettie omdat moeder het steeds over een meisje van Frans heeft, zetten:
Rust zacht, met innige deelneming, Ria. ("Maar in het lint zat een plooi precies op de ch,
zodat er stond : RUST ZAT. En mijn broer dronk nooit.")
Erik brengt een nachtelijk bezoek aan Elly in het huis van d'Ailleurs, dat een vrij komisch
verloop heeft, want z'n baas komt ook bij haar op bezoek.
Erik stelt Elly voor bij hem op de academie te komen wonen. Ze weigert, maar enkele maanden
later zoekt ze hem daar op: D'Ailleurs schijnt opgepakt te zijn, daarna heeft ze bij twee oude
dames ondergedoken gezeten, waar ze als het ware is weggevlucht.
Als ze samen de academie wat naar Elly's smaak hebben ingericht, gaan ze wat rusten. Erik
vertelt als Elly ernaar vraagt, over het litteken aan z'n slaap: een keteltje met water is
gesprongen toen hij, een half jaar oud, bronchitis had. Het gesmolten lood heeft de
verwonding veroorzaakt. Lichamelijk contact met Elly weigert hij. Enkele maanden heeft hij
met de gipsen tors geleefd, waar hij in de nacht weer naar toegaat. Elly betrapt hem, als
hij zich bevredigt. In haar woede en verontwaardiging gooit ze de tors aan stukken. In het
volgende moment grijpt Erik haar bij de keel en vermoordt haar in een vlaag van waanzin.
Op de dag van de bevrijding luiden de klokken. Erik denkt een spelletje te spelen, als hij
drie mannen in blauwe overalls, met een antiek geweer tegemoet treedt. Het zijn
verzetsstrijders, die de academie, bekend als fascistenoord, willen bezetten: "Hij liep snel
en stootte het geweer naar voren.
Hij werd zich niet bewust dat, nu hij werkelijk bedreigd werd, hij zijn gezicht niet afwendde. Door
de verbrijzelde ruit keek hij de man, die in elkaar dook en hem vanuit zijn heup volschoot
met lood, recht in het gezicht."
Opmerkingen:
Vragen: