Terug naar Educatiehoek

Instroomselectie vergroot ongelijke kansen
"Zwakke" leerlingen wel degelijk in staat diploma te behalen
door Wout Jansen Heijtmajer
BRON: Didaktief, 22e Jaargang, nr. 3, Maart 1992. Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs. ISSN 0169-4820

Instroomselectie in het mbo leidt tot enige verhoging van het rendement. Tegelijkertijd reduceert instroomselectie het aantal zwakke leerlingen, zodat relatief weinigen van hen in staat worden gesteld de opleiding te voltooien. Ontstaat op deze manier een systeem van ongelijke kansen? Wout Jansen Heijtmajer, verbonden aan het Centraal Bureau voor Statistiek, meent van wel. Hij analyseerde de cijfers van selectieve en niet-selectieve mbo-afdelingen. Uit die analyse blijkt dat veel zwakke leerlingen wel degelijk in staat zijn het diploma te behalen. Vaak hebben zij daarvoor echter een jaar langer nodig.

In 1991 werd de nota "Profiel van de tweede fase voortgezet onderwijs" gepresenteerd. In die nota wordt voorgesteld meer aandacht te besteden aan de determinatie en selectie van leerlingen in de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Op die manier zouden de leerlingen beter kunnen aansluiten op de tweede fase en zou de uitval in de tweede fase verminderd worden (Uitleg, 1991).

Keuze

In de Profielnota wordt gesteld, dat de introductie van bekostigingsprikkels wordt overwogen om scholen aan te zetten tot een effectief beleid bij doorstroming en tot het voorkomen van uitval en doubleren. De scholen zouden dan beloond worden naarmate meer leerlingen het diploma behalen en doorstromen naar vervolgopleidingen. Omdat aan een dergelijk systeem ook risico's zijn verbonden met betrekking tot de positie van zwakke leerlingen en handhaving van de kwaliteit - zal zo'n systeem pas worden ingevoerd als duidelijk is dat de nadelen kunnen worden weggenomen (Uitleg, 1991). In feite gaat het hier om een keuze: rendementsverhoging en kostenbesparing of het scheppen van reële kansen voor de zwakke leerlingen. Het invoeren van een beloningssysteem kan tot gevolg hebben dat scholen meer gebruik gaan maken van vormen van instroomselectie. Als dat gebeurt zal aan veel zwakke leerlingen te toegang tot de opleidingen worden ontzegd. Dat zou verdedigbaar zijn als de zwakke leerlingen de eindstreep niet (kunnen) halen. Maar is het wel zo dat een groot deel van de "zwakke" leerlingen sowieso zullen uitvallen en dus nooit het diploma zullen behalen ?

Instroomselectie

Door het hanteren van een selectief instroombeleid verwacht een aantal scholen een hoger rendement te kunnen behalen (Van der Meent, 1990, NRC-Handelsblad en De Volkskrant, 1989). De vraag naar instroomselectie wordt onder andere geuit in het lager beroepsonderwijs. De scholen klagen over het instroomniveau"; veel zwakke leerlingen zouden de eindstreep niet halen" (SOM-informatie, 1989). Instroomselectie komt kennelijk aan de orde zodra het rendement te wensen overlaat. In dit geval betreft het voornamelijk het voorkomen van uitval. Uit eerder onderzoek (Bosker e.a., 1989) blijkt, dat verwachtingen over rendements-verhogingen inderdaad uitkomen. Instroomselectie heeft effect: binnen het ene schooltype vermindert de vertraging en binnen het ander de voortijdige uitval. Er zijn ook scholen, die geen selectief instroombeleid voeren, omdat zij geen negatieve effecten op hun rendement waarnemen of verwachten, dan wel omdat zij juist de minder kansrijke leerling een kans wensen te geven. Onderzoek binnen het hoger beroepsonderwijs (Mills en Molloy, 1989) laat zien dat drempelloosheid geen invloed heeft op het uiteindelijke rendement. Als gekeken wordt naar de percentages gediplomeerden, verschilt de groep doorsnee instromers niet opvallend (significant) van de groep van zwakkere instromers. Instroomselectie is kennelijk niet aan de orde als geen negatieve gevolgen voor het rendement ontstaan. Daarnaast zijn er scholen en/of schoolsoorten bijvoorbeeld het kort middelbaar beroepsonderwijs - waar drempelloosheid centraal staat (Jansen Heijtmajer, 1988). Ook hier is geen sprake van instroomselectie. Niet het rendement van de school staat centraal, maar het bieden van kansen aan de meer kansarme leerlingen. Men houdt rekening met een eventuele langere studieduur.

Leerlingkenmerken

Welke scholen en schoolpopulaties kunnen, voor een eerlijke vergelijking, met elkaar vergeleken worden? In het kader van de evaluatie van de 22 VHBO-afdelingen in Nederland zijn in opdracht van SVO gegevens verzameld over 900 leerlingen over de periode 1986-1989. Dit bestand leent zich voor de beantwoording van de gestelde vragen: selectieve VHBO-afdelingen kunnen vergeleken worden met afdelingen die minder selectief te werk gaan. De vergelijking wordt echter bemoeilijkt doordat de schoolpopulaties nogal van elkaar verschillen en leerlingkenmerken zijn nu eenmaal mede-bepalend voor het rendement. Het gaat hierbij om factoren als sekse, leeftijd, sociaal milieu van herkomst en vooropleiding. Zo blijkt uit onderzoek bijvoorbeeld dat meisjes betere resultaten behalen (Inspectie-rapport HAVO-MBO, 1989) en minder vaak vertraging oplopen (CBS, 1982); dat eerder vertraagde leerlingen minder goede resulaten behalen dan hun jongere onvertraagde studiegenoten (CBS, 1982); dat leerlingen van hooggeschoolde ouders betere onderwijsresultaten behalen (Meijnen, 1984; Oakes, 1985; CBS, 1982); en dat in het hbo vwo-ers betere resulaten behalen dan havisten (Van Dijck et al., 1985).

Correctie

Gelet op het voorgaande werden er in de onderzoekspopulatie enige correcties toegepast. Met betrekking tot de variabelen "sekse" en "vooropleiding" werd er voor gekozen alleen lbo-meisjes in de analyses te betrekken. Het gaat hierbij om de omvangrijkste instroomgroep. Met betrekking tot "sociaal-economische status" en "vertraging" werden de instroomverdelingen per afdeling door selectie van leerlingen gelijk gemaakt (via aselecte trekking). Door deze correcties vielen twaalf VHBO-afdelingen af en konden alleen de grootste afdelingen in de analyse betrokken worden. Vervolgens werden de VHBO-afdelingen verdeeld in twee groepen. Eerst werd het instroomniveau bepaald door het gemiddelde eindcijfer te berekenen van de cijferlijsten van de vooropleiding. De leerlingen van een aantal VHBO-afdelingen hebben een gemiddelde score op de "instroomniveau" die beneden het individuele totaal-gemiddelde ligt; meer dan 57 procent van de leerlingen behaalt een dergelijke score. Deze afdelingen worden beschouwd als de niet-selectieve afdelingen. De leerlingen van de overige afdelingen hebben een gemiddelde score, die boven het individuele totaal-gemiddelde ligt. Hooguit 44.4% van de leerlingen behaalt hier een score, die onder het gemiddelde ligt. Deze afdelingen worden beschouwd als de selectieve afdelingen.

De resultaten

De instroomgroepen op de VHBO-afdelingen zijn na de correctie op de vier genoemde instroomkenmerken onderling vergelijkbaar. Het verschil zit hem in het feit, dat - zoals beoogd - op de selectieve afdelingen meer leerlingen worden aangetroffen met een relatief hoog instroomniveau. In de tabel wordt de situatie aan het eind van het onderzoek weergegeven. De twee categorieën afdelingen verschillen niet opvallend (statistisch geen significante verschillen) van elkaar. Voor zowel de selectieve als de niet-selectieve afdelingen bedraagt het percentage uitvallers ongeveer tien procent. Instroomselectie leidt met andere woorden niet tot meer voortijdige uitval. Voor het voorkomen van voortijdige uitval is instroomselectie wellicht niet het aangewezen middel. Selectie leidt wel tot een vermindering van tien procent in het percentage vertraagden en een navenante verhoging van het percentage onvertraagd gediplomeerden - hoewel de verschillen niet groot zijn (niet statistisch significant). Met selectie wordt dus wel een verkorting van de gemiddelde studieduur verwezenlijkt.

Eindresultaat na drie studiejaren % uitstromers zonder diploma % vertraagde leerlingen % uitstromers met diploma % positie onbekend Totaal
Selectieve mbo-scholen 9,4 % 26,0 % 49,0 % 15,6 % 100 %
Idem, excl. missing values (11,1 %) (30,9 %) (58,0 %) (0,0 %) 100 %
Niet-selectieve mbo-scholen 10,4 % 34,3 % 40,3 % 14,9 % 100 %
Idem, excl. missing values (12,3 %) (40,4 %) (47,4 %) (0,0 %) 100 %
SOM van de mbo-scholen 9,8 % 29,4 % 45,4 % 15,3 % 100 %
Idem, excl. missing values (11,6 %) (34,8 %) (53,6 %) (0,0 %) 100 %

N.B. Vertraagden: nog op school; Positie onbekend: op einddatum onderzoek onbekend (maar een jaar eerder nog op school) [ Chi-kwadraat= 1.614, df = 2, sign.-niveau = .4463, n = 138 (verdeling); T-waarde = -.79, df = 136, de zgn. 2-tail probability = .434 (gemiddelden) ].

Conclusies

Op de niet-selectieve afdelingen stromen veel meer zwakke leerlingen in dan op de selectieve afdelingen. Hierdoor verlaten op de niet-selectieve afdelingen uiteindelijk meer leerlingen met een laag instroomniveau de opleiding met een diploma. Op de selectieve afdelingen wordt geen opvallend (statistisch niet significant) hoger rendement behaald (gemeten als het bereikte niveau na drie jaar). Dit komt overeen met eerdere bevindingen in het hoger beroepsonderwijs (Mills en Molloy, 1989). Hoewel de verschillen niet groot (statistisch niet significant) zijn, leidt selectie tot minder Vertraging ofwel tot een verkorting van de gemiddelde studieduur. [ dat komt overeen met de bevindingen van Bosker et al., 1989 ]. Het uiteindelijke rendement in de betekenis van het percentage gediplomeerden berekend op de instroom kan in selectieve en niet-selectieve vhbo-afdelingen hoog worden. Met de beschikbare gegevens is dat echter niet uit te maken, omdat gegevens over de positie van de leerlingen na vier jaar ontbreken. Het rendement in de betekenis van het percentage gediplomeerden met een laag instroomniveau berekend op de totale instroom ligt op de niet-selectieve afdelingen hoger. Introductie van bekostigingsprikkels zoals voorgesteld in de Profielnota leidt waarschijnlijk tot strengere instroomselectie. De niet-selectieve afdelingen in het VHBO behalen geen opvallend lager rendement. Zij geven wel meer "zwakke" leerlingen een kans, zodat uiteindelijk meer zwakke leerlingen het diploma halen.

GEBRUIKTE LITERATUUR