|
... Netwerk 2000 |
W alt's J ungle S tudio N ederland | Mail: ... W J S N ... © 2004 |
|
Islamitische Scholen in Nederland - Een goede zaak of niet? W. Jansen Heijtmajer, december 2003 Terug naar HomePage |
Advies : bezoek de
Site van Arseen de Kesel
, met informatie over: Islam Scholen, Migratie,
Koran, Bijbel, Witte Scholen, Allochtonen, Multi-Culturele Scholen, etc. |
|
Vooraf
In "De Volkskrant" verscheen het stuk "Allochtone basisscholen zijn
beter voor integratie" (De Volkskrant, 1991). Nu - twaalfeneenhalf jaar later - verscheen
in dezelfde krant het artikel "Islamscholen doen het beter" (De Volkskrant, 2003). Het eerste
artikel markeerde het ontstaan van de eerste Islamitische basisscholen in Nederland. Het tweede
artikel volgde op de politieke discussies, die met name eind 2003 plaats vonden - twaalfeneenhalf
jaar na de oprichting van de eerste Islamitische basisscholen. De strekking van beide artikelen
is ongeveer dezelfde: Islamitische Scholen doen het helemaal niet zo slecht als wel beweerd
wordt en dat is deels te herleiden tot het "schoolklimaat". Ze doen het zelfs beter dan verwacht,
zo ontdekken diverse onderzoekers. Met spanning kunnen daarom artikelen worden afgewacht over
dit onderwerp, die over twaalfeneenhalf jaar zullen verschijnen.
Nota Bene: De Affectieve School is een Theoretisch Concept (een zgn. Ideaal-type; een aanduiding van
Max Weber). Het heeft betrekking op homogene,
niet massale, normatieve organisaties; de "leden" delen gemeenschappelijke standpunten en
netwerken. Een groot deel van de Islamitische scholen (NIET alle dus), en van de Joodse
scholen, R.K. scholen, maar wellicht ook sommige Gymnasia, Vrije Scholen, Dalton scholen, etc.
behoren tot het theoretische "Ideaal-type" (= voldoen aan de gestelde voorwaarden en kenmerken
zich door de hieronder omschreven omstandigheden).
1. Inleiding
In 1991, 1992 en 1993 verschenen er diverse artikelen over de Affectieve School [ De Volkskrant
(1991), 23-05-1991, pag 19 / Jansen Heijtmajer, W. (1992). Tijdschrift "Samenwijs", nr. 6,
pag 272-286 ]. Centraal stonden steeds: scholen voor minderheden [ Joodse Scholen en Scholen voor
schipperskinderen (Trouw, 1990), Woonwagen-centrumscholen (Van der Ploeg et al.,
1990), Gereformeerde Scholen (Dijkstra, 1988), regionale scholen die over
zijn gegaan tot de invoering van het eigen regionale dialect (Stijnen en
Vallen, 1981), Hindoescholen (Deconinck, 1987; Teunissen, 1990), Scholingscentra voor o.a.
Marokkaanse meisjes (Aslan en Braam, 1991) en natuurlijk vooral de Islamitische Basischolen
(Teunissen, 1990; Hollum, 1992; Langelaan, 1992), etc. etc.
De affectieve school was destijds een vreemde eend in de bijt, maar heeft (een) zeker bestaansrecht,
zo blijkt inmiddels. Zij bezit een "waarde" en een daaraan ontleende innerlijke
spankracht en is dus in staat om weerbaar te (kunnen) zijn - om Van der Zwan (1992) te citeren.
In dit artikel wordt een aanzet gegeven voor de ontwikkeling van een theoretische fundament voor (het model van) "De Affectieve School" i.h.a. en voor de Islamitische Scholen in Nederland i.h.b.. Hiervoor wordt eerst veel gebruikte indelingen voor scholen en schoolorganisaties aan de orde gesteld (Par. 2), daarna volgt het theoretisch kader (Par. 3), gevolgd door een paragraaf over gedrag binnen en van organisaties (Par. 4). Aan het eind volgt dan het uiteindelijke school-model, dat typerend is voor (de meeste) Islamitische Scholen in Nederland en het bijbehorende Schoolklimaat (Par. 5).
2. Typering van scholen
Vijf Factoren Model - Sinds de onderzoeken van Coleman et al. (1966) en Jencks
et al. (1972) zijn diverse onderzoekers op zoek gegaan naar de effectieve school en naar de
factoren, die verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit.
Scheerens (1989) geeft een samenvattend overzicht weer
van de genoemde en andere in dit kader relevante onderzoeken naar effectieve
scholen. Het blijken vooral de onderstaande vijf factoren te zijn, die door
diverse onderzoekers gekoppeld worden aan het al dan niet effectief zijn van
scholen. Het zijn deze vijf factoren, die in de literatuur bekend staan als het
"vijf factoren model van schooleffectiviteit", aldus Scheerens.
Functies van Schoolorganisaties - Scholen hebben verder netals andere organisaties een aantal functies. Volgens Parsons (1951; zie ook Parsons et al., 1953) gaat het om de volgende vijf:
De Affectieve School - In het artikel "De affectieve school" (De Volkskrant, 1991; Jansen Heijtmajer, 1992) werd eveneens een aantal factoren vermeld, dat typerend is (als typerend worden gezien) voor de affectieve school, zoals:
Typering Effectieve en Affectieve School (1) -
Zowel de effectieve school (zie b.v. Scheerens, 1989) als de
affectieve school kan men typeren op basis van het werk van Parsons (1951), die
de volgende tweedelingen maakt: affectiviteit versus neutraliteit en kwaliteit
versus prestatie. De affectieve school kenmerkt zich door de affectiviteit en
kwaliteit en de effectieve school door neutraliteit en prestatie. Kijk
hier voor meer informatie.
De affectieve school is gelet op voorgaande ook een
doelgroepgerichte school, die niet gekenmerkt wordt door een 'sterk
schoolleiderschap' maar door een . Alle vijf functies van
Parsons zijn hier van toepassing. De effectieve school in het vijf factoren
model is gelet op voorgaande vooral een doelgerichte organisatie (punt 5): hoge
verwachtingen en prestatiegerichtheid, accent op basisvaardigheden, frequente
evaluatie met enige aandacht voor ordelijke (onderlinge) samenwerking (punt 4):
een ordelijk en veilig klimaat. De punten 1, 2 en 3 ontbreken in het model,
hoewel hiervoor naar de schoolleider verwezen zou kunnen worden. Een 'sterke
schoolleider' heeft echter - zeker in het openbare onderwijs - beperkte
'middelen' voor het doelbewust en gericht (normatief) binden van de
leerkrachten (punt 2). Punt 1 en 3 behoeft voor een werkelijk effectieve school
geen aandachtspunt te zijn. Dat kan het echter voor bepaalde scholen wel het
geval zijn. Zo wordt punt 1 sterk benadrukt door b.v. (veelal zwarte)
magneetscholen (Green, 1991; Van de Burgwal, 1992).
Organisatie-Indeling van Etzioni - Etzioni (1961) typeerde de verschillende 'organisaties' aan de hand van de houding van betrokkenen en de ingezette beheersingsmiddelen. Organisaties zijn te typeren als ofwel dwangorganisaties (b.v. gevangenissen), utilitaire organisaties (b.v. bedrijven) of als normatieve organisaties (b.v. de meeste scholen). In het eerste geval worden in laatste instantie fysieke machtmiddelen gebruikt om de 'leden' in het gareel te houden, waarbij de (lagere) leden er een negatieve insteling op na houden. In het tweede geval gaat het om materiele beloningen, waarbij de leden/werknemers de positie innemen van de calculerende burger/employee. Ook de 'afnemers' kenmerken zich door een 'berekende' houding. In het laatste geval gaat het om een (min of meer) spontane medewerking van de 'leden', waarbij evt. door de 'top' gebruik kan worden gemaakt van goed- of afkeurend gedrag en/of van zgn. 'statussymbolen' als beloning voor 'goed gedrag'. Er is sprake van een positieve instelling ofwel betrokkenheid bij de (lagere) leden van de organisatie. Scholen zijn dus ook a.d.h.v. het werk van Etzioni (1961) te typeren.
