|
Terug naar Vakkenhoek: Nederlands Home Page: www.wjsn.nl |
|
GIJSBRECHT VAN AEMSTEL, d'onderganck van zijne stadt en zijn ballingschap
Joost van den Vondel
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
Ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Amsterdamse schouwburg werd het treurspel
Gijsbrecht van Aemstel geschreven.
Het eerste bedrijf begint met een lange monoloog, waarin Gijsbrecht vertelt dat de stad
Amsterdam een heel jaar door Kennemers en Waterlanders is belegerd. Het doel van de
belegering was wraak te nemen op Gijsbrecht, die ook schuldig was aan de moord op Floris V:
in 1304 vindt de belegering plaats. Plotseling echter is de vijand in paniek gevlucht, broer
Arent achtervolgt ze. Gijsbrecht zet uiteen dat hij weinig schuld heeft aan de moord op
Floris. Door Velzen en Woerden is bij omgepraat, immers hoe heeft hij de graaf niet altijd
trouw gediend. In feite treft Floris zelf schuld: hij heeft nicht Machteld van Velzen
schandelijk behandeld, hij heeft de adel vele rechten ontnomen. Maar de meeste schuld treft
Haarlem, dat afgunstig is op Amsterdam, en nu probeert voordeel te halen uit de wraakzucht.
Gelukkig hebben wij het beleg kunnen keren, al is broer Ot daarbij gestorven.
Willebord, de vader van 't kartuizerklooster, onderbreekt hem in zijn uiteenzetting.
Deze verhaalt aan Gijsbrecht, hoe de beide aanvoerders, Willem van Egmond en Diederick van
Haarlem, onderling ruzie hebben gemaakt. Willebord verzuimt niet te vertellen hoe groot zijn
rol is geweest in het bijleggen van het geschil; ja, dat door zijn toedoen de vijand is gevlucht.
Hij werkt aldus onopzettelijk mee aan het slagen van de list: als de spion Vosmeer zijn listig
verhaal heeft gedaan, kan Gijsbrecht niet anders doen dan concluderen : "Ick hoor de Goyer doet
de waerheit niet te kort, / want zijn vertelling stemt met vader Willebord."
Vosmeer weet Gijsbrecht daardoor volkomen te misleiden: het Zeepaert wordt door de Amsterdamse
burgerij zelf binnengehaald. Onder het rijshout zit het puikje van de soldaten verzameld in de
buik van het schip. In de nacht zullen zij de wachters overmeesteren, de vijand zal inmiddels
zijn teruggekeerd en de stad kunnen innemen. Het eerste bedrijf eindigt met de Rey van
Amsterdamsche maeghden: God heeft Amsterdam beschermd; het is dubbel feest, want de kerstnacht
is inmiddels aangebroken. Het volk gaat ter kerke.
Het tweede bedrijf begint in het kamp van de vijand. Willem van Egmond licht zijn hoplieden
in: Vosmeer heeft zijn taak volbracht. In de nacht zullen de allerbeste soldaten het
pionierswerk doen; als Vosmeer het schip in brand steekt, kan de grote aanval beginnen.
De voorhoede zal voorlopig zijn intrek nemen in het kartuizerklooster: Diederick zal zich
hiermee belasten. Vader Willebord, door de portier gewekt, tracht aanvankelijk te protesteren,
maar zijn moed zakt weg, zodra Diederick het dreigement gestand wil doen het klooster in brand
te steken.
Ondertussen hebben Egmond en Vosmeer een laatste bespreking bij de wallen. Alles is voor
elkaar, er kan niets mislukken. Vosmeer zwemt de gracht weer over, Egmond gaat naar zijn
troepen. De Rey van Edelingen besluit dit bedrijf : men is zich van het dreigende gevaar
niets bewust. In de kerken vieren de mensen het kerstfeest.
Het derde bedrijf voert ons naar het kasteel van Gijsbrecht. Badeloch, zijn vrouw, ontwaakt
uit een benauwde droom: de geest van nicht Machteld is aan haar verschenen. Deze heeft
Badeloch met klem aangeraden te vluchten: het is met Amsterdam gedaan. Gijsbrecht gelooft haar
niet, maar geen moment later komt Broer Peter binnengestormd met de noodlottige tijding dat de
stad door list is overvallen. Het is allemaal het werk van Vosmeer: "De Kersnacht heeft
gedient tot dit verraeders werck." Gijsbrecht kan van de Schreierstoren af het krijgsgeweld
waarnemen. Met zijn bondgenoten trekt hij vervolgens de stad in om de vijand te bestrijden.
