Terug naar: Geschiedenis
Home: www.wjsn.nl
Geschiedenis van Europa
© 2005 - W alt's J ungle S tudio, N ederland - - > Mail: W J S N

Wat moet je als Nederlander weten van de wereldgeschiedenis? Nog altijd vooral het verleden van Europa en zijn vroegere overzeese bezittingen. De canon volgens H.L. Wesseling, emeritus hoogleraar hedendaagse geschiedenis.
BRON: NRC Handelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, 28-5-2005. Een Europese geschiedenis van de wereld


VROEGE TIJDEN

1. Van sommigen moeten wij de wereldgeschiedenis laten beginnen met de 'big bang'. Die knal zou volgens de rekkelijken 11 Š 15 miljard en volgens de preciezen 13,7 miljard jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dat is hoe dan ook erg lang geleden. Leven op onze planeet ontstond pas veel later, 3 Š 4 miljard jaar geleden, in de vorm van de 'oersoep'. Ook die soep wordt door historici niet zo heet gegeten als zij door de natuurkundigen wordt opgediend en wij laten haar hier dan ook verder buiten beschouwing.
Geschiedenis is mensenwerk en wij beginnen dus met de mens. Dat klinkt eenvoudig, maar is het niet, want wanneer werd de mens mens? Vůůr de mens waren er de primaten. Deze zouden 5,6 of 7 miljoen jaar geleden uiteen zijn gevallen in twee groepen: de voorlopers van de mens en van de mensaap. De eersten gingen op twee benen lopen: het begin van de homo erectus. Dat was ongeveer twee miljoen jaar geleden. Beduidend later, ongeveer 400.000 jaar geleden, kwam de homo sapiens. En nog weer later, ongeveer 250.000 jaar geleden, ontstond, naar wij nu geloven, in Afrika de eerste mens.
Van die verre voorouders weten wij niet veel. Wel nemen wij aan dat ze geen vaste woonplaatsen hadden en leefden van de jacht en wat de natuur verder te bieden had. In sommige delen van de wereld gingen zij omstreeks 8.000 vůůr Christus over op sedentaire landbouw en veeteelt en hadden dus vaste woonplaatsen nodig. Daarmee was de mogelijkheid geschapen voor het ontstaan van de menselijke beschaving. Die ontstond tussen 4.000 en 3.000 jaar voor Christus op verschillende plaatsen: eerst in Sumer (MesopotamiŽ, thans Irak), later aan de Nijl (in Egypte), aan de Indus (in India) en aan de Jangtse en de Gele Rivier in China. In het midden van het laatste millennium voor Christus zien wij in deze beschavingsgebieden het ontstaan van de wijsbegeerte en legden leermeesters als Confucius en Lao Tse in China, Boeddha in India en de profeten in Palestina de grondslagen voor enkele van de hedendaagse wereldgodsdiensten.

