Terug naar: Educatiehoek
Terug naar: GIVON

BRON: CBS, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken 1996-III

Schoolloopbanen in de vier grote steden ongunstiger
Drs. L.J. Herweijer

Dit artikel is een bijdrage van een medewerker van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). De gegevens zijn afkomstig van het CBS en werden bewerkt door het SCP. De verantwoordelijkheid voor zowel de onderzoeksresultaten als de getrokken conclusies berust bij het SCP.

In de vier grote steden zijn de schoolloopbanen van leerlingen ongunstiger dan in de rest van ons land. Aan het einde van de basisschool hebben de kinderen in de vier grote steden een lager prestatieniveau. Toch gaan ze niet vaker naar een lagere vorm van voortgezet onderwijs. In de loop der jaren raken zij echter wel achterop. Na zes jaar voortgezet onderwijs is het bereikt niveau in de vier grote steden aanzienlijk lager dan in de rest van het land. Ook de schooluitval is in de vier grote steden veel hoger dan elders.

Het grote stedenbeleid is een van de speerpunten van het huidige kabinetsbeleid. Doel van dit beleid is het herstellen van de vitaliteit van de grote steden door het nemen van maatregelen gericht op de arbeidsmarkt, het onderwijs, de veiligheid en de leefbaarheid. Doelstellingen op onderwijsterrein zijn onder andere een verbetering van de leerresultaten in het basisonderwijs, een stabilisering van de verwijzing naar het speciaal onderwijs en een verhoging van het rendement in het voortgezet onderwijs. De veronderstelling hierbij is dat de schoolloopbanen van kinderen in de grote steden minder gunstig verlopen dan elders in het land.

Het is bekend dat gezinskenmerken zoals het opleidings- en beroepsniveau van de ouders en de etnische achtergrond van invloed zijn op het schoolsucces van kinderen (Dronkers en de Graaf 1995, Tesser 1993). Als de samenstelling van de grootstedelijke bevolking naar deze kenmerken afwijkt van de rest van Nederland zal dit gevolgen hebben voor de onderwijsresultaten in de vier grote steden. Daarom worden in dit artikel eerst de gezinskenmerken van de leerlingen in de vier grote steden vergeleken met die van de kinderen in de rest van het land. Pas daarna worden ingegaan op de verschillen in schoolloopbaan.

Gezinskenmerken zijn anders

De bevolking van de vier grote steden wijkt in verschillende opzichten af van de bevolking van de rest van het land. Opvallende verschillen zijn het hoge percentage leerlingen van allochtone herkomst en het aantal leerlingen dat opgroeit in een éénoudergezin (tabel 1). Verder zijn in de vier grote steden het sociaal mileu van het huishouden en de opleiding van de vaders en moeders gemiddeld lager 1).

Het gemiddeld lagere sociale milieu wordt veroorzookt door het grote aantal kinderen (één op de drie) dat op groeit in een gezin zonder inkomsten uit arbeid. Het lage opleidingsniveau van de vaders en moeders is het gevolg van het grote aantal ouders dat niet meer dan basisonderwijs heeft voltooid (in de vier grote steden 40 procent, landelijk 24 procent). Het percentage universitair geschoolde ouders daarentegen is in de grote steden iets hoger dan in de rest van het land. De opleidingsverdeling in de vier grote steden is dus meer gepolariseerd dan elders.

Tabel 1
Enkele kenmerken van de gezinnen waarin de leerlingen van het voortgezet onderwijs opgroeien, naar gemeentegrootte, 1993


--------------------------------------------------------------------------------
                                            Vier     Ov. gem.  Gemeenten  Totaal
                                            Grote    >100 000  <100 000 
                                            steden   inwoners  inwoners
--------------------------------------------------------------------------------
Opleidingsniveau vader (2=laag 6=hoog)        3,4       3,8       3,7       3,7
Opleidingsniveau moeder (2=laag 6=hoog)       3,1       3,4       3,4       3,4
Sociaal milieu huishouden (1=laag 7=hoog)     3,3       4,0       4,0       3,9

                                              %
                                              ----------------------------------
Percentage leerlingen in eenoudergezinnen     26,3     14,5       8,9      10,5
Percentage allochtone leerlingen              34,0      9,6       4,1       6,4
--------------------------------------------------------------------------------
Bron: CBS (VOCL'93) SCP bewerking.

Lagere prestaties door afwijkende gezinskenmerken

Kort na het verlaten van de basisschool werd het prestatieniveau van 20 duizend leerlingen onderzocht. Hiervoor werd een toets gebruikt van het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling. Door het tijdstip van afname kan deze toets worden beschouwd als een indicatie voor het prestatieniveau aan het einde van de basisschool. Getoetst werden de onderdelen: rekenen, taal en informatieverwerking. Aan de hand van deze drie onderdelen is een totaalscore berekend.

Het blijkt dat leerlingen in de vier grote steden op alle toetsonderdelen slechter scoren dan de leerlingen elders in het land. De totaalscore in de vier grote steden blijft bijna 6 punten achter op het landelijk gemiddelde van 35 (tabel 2). Dit is een afwijking van -15 procent. Bij het onderdeel taal is het verschil wat kleiner (-12%) en bij rekenen juist wat groter (-17%).

Gezien de afwijkende samenstelling van de leerlingenpopulatie, is het gemiddeld lagere prestatieniveau in de vier grote steden geen verrassing. Maar is er tevens nog een zelfstandig negatief effect van het wonen in de vier grote steden op de prestaties aan het einde van het basisonderwijs? Nadere analyse wijst uit dat dit niet het geval is 2). De lagere prestaties in de vier grote steden zijn volledig te herleiden tot de afwijkende bevolkingssamenstelling; meer éénoudergezinnen, meer allochtone leerlingen, lager opleidingsniveau ouders en een gemiddeld lager sociaal milieu.

Schooladvies en schoolkeuze meestal hoger

Bij de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs spelen het prestatieniveau van de leerlingen en het schooladvies dat wordt afgegeven door de basisschool een grote rol. De keuze van het vervolgonderwijs wordt er in belangrijke mate door bepaald. Het blijkt dat de relatie tussen het prestatieniveau, het schooladvies en de schoolkeuze in de vier grote steden afwijkt van daarbuiten 3).

Tabel 2
Prestatieniveau einde basisschool naar gemeentegrootte, 1993


----------------------------------------------------------------------
                                       Taal    Rekenen   Infor- Totaal
                                                         matie   score
----------------------------------------------------------------------
Vier grote steden                      10,4      9,4     10,2     29,9
Overige gemeenten > 100 000 inwoners   12,2     11,7     12,3     36,2
Gemeenten < 100 000 inwoners           11,9     11,4     12,1     35,5
TOTAAL                                 11,8     11,3     12,0     35,2
----------------------------------------------------------------------
Bron: CBS (VOCL '93) SCP bewerking.

Bij gelijk prestatieniveau wordt in de vier grote steden gemiddeld een hoger vervolgonderwijs geadviseerd én gekozen dan in overige gemeenten 4). Het advies aan leerlingen met een laag prestatieniveau vormt hierop een uitzondering. Het verschil in schoolkeuze tussen de vier grote steden en gemeenten met minder dan 100 duizend inwoners varieert van een derde tot bijna de helft van de afstand tussen twee opeenvolgende schoolsoorten. Wordt bijvoorbeeld bij een gegeven prestatieniveau in kleinere gemeenten gemiddeld voor mavo gekozen, dan ligt in de vier grote steden het gemiddelde van de schoolkeuze halverwege mavo en havo. Bij de schooladvisering zijn de verschillen tussen de vier grote steden en de rest van het land iets kleiner.

Uitval driemaal zo hoog

Ondanks het gemiddeld lagere prestatieniveau aan het einde van het basisonderwijs wijkt de schoolkeuze van de leerlingen in de vier grote steden niet al te zeer af van de schoolkeuze in de rest van Nederland (tabel 3). Aan de ene kant wordt er in de vier grote steden iets meer gekozen voor een opleiding in het (i)vbo, aan de andere kant wordt er ook meer voor een vwo-opleiding gekozen. Vertaald naar Givon-scores 5) blijkt de gemiddelde schoolkeuze in de vier grote steden niet af te wijken van het landelijk gemiddelde.