Typering Effectieve en Affectieve School (2) -
De affectieve school is een normatieve
(school)organisatie, waarin zowel de leerkrachten als de ouders een grote mate
van betrokkenheid ten toon spreiden en waar men beheersingsmiddelen als prijzen
en het afkeuren van ongewenst gedrag hanteert. Mortimore et al. (1988) toonden
aan dat vooral het prijzen van leerlingen resulteert in positief leergedrag en
goede prestaties.
De effectieve school wordt getypeerd door een aantal
rationele en doelgerichte handelingen waarvoor men b.v. de schoolleider
verantwoordelijk zou kunnen stellen, hoewel daarop ook het schoolteam, de
ouderraad/medezeggenschapsraad en het schoolbestuur kunnen worden aangesproken.
De effectieve school is een organisatie die (min of meer) overeenkomt met de
utilitaire organisatie. Aangenomen kan worden dat er sprake is van enige
betrokkenheid bij de leerkrachten, hoewel de prestatiegerichtheid met een
manager als schoolleider een meer berekenende houding afdwingt. Gebruikmaking
van de (betrokkenheid van de) ouders of beter van hun inzet en hulp vindt ofwel
niet plaats of als onderdeel van een berekenend concept.
Volgens Etzioni (1961) is echter zowel de utilitaire
(school)organisatie waarin de leerkrachten en leerlingen een calculerende
houding hebben als de normatieve (school)organisatie waarin de leerkrachten en
leerlingen een sterk betrokken houding innemen, succesvoller. Dergelijke
organisaties noemt hij congruent: de houding van betrokkenen is in
overeenstemming met de door de schoolleider (leiding) gebruikte
beheersingsmiddelen.
Motivatie Concept op Scholen -
De effectieve school komt - zoals reeds aangegeven - (min of meer) overeen met de utilitaire
schoolorganisatie, die bovenal prestatiegericht is. De 'motivatie om te
presteren' bij alle leerlingen staat centraal en gestructureerd onderwijs en
hoge verwachtingen worden benadrukt. Daarop is echter nogal wat af te dingen.
Atkinson (1958) stelt bijvoorbeeld dat het gedrag van
leerlingen t.a.v. leertaken zowel afhankelijk is van de 'motivatie om te
presteren' als van de 'motivatie om mislukken te vermijden'. Uit onderzoek van
Hermans (1971) blijkt, dat leerlingen verschillen in de mate waarin sprake is
van faalangst, waarbij hij een onderscheid maakt in negatieve en positieve
faalangst. De eerste categorie leerlingen komen tot
optimale studieprestaties als de leerstof op een gestructureerde wijze wordt
aangeboden, maar de tweede categorie heeft meer baat bij een situatie waarin de
leerstof op een ongestructureerde wijze wordt aangeboden. Het hebben en stellen
van (te) hoge verwachtingen is niet altijd een goede zaak is, als een deel van
de leerlingen nooit aan de hoge verwachtingen kan voldoen. Wanneer taken
moeilijk en bedreigend zijn, is er sprake van een sterke negatieve relatie
tussen faalangst en prestatie, zo stelt Hermans (1971).
De affectieve school gaat zowel uit van de 'motivatie om
te presteren' als van de 'motivatie om mislukken te vermijden'. De
verwachtingen die leerkrachten hebben zijn reeel d.w.z. zijn dusdanig dat alle
leerlingen eraan kunnen voldoen. Voorts wordt er gedifferentieerd op de
affectieve school: soms wordt de leerstof op een gestructureerde wijze
aangeboden maar soms ook niet of in mindere mate.
3. Theoretisch kader
Een theoretisch model waarin de relaties
'leerling-ouder', 'leerling-school' en 'ouder-school' centraal staan is ten
dele gebaseerd op (onderwijs)psychologische theorieen waaronder de
attachmenttheorie (Bowlby, 1973; Bowlby 1979; Bowlby, 1982; Bretherton, 1985),
economisch-politieke concepten (Hirschman, 1972) en prestatie-motivatietheorieen
(Hermans, 1971). Een nadere uitwerking van deze theorieen is hier op zijn
plaats.
Het werk van Bowlby
In Bowlby's 'attachment' concept gaat het om een 'goal
corrected control system', waarbij de inhoud van de relaties betrekking heeft
op de regulering van zekerheden, waarbij de ene geeft en de ander ontvangt
(Bretherton, 1985). Centraal staan de 'attachment figure' (b.v. de ouder) en de
'attached individual' (b.v. het kind). De gedragingen (attachment behaviors)
are believed to have the biological function of protecting the attached
individual from physical and psychological harm (Bowlby, 1973).
Indien de 'attachment figure' op verzoek van de 'attached
individual' (kind) ondersteuning en hulp biedt - vooral in moeilijke situaties -
dan ontwikkelt het kind een 'internal working model', waarin de attachment
figure wordt voorgesteld als liefdevol en het kind zichzelf ziet als een
persoon, die een dergelijke ondersteuning waard is (Bowlby, 1973).
Andersom ontwikkelt het kind, als de attachment figure het
verzoek om ondersteuning in moeilijke situaties afwijst, een 'internal working
model' waarin de attachment figure wordt voorgesteld als afwijzend en het
zichzelf gaat zien als onwaardig voor hulp en ondersteuning (Bowlby, 1973).
Op basis van de attachmenttheory kan men de conclusie
trekken, dat de mate waarin ouders en leerkrachten 'open' staan voor leerlingen
en de manier waarop zij de leerlingen benaderen nogal bepalend is en/of kan
zijn voor het zelfbeeld van de leerlingen en hun (leer)gedrag.
Dat geldt ook voor de relatie tussen leerling en
klasgenoten. Een ongunstig 'klasse-klimaat' (slechte relaties) impliceert
immers de ontwikkeling van een negatief zelfbeeld, conflicten en probleemgedrag
(verzet- of vermijdingsgedrag), terwijl een gunstig klimaat (positieve relatie)
een positief zelfbeeld oplevert en betrokken gedrag. Uit veel onderzoek blijkt
dat een lage zelfwaardering ertoe leidt dat betrokkenen de eigen prestaties
relatief negatief beoordelen (zie b.v. Ickes & Layden, 1978). Ook werd aangetoond
dat een lage zelfwaardering resulteert in minder vertrouwen in de eigen
capaciteiten (Zuckerman, 1979; Burke, 1978).
Bowlby (1982) stelt dat 'The mere knowledge that an
atachment figure is available and responsive provides a strong and pervasive
feeling of security and so encourages the person to value and continue the
relationship'. Bedoeld gedrag kan daarom aangeduid worden met de term
'continueringsgedrag'. In combinatie met het (normatieve) schooltype gaat het
hier om 'betrokken continueringsgedrag'.Binnen utilitaire organisaties staat
'berekenend continueringsgedrag' centraal. De mate waarin continueringsgedrag
en andere gedragsvormen aanwezig zijn, wordt bepaald door de mate waarin sprake
is van congruentie.
Het werk van Hirschman en van de humanistische psychologen.
Het van oorspong economisch-politieke model van Hirschman
(1972) is gebaseerd op de relatie tussen individu en groep/organisatie,
koper/afnemer en ondernemer/winkelier e.d.. Indien een individu in toenenemende
mate ontevreden is over de 'ruilrelatie' d.w.z. over het 'product' zal hij zijn
ontevredenheid uiten door ofwel naar een andere firma/groep/school over te
stappen ('exit') of door een signaal uit te zenden ('voice') naar de
groep/organisatie/ondernemer [ 'exit' staat voor (de gevolgen van) vertrek- en
vermijdingsgedrag en 'voice' voor (verbaal) verzetgedrag ].
Binnen de humanistische psychologie [ met als vertegenwoordigers o.a. G.W. Allport (1897-1967) en A.H. Maslow (1908-1970) ] is het 'zelf' een regulerende factor. Het zelfbeeld wordt bepaald door het 'zelf', zo stelt b.v. Adler. Volgens hem gaat achter menselijk gedrag een 'streven' schuil dat gericht is op het bereiken van een (meer) positieve situatie vanuit een negatieve d.w.z. vanuit een als negatief ervaren situatie. De richting van het 'streven' wordt bepaald door het 'zelfideaal' dat o.i.v. de omgeving tot stand komt.
Het signaal dat bij onvrede wordt uitgezonden bij
Hirschman is een teken van de onvrede van de klant en voor de ondernemer een
corrigerend signaal. Dat geldt ook voor de relatie tussen individu en vakbond,
politieke partij, gevangenis, maatschappij, etc. Bij een 'open' systeem zijn
beide opties mogelijk, terwijl binnen een gesloten systeem 'exit' is
uitgesloten. Ook hier is dus als in de humanistische psychologie het gedrag en
het 'streven' gericht op het bereiken van een (meer) positieve situatie.
De dwangorganisatie bij Etzioni is gesloten, de
utilitaire organisatie is open en de normatieve organisatie is half open.
Interessant zijn daarom de niet gesloten systemen en Hirschman geeft voor deze
systemen aan in welke situatie gekozen wordt voor 'voice' en wanneer voor
'exit'. Gesteld wordt dat 'voice' gebruikt wordt, als er sprake is van
'loyalty', maar ook als 'exit' (vrijwel) onmogelijk is. Alleen m.b.v. loyalty
is het te verklaren waarom de een vertrekt en de ander blijft, ook al is de
situatie onzeker en/of weinig bevredigend. Tegelijkertijd neemt men verschillen
waar tussen vergelijkbare 'niet gesloten systemen' - of dat nu groepen,
partijen, bedrijven of landen zijn - t.a.v. de mate waarin
leden/werknemers/inwoners de bedoelde opties hanteren. Zo verliest het ene
bedrijf klanten en het andere (nog) niet, terwijl beide bedrijven een product
leveren waarover de afnemers ontevreden zijn. Het continueren van een
(ruil)relatie - ook al is men ontevreden - verwijst naar een (normatieve of
morele) binding en betrokkenheid en dus naar een half open systeem. Indien er
sprake is van onvrede wordt de 'voice'-optie gehanteerd, nooit de 'exit'-optie.
Ligt het het accent op het verbreken
van een (ruil)relatie in geval van onvrede, dan verwijst dat naar een
berekenende houding en een open systeem. Binnen dwangsystemen en andere
gesloten systemen zijn diverse vormen van 'voice' en niet verbaal verzetgedrag
dominant (verzetgedrag, terugtrekgedrag en soms ook fysiek geweld).
Binnen de open utilitaire systemen is naast berekenend
continueringsgedrag 'exit' dominant. Bij de half open normatieve systemen
tenslotte is naast betrokken continueringsgedrag 'voice' dominant. Hier staat
'voice' voor verbaal verzetgedrag (mening uiten).
Toegepast op het gedrag van ouders in relatie tot basisscholen kan men de conclusie trekken dat veel 'zwarte scholen' open schoolorganisaties zijn. De 'loyalty' van blanke ouders, waarvan het kind op een zwarte school zit, is gering. Het zwarter worden van de scholen wordt immers vooral veroorzaakt door de 'exit' van de blanke ouders en leerlingen ('the white flight'). Zwarte scholen en soms ook andere reguliere scholen zijn bovendien vaak (min of meer) incongruent: de allochtone leerlingen hebben het er vaak moeilijk (Dors, 1987; Bouw en Nelissen, 1988; Luykx, 1988). Mede als gevolg hiervan zijn dan ook de loyaliteiten van de allochtone leerlingen/ouders niet altijd optimaal noch blijvend. Het streven - om met Adler te spreken - is gericht op positieverbetering hetgeen in dit geval veelal 'exit' van velen inhoudt. Naast de half open affectieve school treft men dus ook (vrijwel geheel) open schoolorganisaties aan. Denkelijk valt een deel van de effectieve scholen ook in deze categorie. Hiermee doel ik o.a. op basisscholen die weliswaar een groot deel van haar leerlingen zien doorstromen naar het VWO, maar die een relatief aanzienlijk aantal leerlingen voortijdig zien vertrekken.