De Rey van Klaerissen zingt over de tegenstelling tussen licht en duisternis in de kerstnacht.
De kindermoord te Bethlehem geeft het beeld van de diepste droefenis, maar het uiteindelijke
lot ligt in Gods hand.
Het vierde bedrijf opent met de aansporing van bisschop Gozewijn aan de Klaerissen: de
nonnetjes moeten vluchten voor het te laat is.
Klaeris van Velzen, de moeder van het klooster, verklaart echter dat de nonnen niet willen
vluchten. Dan kleedt Gozewijn zich in zijn bisschoppelijk gewaad: zo zal hij de vijand
afwachten. Met de nonnen zingt hij de lofzang van de oude Simeon: het lied dat de
doodsbereidheid vertolkt. Midden in de zang komt Gijsbrecht binnenstormen. Hij wenst zijn
oom te redden van de ondergang, maar Gozewijn, noch de nonnen geven gehoor aan zijn verzoek
om te vluchten.
Dan vertrekt Gijsbrecht om de vijand opnieuw te bestrijden, die al bij de kloosterpoort is
aangekomen.
Op het kasteel wacht Badeloch vol ongeduld op de terugkomst van haar man. Arent komt echter
alleen, hij weet niet waar Gijsbrecht is. In de stad heerst grote verwarring, de strijd is
hopeloos. Uitvoerig vertelt hij aan Badeloch welke misdaden door de vijand worden
begaan : "de Kersnacht lagh in stucken."
Badeloch kan niet meer geloven, dat haar man nog leeft. Arent probeert haar te troosten, maar
tevergeefs : "Ick reken U al doot."
Rey van Edelingen (Burghzaten) bezingt de huwelijkstrouw: de liefde is sterker dan de dood.
Als de rei uit is, klinkt er gerucht aan de poort : het is Gijsbrecht die thuis komt.
In het begin van het vijfde bedrijf vertelt Gijsbrecht zijn belevenissen: het stadhuis is in
handen van de vijand gevallen. Bisschop Gozewijn en de nonnen verwachten de vijand. Er valt
niets te redden: de stad is verloren. Alles moet in gereedheid worden gebracht om het kasteel
te verdedigen. Dan volgt het verhaal van de bode die getuige is geweest van de moord op
Gozewijn en de Klaerissen. (De bode heeft de wapenrusting van de gestorven vijand Van Borsselen
aangetrokken.)
Gozewijn is gedood door Haamstede, de bastaard-zoon van Floris. Ook Klaerisse is zijn
slachtoffer geworden, zij - een dochter van Van Velzen - is door Haamstede schandelijk
vernederd, voordat hij haar heeft gedood.
Overal sticht de vijand brand: vooral de kerken en de kloosters moeten het ontgelden.
De vijand is inmiddels de burcht genaderd. Fel wordt het slot verdedigd. Dan wordt Arent
binnengebracht, zwaar gewond; hij sterft in het harnas.
De vijand eist de overgave. Gijsbrecht weigert en zendt de Heer van Vooren, de onderhandelaar
van Egmond, onverrichterzake terug.
Het laatste tafereel geeft de aangrijpende dialoog tussen Gijsbrecht en Badeloch. Zij wil haar
man niet achterlaten. Gijsbrecht eist van haar dat ze vlucht met de twee kinderen, Adelgund en
Veenerick. Ook Broer Peter tracht haar te overreden. Als Gijsbrecht de vijand buiten wil
ontmoeten, geeft zij toe. Zij heeft nog één wens: Broer Peter moet in gebed voorgaan.
Het antwoord is de verschijning van aartsengel Rafaël. Hij beveelt Gijsbrecht te vluchten.
De wil van God heeft Gijsbrecht te aanvaarden: zij begeven zich scheep onder bescherming van
de engel. Rafaël voorspelt tenslotte dat Amsterdam zal herrijzen met groter glans (drie
honderd jaar later zal dit een feit zijn).
Allen gaan aan boord: de ballingschap van Gijsbrecht vangt aan met het slotwoord:
"Vaer wel, mijn Aemsterlant: verwacht een' andren heer."
Opmerking:
Tekstuitgave van Terwey-de Vooys in de serie Van Alle Tijden, Groningen, J. B. Wolters, 1955.
Ook verschenen in Malmbergs Nederlandse Schoolbibliotheek, geannoteerd door dr. J. J. Mak.
Vragen: