Terug naar Vakkenhoek: Nederlands
Home Page: www.wjsn.nl


GEDICHTEN, Guido Gezelle
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen

GEDICHTEN, Guido Gezelle

We geven een samenvatting van de bloemlezing met bovenstaande titel, die verscheen als Prisma-pocket 57 (Utrecht-Antwerpen, z.j., tweede druk). De bloemlezing is samengesteld door E.J.M. Laudy-Arnolds; ze liet er een korte inleiding aan vooraf gaan, getiteld "Leven en Werk van Guido Gezelle". Uit de volgende dichtbundels van Gezelle is o.a. werk opgenomen: Dichtoefeningen (1858), Kerkhofblommen (1858), Gedichten, Gezangen en Gebeden (1862), Liederen, Eerdichten et Reliqua (1880), Tijdkrans (1893), Rijmsnoer om en om het jaar (1897) en Laatste Verzen (1902). Verder is afgedrukt het grote verhalende gedicht The Song of Hiawadha, een vertaling van het gelijknamige werk van de Amerikaanse dichter Longfellow, die het heeft bewerkt naar het Finse epos Kalevala. Dit heldendicht is in de vorige eeuw samengesteld door de Fin Lönnrot uit oude volksliederen. Hiawadha is de "vooruitgebeelde Messias" der Indianen, een voorloper van Christus. Hij tracht beschaving en tijdelijke voorspoed voor zijn volk te bereiken. Als de "zwartgefrokte Witman" komt om het Evangelie te verkondigen, ziet Hiawadha zich genoodzaakt te vertrekken, nadat hij de "Witman" vriendelijk heeft verwelkomd.

"En de zwartfrok zei terugwaards
deze woorden, maar hij dubde,
nu en dan onvaste in 't spreken:
"Vrede zij u, Hiawadha,
dat uwen volke, dat u zelven
vrede zij, van Christi wegen,
vreugd, van Onzer Lieven Vrouwen !"
En de goelijksche Hiawadha
gaf den vreemdeling, in zijn wigwam,
bijzondsvel om op te rusten,
hermelijn en doezig grauwwerk." (blz. 161)

Uit Dichtoefeningen zijn o.a. opgenomen "Het Schrijverke" en "0 ! 't Ruischen van het ranke riet". In het eerste gedicht vraagt de dichter het schrijverke, wat hij op het water schrijft. Het diertje antwoordt, dat hij schrijft wat zijn Schepper hem heeft geleerd:

"Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heilgen Name van God l"

In "t ruischen van het ranke riet" hoort de dichter een droevig lied, het lied van zijn eigen bedroefde ziel. Het gedicht eindigt met een bede tot God:

"o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van eenen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik ! arme, kranke, klagend riet !"

Uit deze gedichten leren we Gezelle kennen als: a. schrijver van natuurgedichten; b. religieus dichter; c. oorspronkelijk taalkunstenaar.

a. De natuurlyriek van Gezelle is in onze literatuur zonder weerga. De dichter heeft zich herhaaldelijk laten inspireren door dieren (zie "De Kobbe", "De Slekke", "De Puid", resp. op blz. 120, 122, 123), planten, landschappen. Zijn houding tegenover de natuur wordt treffend uitgedrukt in het volgende "kleengedichtje" op blz. 111:

"Mij spreekt de blomme een tale,
mij is het kruid beleefd,
mij groet het altemale,
dat God geschapen heeft !"

Bewondering voor de natuur als schepping Gods, dat is het wat Gezelle steeds weer tot dichten inspireert.
b. In zijn religieuze gedichten benadrukt Gezelle vooral zijn nietigheid en geringheid (zie "0 ! 't Ruischen van het ranke riet") en wijst hij erop, dat de Christen het lijden moet kunnen aanvaarden. Zie het volgende "kleengedichtje" op blz. 111:

"Die 't Kruis niet en draagt
en is 't Kruise nie' weerd,
noch Christen en is
zijn naam !"

Soms ook zien we in Gezelles religieuze gedichten de blijmoedige christen. Deze wisselende stemmingen zijn typerend voor zijn romantisch dichterschap.
c. In de 19de eeuw wordt in Vlaanderen het Nederlands steeds verder teruggedrongen door het Frans, vooral in de hogere kringen. De Vlaamse Beweging tracht deze toenemende verfransing tot staan te brengen. Ook Gezelle stelt zich op het standpunt, dat het Vlaams geenszins onderdoet voor het Frans en zijn poëzie levert het bewijs, dat zelfs de meest subtiele gevoelsschakeringen op schone wijze in het Vlaams kunnen worden uitgedrukt. In dezen stelt de dichter zich op particularistisch standpunt, wat hem in conflict brengt met de hogere geestelijkheid, die nogal fransgezind was. Fel uit hij zich in het volgende gedichtje (blz. 109):

"Gij zegt dat 't vlaamsch te niet zal gaan:
't en zal !
dat 't waalsch gezwets zal boven slaan
't en zal !
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
't en zal, 't en zal,
't en zal !

De taal die Gezelle hanteert is geen zuiver Vlaams dialect en ook geen A.B.N.; hij heeft zelf zijn dichtertaal moeten vormen, waarbij hij - met kritische zin - heeft geput uit het rijke arsenaal der Vlaamse dialecten. Gezelles taal is echter - en hier zien we dat een groot taalkunstenaar aan het werk is geweest - uitermate fris, oorspronkelijk, beeldend.
Kerkhofblommen, een bundel waarin proza en poëzie elkaar afwisselen, is ontstaan naar aanleiding van het overlijden van Gezelles 18-jarige leerling Eduard van den Bussche.
De begrafenis, waaraan de dichter met zijn leerlingen deelnam, heeft hem geïnspireerd tot het schrijven van dit "poëtisch-pedagogisch manifest" (zie W.J.M.A. Asselbergs, Guido Gezelle's Kerkhofblommen, 1858-1958, A'dam, 1958).
Gezelle legde zich vaak toe op taal-experimenten. Paul Rodenko laat zijn bloemlezing Nieuwe griffels, schone leien (een bloemlezing uit de poëzie der avant-garde) dan ook beginnen met enkele gedichten van Gezelle, o.a. "'t Er viel 'ne keer" (blz. 299), "Bonte abeelen" (blz. 247), "Hoort" (blz. 88).