De group- en community theory
De 'community theory' (Freudenburg, 1986), de
groepstheorieen en de zgn. 'human ecological theory' (Freudenburg, 1986;
Homans, 1950; Hunter, 1974; Hawley, 1950) zijn in het kader van de affectieve
school van belang. Het gaat om half open 'systemen' ('units') waarin 'loyalty'
en 'commitment' een grote rol spelen. Centraal staan de kwaliteit en kwantiteit
van interactieprocessen die bepalend zijn voor de cohesie, de sociale
organisatie en de mate waarin men in staat is gemeenschappelijke problemen op
te lossen. De cohesie en sociale organisatie maken het de 'unit' mogelijk
gemeenschappelijke waarden te realiseren, sociale controle te behouden en
gemeenschappelijke problemen op te lossen (Freudenburg, 1986). Booth et al.
(1991) stellen dat de leden van dergelijke 'units' of organisaties
gemeenschappelijk hebben: 'a set of relations in which a person gives and
receives affective support and social approval'. Sleegers spreekt in dit
verband over scholen als 'collegiale schoolorganisaties' (Trouw, 1991). Kanter
(1972) vermeld in dit kader 'commitment'. Commitment is voor hem 'a
consideration at the intersection between personal orientations, needs and
preferences of the self and the demands of the group or social other'.
Door veel psychologen maar ook door b.v. Etzioni (1968) worden vooral de individuele behoeften benadrukt, die het handelen bepalen. In dit kader zijn vooral twee van de drie door Etzioni vermelde hogere (immateriele) behoeften essentieel: de behoeften aan affectie en waardering. Het zijn anderen die hieraan (kunnen) voldoen. Bedoeld (loyaal en betrokken) gedrag is daarom zowel gericht op individuele behoeften als op anderen: ieder 'person gives and receives affective support and social approval' om Booth et al. (1991) te citeren. Als het accent echter relatief sterk wordt gelegd bij de 'personal orientations, needs and preferencies' is er sprake is van neutraliteit, berekenend gedrag en niet van 'loyalty'.
Bij Bowlby gaat het dus om de invloed van de directe
omgeving van het kind (ouders) op het zelfbeeld van het kind en diens gedrag
(vermijdingsen verzetgedrag of continueringsgedrag). Het zelfbeeld bepaalt ten
dele of en hoe gehandeld wordt. In de humanistische psychologie staat het
zelfideaal centraal, dat individuen ontwikkelen onder invloed van
interactieprocessen met anderen. De richting van gedrag wordt erdoor bepaald.
Bij Hirschman gaat het om de invloed van de directe
omgeving (groep, organisatie, samenleving) van het individu op het gedrag van
het individu (vertrek- en verzetgedrag, maar ook om continueringsgedrag). Ook
het onderscheid tussen open en minder open organisaties of groepen is hier van
belang. Bij zowel Bowlby als Hirschman staan bovendien de respons van de
'omgeving' (gezins- en groepleden, organisatiegenoten) op het gedrag van
individuen centraal. Hierbij is het voor alle betrokkenen van belang dat een
adequate respons ook daadwerkelijk plaats vindt.
In groeps- en communitytheorieen maar ook in de theorie
van Etzioni staat op anderen gericht betrokken gedrag voorop en dus
'commitment' en de niet volledig open 'groep'. Het gedrag van individuen is
gericht op persoonlijke behoeften en op anderen, waarbij sprake is van
wederzijdse activering. Elk individu is afwisselend 'giver' en 'receiver'
zonder zich 'overvraagd' te voelen door 'the demands of the group or social
other(s)'.
4. Gedrag
Op basis van de humanistische psychologie, de attachmenttheorie, het werk van Etzioni,
Hirschman e.a. is het mogelijk een typologie ofwel een
model te ontwikkelen waarin zowel 'systemen' als de houding en het gedrag van
individuen binnen de 'systemen' aan elkaar gerelateerd worden. In onderstaand overzicht
wordt dat weergegeven.
