Terug naar Educatiehoek
BRON: CBS, Sociaal-economische maandstatistiek, januari 1994
Achterstand van 'tweetaligen' in het onderwijs;
vooral Nederlandse tweetalige leerlingen raken in het voortgezet onderwijs verder achterop.
Educational performance of bilingual students
Wout Jansen Heijtmajer
Aan onderwijsachterstanden in combinatie met 'tweetaligheid' wordt de laatste tijd veel aandacht besteed. Met 'tweetaligheid' wordt bedoeld dat leerlingen en hun ouders thuis een andere taal, streektaal of dialect gebruiken dan de voertaal in het onderwijs.
In dit artikel wordt de relatie tussen onderwijs achterstanden en 'tweetaligheid' bekeken. Hierbij gaat het zowel om leerlingen van Marokkaanse en Turkse herkomst als om dialectsprekende en Friestalige Nederlandse leerlingen. Voor de eersten wordt de aanduiding allochtone tweetaligen gebruikt en voor de laatsten de aanduiding Nederlandse tweetaligen.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van data-materiaal uit het cohort-onderzoek 1989 van het CBS. De aantallen Nederlandse en allochtone tweetaligen in de steekproef zijn betrekkelijk klein, zodat alleen aan grote verschillen tussen groepen betekenis mag worden toegekend.
Data-materiaal en operationalisatie
De leerlingen die behoren tot het
cohort, startten allen in september 1989 in het eerste
leerjaar van het voortgezet onderwijs (CBS, 1991).
Niet alle cohort-leerlingen werden bij de analyses
betrokken. Achterstanden kunnen te maken hebben met
de verblijfsduur in Nederland maar ook met eerder
opgelopen vertraging en het opleidingsniveau van de
ouders (CBS, 1991). Vandaar dat werden geselecteerd:
in Nederland geboren leerlingen, leerlingen die
onvertraagd groep 3 van het basisonderwijs instroomden
(jonger dan 7 jaar), leerlingen die in september 1989
vanuit het basisonderwijs direct doorstroomden naar
het voortgezet onderwijs en van wie de ouder(s)/verzorger(s)
geen diploma hebben behaald na het lager onderwijs.
Van de ouders van de geselecteerde leerlingen werd
informatie verkregen over geboorteland en het thuis
spreken van de Nederlandse taal. Hier vond een tweede
selectieronde plaats: alleen leerlingen met in
Nederland, Marokko of Turkije geboren ouders werden
bij de analyses betrokken - de drie omvangrijkste
groepen. In een laatste stap werden nog enkele
leerlingen uitgesloten, zodat uiteindelijk
onderstaande drie groepen van leerlingen en hun
ouders worden verkregen.
De laatstgenoemde twee groepen worden vergeleken met de eerste groep, die bestaat uit Nederlandstalige leerlingen. De niet-Nederlandstalige leerlingen worden aangeduid als 'tweetaligen' en specifieker als resp. Nederlandse tweetaligen en allochtone tweetaligen.
Om te kunnen bepalen in welke mate er achterstanden
zijn in het onderwijs werd gebruik gemaakt van
CITO-toetsen en van een niveau-indeling voor het
voortgezet onderwijs.
De ongunstige positie van Nederlandse 'tweetaligen' aan het begin van het voortgezet onderwijs blijkt duidelijk uit de toetsresultaten op de onderdelen taal, rekenen en informatie(verwerking). Vooral de score op de toets rekenen is relatief erg laag. Marokkaanse en Turkse leerlingen behalen op deze toets dezelfde score als de Nederlandstalige leerlingen. Op de toetsen voor taal en informatieverwerking behalen zij echter ook een relatief lage score. Het zijn deze twee toetsen die een groot beroep doen op de taalvaardigheid in het Nederlands. In staat 1 wordt dit weergegeven.
Staat 1
Gemiddelden van de toetsresuitaten
op de CITO-eindtoets basisonderwijs van drie groepen
leerlingen, die in 1989 startten in het voortgezet
onderwijs
--------------------------------------------------------------
Geboorteland Spreekt Steek CITO-eindtoest basisonderwijs
v.d. ouders thuis Ne- proef taal rekenen informatie
derlands aantal
--------------------------------------------------------------
Nederland ja 1026 100* 100* 100*
Nederland nee 145 86 80 87
Marokko/Turkije nee 115 95 101 94
--------------------------------------------------------------
*) Behaalde toetsscores van Nederlandstalige leerlingen = 100.
Vergeleken met Nederlandstalige leerlingen is de positie van Nederlandse 'tweetaligen' in het voortgezet onderwijs relatief ongunstig. De positie in het voortgezet onderwijs van allochtone tweetaligen is daarentegen relatief gunstig. Dat blijkt uit staat 2.
Staat 2
Gemiddelden van de bereikte onderwijsniveaus *) en
positie in voortgezet onderwijs van drie groepen
leerlingen, die in 1989 startten in het voortgezet
onderwijs
----------------------------------------------------------------
Geboorteland Spreekt Steek Onderw. Onderw. Onderw. Onderw.
v.d. ouders thuis Ne- proef niveau niveau niveau positie
derlands aantal na 1jr na 2 jr na 3 jr na 4 jr
----------------------------------------------------------------
Nederland ja 1026 100* 113 124 140
Nederland nee 145 99 111 122 136
Marokko/Turkije nee 115 101 115 127 143
----------------------------------------------------------------
*) Bereikt onderwijsniveau na 1 jaar voortgezet onderwijs van Nederlandstalige leerlingen = 100
Conclusies
In dit artikel komt de vraag aan de orde of en in welke mate tweetaligheid samenhangt met onderwijs- achterstanden. De hier gepresenteerde gegevens wijzen erop dat er bij Nederlandse tweetaligen sprake is van een achterstandssituatie in het onderwijs ten opzichte van een vergelijkbare groep Nederlandstalige leerlingen. De achterstand blijkt na ruim drie jaar voortgezet onderwijs zelfs iets te zijn toe genomen.
Een vergelijkbare groep allochtone tweetalige leerlingen behaalde aan het einde van het basisonderwijs ook slechte schoolprestaties. Hun prestaties lagen echter wel boven die van de Nederlandse tweetalige leerlingen. De allochtone leerlingen deden het in het voortgezet onderwijs zelfs iets beter dan de Nederlandstalige leerlingen. Het blijkt dat zij een lichte voorsprong hebben, die zij ook na ruim 3 jaar voortgezet onderwijs weten te behouden.
De uitkomsten hoeven niet te betekenen dat tweetaligheid de oorzaak is van de achterstanden. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat tweetaligheid vooral voorkomt bij leerlingen, waarvan de ouders een relatief laag opleidings-niveau hebben en dat dát de oorzaak is van de achterstanden.
Literatuur
CBS (1991). Schoolloopbaan en achtergrond van leerlingen. Deel 1. Cohort 1989. lnstroom. Den Haag: Staatsuitgeverij.
CBS (1991). De GIVON, de getrapte indeling naar voltooid onderwijsniveau. BPA-nr. H5072-91-S3. Heerlen-Voorburg