Tabel 3
Schoolkeuze naar gemeentegrootte (in procenten) en gemiddelde Givon-score, 1993


------------------------------------------------------------
                   Vier       Ov. Gem.    Gemeenten   Totaal
                   Grote      >100 000    <100 000 
                   Steden     inwoners    inwoners

(i)vbo              27,5        20,9        23,5        23,5
Mavo                 4,2        11,4        15,7        14,4
Brede brugklas      46,7        40,0        40,0        40,5
Havo-vwo            15,9        23,5        18,3        18,7
Vwo                  5,6         4,3         2,5         2,9

TOTAAL             100,0       100,0       100,0       100,0

Gem. Givon-score    35,4        35,5        35,4        35,4
------------------------------------------------------------
Bron: CBS (VOCL '93) SCP-bewerking.

De gegevens in tabel 3 hebben betrekking op leerlingen die in 1993 zijn gestart in het voortgezet onderwijs. Van het verdere verloop van de schoolloopbaan van deze groep is nog weinig bekend. Van de generatie die in 1989 in het voortgezet onderwijs begon is meer bekend. Van deze groep zijn inmiddels gegevens beschikbaar tot en met het zesde jaar van de schoolloopbaan in het voorgezet onderwijs. In figuur 3 is het verloop van de schoolloopbaan in deze periode weergegeven. Afgebeeld is het bereikt niveau in de opeenvolgende jaren uitgedrukt in Givon-scores.

Schoolloopbaan naar gemeentegrootte

Het blijkt dat leerlingen in de vier grote steden geleidelijk aan op achterstand raken bij leerlingen elders in het land. Na zes jaar bedraagt de achterstand van leerlingen in de vier grote steden op leerlingen in gemeenten met minder dan 100 duizend inwoners bijna zes punten op de Givonschaal. Dit komt overeen met bijvoorbeeld een jaar mavo of driekwart jaar havo.

Schooluitval na zes jaar voortgezet onderwijs naar gemeentegrootte

Een specifiek aspect van de schoolloopbaan is uitval. Na zes jaar heeft landelijk gezien 6,5 procent van de leerlingen die in 1989 in het voortgezet onderwijs zijn gestart het onderwijs verlaten zonder enig diploma. De uitval is het hoogst in het vbo en het laagst in het havo/vwo. In de vier grote steden is de uitval met 18 procent bijna driemaal zo hoog als in gemeenten met minder dan 100 duizend inwoners. Leerlingen in de overige gemeenten met meer dan 100 duizend inwoners nemen een tussenpositie in. De verschillen in uitval doen zich bij alle schoolsoorten voor.

Nadere analyse in het voortgezet onderwijs laat zien dat het ongunstige verloop van de schoolloopbaan in de vier grote steden ten dele te herleiden is tot de samenstelling van de bevolking in die steden. Daarnaast is er sprake van een zelfstandig negatief effect van het wonen in de vier grote steden op het bereikt niveau na zes jaar voortgezet onderwijs 6).

Technische toelichting

De gegevens in dit artikel zijn afkomstig uit het onderzoek Schoolloopbaan en herkomst van leerlingen bij het voortgezet onderwijs (VOCL), edities 1989 en 1993.

Het VOCL is een steekproefonderzoek onder leerlingen die in respectievelijk schooljaar 1989/'90 en 1993/'94 in het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs zaten. In beide edities zijn gegevens van ongeveer 20 duizend leerlingen verzameld. Door middel van jaarlijkse peilingen worden de leerlingen gevolgd in hun verdere loopbaan in het onderwijs. Bij de eerste peiling is de leerlingen een door het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling ontworpen toets afgenomen om het prestatieniveau vast te stellen en zijn via vragenlijsten achtergrondgegevens van de leerlingen verzameld. Verder is via de scholen informatie verkregen over het schooladvies dat door de basisschool werd afgeven.

In dit artikel zijn alleen gegevens gebruikt van leerlingen die in 1989/'90 respectievelijk 1993/'94 voor het eerst in het voortgezet onderwijs zaten. De gegevens hebben betrekking op de peildatum september 1994. Naast de vier grote steden worden onderscheiden de overige gemeenten met minstens 100 duizend inwoners en de gemeenten kleiner dan 100 duizend inwoners. Er is geen vergelijking gemaakt tussen de vier grote steden onderling. De aantallen respondenten in de afzonderlijke grote steden zijn niet toereikend voor het doen van uitspraken met voldoende statistische betrouwbaarheid. Bij de vergelijkingen is uitgegaan van de woonplaats van de leerling. Deze valt niet in alle gevallen samen met de vestigingsplaats van de school. Voor de operationalisering van het niveau in het onderwijs werd gebruik gemaakt van de getrapte indeling voor voltooid onderwijsniveau; de Givon (Jansen Heijtmajer, 1992).

Bij aanvang van het voortgezet onderwijs bedraagt de Givon-score 32 punten. Afhankelijk van het soort onderwijs en van de vorderingen van de leerlingen neemt de score toe. Het voltooien van een leerjaar in het vbo levert 5 punten op, in het mavo 6 punten, in het havo en mbo 8 punten en in het vwo 10 punten.

Een nog niet afgesloten leerjaar is met de helft van de daarbij horende score gewaardeerd. Een leerling die zich in bijvoorbeeld havo-5 bevindt, heeft een score van 32 + (4 x 8) + 4 = 68 punten. Bij de toedeling van Givon-scores aan leerlingen in de brugperiode van een scholengemeenschap is de gemiddelde waarde van de aanwezige schoolsoorten toegekend.

Ook het niveau van het schooladvies en de eerste schoolkeuze zijn vertaald in de Givon-scores. Het schooladvies en de schoolkeuze zijn daarbij gelijkgesteld aan een nog niet voltooid eerste leerjaar.

Begrippen

Allochtoon

Beide ouders zijn buiten Nederland geboren.

Opleidingsniveau

Onderscheiden worden:

De getallen die worden genoemd bij de categorieën zijn gehanteerd bij het berekenen van gemiddelden en van correlaties.

Sociaal milieu huishouden

Bepaald aan de hand van de werkzaamheden van de ouders. Daarbij wordt uitgegaan van de hoogste categorie die binnen het huishouden voorkomt. De volgende categorieën worden onderscheiden:

In schoolloopbaan-onderzoeken is het gebruikelijk om deze indeling als een ordening van laag naar hoog te beschouwen (ordinale ordening). Dit is niet geheel juist. De ordening is strict genomen niet ordinaal. Desondanks zijn de getallen zoals genoemd bij de indeling gebruikt voor het berekenen van gemiddelden en correlaties.

Literatuur

Dronkers en de Graaf (1995)

Dronkers, J. en P.M. de Graaf. Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: J. Dronkers en W. Ultee (red.) Verschuivende ongelijkheid in Nederland: sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, 1995 (46-66).

Jansen Heijtmajer (1992)

Jansen Heijtmajer,W. De Givon, de getrapte indeling naar voltooid onderwijsniveau. In: Tijdschrift voor onderwijsresearch 17 (1992) 4 (217-237).

SCP (1996)

Sociaal en Cultureel Planbureau. Sociaal en Cultureel Rapport 1996. Rijswijk/Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Vuga, 1996.

Tesser (1993)

Tesser, P.T.M. Rapportage minderheden 1993. Rijswijk/Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Vuga, 1993.

Noten de tekst

  1. De cijfers voor sociaal milieu van het huishouden en opleidingsniveau zijn het gemiddelde van de verdelingen van deze variabelen. Voor meetwijze en berekening zie technische toelichting.
  2. Zie het Sociaal en Cultureel Rapport 1996, hoofdstuk 7, paragraaf 5.
  3. Het niveau in het onderwijs en het niveau van schooladvies en de schoolkeuze zijn vertaald in een Givon-score (zie verder technische toelichting). Prestatieniveau werd ingedeeld in vijf niveaus (20%-groepen).
  4. Dit beeld wordt bevestigd door statistische toetsing. De veronderstelling dat de relatie tussen het prestatieniveau, schooladvies en schoolkeuze in de vier grote steden en daarbuiten identiek zijn, moest worden verworpen. Voor details van deze toetsing word verwezen naar de bijlage van hoofdstuk 7 van het Sociaal en Cultureel Rapport 1996.
  5. Zie noot 3.
  6. Zie Sociaal en Cultureel Rapport 1996 hoofdstuk paragraaf 5 en de bijlage van hoofdstuk 7.

 


Terug naar: Educatiehoek
Terug naar: GIVON