| Typering: Organisatie, Systeem, Regime | Dwang Organisatie |
Utilitaire Organisatie |
Normatieve Organisatie |
|
| 1. | Beheersingsmiddelen die worden ingezet | Dwangmiddelen | Lokmiddelen (materieël) | Lokmiddelen (statussymbolen) |
| 2. | Houding t.o.v. de organisatie bij congruentie | Attitude individu = Negatief | Attitude individu = Neutraal | Attitude individu = Positief |
| 3. | Openheid van "het systeem" | Gesloten: weinig mobiliteit van mensen en opinies | Open: mobiliteit van mensen en kapitaal | Half Open: mobiliteit van opinies en symbolen |
| 4. | Reactie organisatie: responsief gedrag nav massale exit of voice | Verhoging dwang + vermindering mobiliteit | Verhoging materiële beloning, werving van nieuwe leden | Verhoging immateriële beloningen |
| 5. | Gedrag individuen bij incongruentie ("entry" elders is een optie) | Massaal verzet (voice) en rebellie | Massale exit, geen vooraf gaande voice | Veel voice, evt. veel later gevolgd door separation |
| 6. | Gedrag individuen bij incongruentie ("entry" elders is geen optie) | Rebellie, final exit en withdrawal | Exit maar ook withdrawal | Extreem voice-gedrag, withdrawal en final exit |
| 7. | Gedrag individuen bij congruentie | Gedwongen continueringsgedrag | Calculerend continueringsgedrag en exit | Betrokken continueringsgedrag w.o. voice |
Hierbij wordt ook aangegeven welke gedragsvorm dominant
is in het geval van (in)congruentie en de aanwezigheid van alternatieven buiten
het eigen systeem. Een dergelijk overzicht is ook toepasbaar op
schoolorganisaties, waarbij vooral de (open) utilitaire en de (half open)
normatieve organisatie van belang zijn. Gedragingen waar het hier om gaan
hebben betrekking op de relatie leerling-school, leerling-ouders en
ouders-school. De meest optimale situatie wordt aangetroffen onder punt 7
(onderste rij). Deze gedragsvorm resulteert in (blijvende) satisfactie en in
(blijvend) berekend ofwel betrokken continueringsgedrag.
Onder punt 4 in het overzicht wordt weergegeven welke
vorm van respons-gedrag de (open school)organisatie kiest indien velen de
'exit'-optie hanteren. Met 'final exit' wordt gedoeld op opheffing van de
organisatie.
Bij dwangsystemen kan verwezen worden naar extra beveiligingsmaatregelen
als ontsnappingspogingen vaak voorkomen (opvangcentra voor asielzoekers,
gevangenisen, e.d.). Bij het utilitaire systeem kan gedacht worden aan
salarisverhoging in het bedrijf en aan opknapbeurten bij magneetscholen.
Bij normatieve systemen kan in dit verband gedacht worden
aan extra vergaderingen en ledenwerfacties.
Onder de punten 5, 6 en 7 wordt het gedrag van individuen
weergegeven onder verschillende condities. Onder punt 6 in het overzicht wordt
aangegeven welk gedrag van individuen verwacht wordt bij incongruentie, terwijl
er geen alternatieven buiten het eigen systeem aanwezig zijn. Met 'final exit'
wordt hier gedoeld op levensbeeindiging (zelfdoding; terminologie van Humphry,
1992). Bij dwangsystemen is denkelijk het terugtrekgedrag niet dominant. Het
komt onder gedetineerde jongeren b.v. niet vaak voor (Vos, 1992).
Onder punt 7 in het overzicht staat verzet(gedrag) voor
'voice' (niet dominant bij congruentie, maar altijd wel in geringe mate
aanwezig).
Voordat voorgaande gebruikt kan worden in combinatie met het basismodel van de affectieve
school dient eerst genoemd basismodel verduidelijkt te worden. Dat vindt in de volgende
paragraaf plaats (zie hieronder).
5. Model van de affectieve school
Op basis van de behoeftentheorie van Etzioni (1968) en
communitytheorieen wordt nu gesteld voor de affectieve school, dat de
kwantiteit maar vooral de kwaliteit van de relaties tussen de diverse groepen
bepalend is. Typerend is 'betrokken continueringsgedrag' voor de leden van de
bedoelde groepen: tussen en binnen de groepen. Het gaat bij de affectieve
school om drie groepen, om de relaties tussen deze groepen en om de relaties
binnen de groepen. De groepen zijn: 'leerlingen', 'ouders' en leerkrachten'.
Het basismodel van de affectieve school ziet er dan uit als in overzicht 2
weergegeven.
Model van de Affectieve School
|
![]() |
|
||
![]() |
![]() |
|||
|
|
|||
![]() |
![]() |
|||
|
![]() |
|
Hierbij hoort onderstaande omschrijving:
Voorgaande wordt nu gekoppeld aan een uitgebreide(er) theoretisch model, waarbij concrete gedragingen van alle betrokkenen worden weergegeven. Dit wordt gevisualiseerd in onderstaand overzicht (3).
Uitgebreid Model Affectieve School
|
(3) |
|
(10) |
|
|||
(1) |
(4) |
(8) |
(11) |
(15) |
|||
|
(5) |
|
(12) |
|
|||
(2) |
(6) |
(9) |
(13) |
(16) |
|||
|
(7) |
|
(14) |
|
Er worden hier 16 'effecten' weergegeven onder vermelding van het theoretisch concept waarop zij gebaseerd zijn. Er is echter nog een 17e - niet in het overzicht vermeld. Nummer 17 heeft betrekking op de relatie tussen de responsiviteit van de ouders aan de ene kant en de responsiviteit van de school aan de andere kant. De 'effecten' kunnen worden weergegeven a.d.h.v. de cijfers 1 t/m 17. Met deze 'effecten' (en cijfers) kan in volgorde verwezen worden naar:
De mate waarin deze 17 effecten een positieve bijdrage leveren aan het gedrag en de respons van alle betrokkenen en dus aan zowel betrokken continueringsgedrag als aan een hoge onderwijsopbrengst is bepalend voor de mate waarin sprake is van een affectieve school. In theorie is hiervan sprake als alle punten uit het overzicht een positieve bijdrage leveren aan het geheel.
Een meer specifieke invulling wordt verkregen indien voorgaande wordt vertaald naar concreet gedrag van alle betrokkenen. Aangegeven wordt HOE het een en ander plaats vindt. Hierbij wordt uitgegaan van onderstaande gedragsvormen, die voortkomen uit hetgeen vermeld werd in overzicht 1 en 3. Met de getallen 1 t/m 6 tussen haakjes geplaatst wordt verwezen naar de typering uit overzicht 2. Achter de concrete gedragingen worden de effecten uit overzicht 3 vermeld.
Niet alle effecten uit het "leerling-ouders-school"-model zijn hiermee aan de orde gesteld. Gelet op overzicht 2 kunnen aan de punten a t/m j nog de onderstaande punten worden toegevoegd. Deze toegevoegde punten hebben betrekking op zowel affectieve als niet affectieve scholen en kunnen gezien worden als aanvullend op de punten a t/m j.
Gelet op de uitgangspunten en de punten a t/m j wordt de
daadwerkelijk affectieve school gekoppeld aan de positieve variant voor wat
betreft de punten k t/m q.
De affectieve
school is dus vooral een "betrokken" school, die half open,
responsief en congruent is en blijft omdat zij gebaseerd is op het model
vermeld in overzicht 2. Zowel de leerlingen en hun ouders als leerkrachten
vertonen 'betrokken continueringsgedrag'.
Omdat de
affectieve school vrijwel de gehele leertijd kan besteden aan onderwijs en ALLE
leerlingen weet te inspireren en vast te houden, heeft de 'gemiddelde' leerling
na een bepaalde periode (b.v. na een leerjaar) meer geleerd dan een
vergelijkbare leerling op een niet (of minder) affectieve school. Op deze wijze
wordt de affectieve school geacht een "hogere" onderwijsopbrengst te
behalen dan een minder affectieve school in dezelfde periode. Aangenomen wordt
dat haar onderwijsopbrengst vergelijkbaar is en/of zelfs hoger is dan die van
de effectieve school.
Er is nu - twaalfeneenhalf jaar later - al voldoende materiaal boven tafel gekomen om voorgaande te bevestigen. Ook experts als Prof. J. Dronkers (De Volkskrant, 2003) is deze mening toegedaan en kan dat staven a.d.h.v. (o.a. zijn eigen) internationale onderzoek.
GERAADPLEEGDE LITERATUUR