2. GRIEKENLAND EN ROME
In Griekenland vond in die tijd ook een overgang plaats, maar die was van een andere aard. De Grieken vormden kleine stadstaten en vochten tegen de Perzen (Slag bij Marathon, 490 v. Chr.) om hun vrijheid te behouden. in Athene ontstond een democratisch bestuur, kunst en wetenschap kwamen tot bloei. Grote denkers als Plato en Aristoteles ontwikkelden wijsgerige en politieke theorieŽn. 0ok na alle ontmythologisering van de Griekse beschaving beschouwen wij deze ontwikkelingen nog altijd als het begin van de moderne westerse beschaving.
De Grieken stichtten kolonies in het Middellandse-Zeegebied. Onmachtig hun onderlinge verdeeldheid, die onder meer tot uitbarsting kwam in de beroemde, door Thucydides beschreven, Peloponnesische Oorlog te overwinnen, werden zij ten slotte onderworpen door de koning van MacedoniŽ. Diens zoon Alexander de Grote (356-323 v. Chr.) die slechts 33 jaar oud werd, maakte een van de meest uitzonderlijke veroveringstochten uit de wereldgeschiedenis. Zijn rijk viel na zijn dood uiteen, maar de Griekse beschaving beÔnvloedde grote delen van Egypte en het Nabije Oosten.
De Grieken werden op hun beurt onderworpen door de Romeinen. De stad Rome zou in 753 v. Chr. zijn gesticht door de tweelingbroers Romulus en Remus. Ze werd aanvankelijk geregeerd door een koning, maar al in 510 v. Chr. ontstond de republiek. Rome onderwierp eerst geheel ItaliŽ en later een groot deel van de wereld. Het Romeinse rijk was het grootste dat de wereld ooit had gezien. Die onderwerping ging gepaard met veel oorlogen, eerst tegen koning Pyrrus van Epirus, die weliswaar een (Pyrrus-)overwinning behaalde maar later werd onderworpen, en daarna tegen Hannibal uit Carthago, die bij Cannae een van de beroemdste veldslagen uit de geschiedenis leverde, voor de poorten van Rome stond, maar uiteindelijk werd verslagen. Nog weer later voerde Jullius Caesar zijn oorlog tegen de GalliŽrs. Uiteindelijk vielen heel West- en Zuid-Europa en alle oevers van de Middellandse Zee onder Rome.
In Rome zelf werd de republiek vervangen door het keizerrijk. Jullius Caesar had hiervoor de grondslag gelegd en zijn naam leeft dan ook voort in woorden als keizer en tsaar. Na de verovering van GalliŽ was Caesar de machtigste man in Rome geworden. Na een burgeroorlog verwierf hij de alleenheerschappij, maar niet voor lang, want zijn tegenstanders, onder wie ook zijn vriend Brutus, smeedden een complot om hem te vermoorden. Ze deden dat, met 23 dolksteken, op 15 maart 44 v. Chr. Uit een nieuwe machtsstrijd tussen twee rivalen, Marcus Antonius, die samen met de schone Cleopatra in AlexandriŽ zetelde, en Octavianus, kwam de laatste als overwinnaar te voorschijn. In 27 v. Chr. werd hij keizer en nam de titel Augustus aan. Hiermee begon het Romeinse keizerrijk dat pas 500 jaar later ten onder zou gaan.
Zoals de Griekse cultuur zich na Alexander de Grote had verbreid in grote delen van Klein-AziŽ en Egypte zo werd, ook de Romeinse cultuur door de Griekse beÔnvloed. In het oostelijk deel van het rijk was en bleef Grieks de cultuurtaal. In het westelijk deel (West-Europa en westelijk Noord-Afrika werd de voertaal het Latijn (de taal van de Romeinen), dat voortleeft in de Romaanse talen.
De Romeinen hadden geen wereldrijk kunnen stichten en besturen als zij niet hadden beschikt over bijzondere gaven voor organisatie administratie en recht. Nooit eerder waren legers zo getraind en bewapend als de Romeinse. Nooit eerder had een zo doordacht en uitgewerkt hiŽrarchisch bestuurssysteem bestaan als dat van Rome. Via ambtenaren en gouverneurs werd het onmetelijke rijk centraal bestuurd vanuit Rome. Een uitgebreid wegennet maakte snelle verbindingen mogelijk. Het bestuur zorgde voor orde, rust en vrede; de Pax Romana. Binnen het rijk heerste het Romeinse recht, een uitgewerkt systeem dat was gebaseerd op juridische principes, zoals rechtvaardigheid en billijkheid. Dit werkt nog altijd door in ons hedendaagse recht.

3. HET CHRISTENDOM
Het christendom ontstond rond het begin van onze jaartelling in Palestina, een onderdeel van de Romeinse provincie SyriŽ. Het bouwde voort op de joodse godsdienst. In de bijbel zijn dan ook de heilige boeken van de joden opgenomen (het Oude Testament) naast de vier evangelies en enkele andere teksten die samen het Nieuwe Testament vormen.
Het christendom ontstond in de marge van het Romeinse rijk en vond aanvankelijk vooral aanhang onder de lagere klassen van de maatschappij. Het kon zich echter, dankzij de eenheid van taal en beschaving en een zekere tolerantie op het gebied van geloof en godsdienst, snel verspreiden binnen het Romeinse rijk. De apostel Paulus, Romeins staatsburger, maar joods van geboorte en Grieks van cultuur, predikte in AziŽ en Griekenland, de apostel Petrus Rome. Rome werd de zetel van de kerk. Onder keizer Nero begonnen de christen-vervolgingen. Die gingen eeuwenlang door, tot Constantijn in 305 keizer werd. Hij gaf de christenen de vrijheid, benoemde hen in hoge ambten en ging ten slotte zelf over tot het christendom. In 330 verplaatste hij zijn hoofdstad naar Byzantium en gaf die de naam Constantinopel. Rome werd nu meer de stad van de paus dan van de keizer. De kerkvader Augustinus (345-430) legde de grondslag voor de westerse theologie.
In 395 werd het Romeinse rijk opgedeeld in een westelijk en een oostelijk deel. Het westelijk deel viel ten prooi aan invallen vreemde volken, zoals de Hunnen en de Vandalen. De invallen van de Hunnen bereikten hun hoogtepunt onder hun aanvoerder Attila die in 451 en 452 rondtrok in GalliŽ en ItaliŽ. Door deze invallen werd het Romeinse rijk verzwakt en zijn grondgebied teruggebracht tot ItaliŽ. De keizer verloor vrijwel al zijn macht aan Germaanse legeraanvoerders. Een hunner zette in 476 de jonge keizer Romulus Augustulus af. Hiermee kwam een einde aan het West-Romeinse rijk.

4. MIDDELEEUWEN
In West-Europa volgde nu een tijd van onrust waarin een nieuw macht naar voren kwam, het door Cloovis, gestichte Frankische rijk dat zich over grote delen van West-Europa uitbreidde. De belangrijkste heerser was Karel de Grote (circa 742-814), die heel West- en Midden-Europa onder zijn macht kreeg en in 800 in Rome door de paus tot keizer werd gekroond. Na zijn dood viel zijn rijk echter uiteen. Bij het verdelingsverdrag van Verdun (843) werd het in drieŽn gedeeld: West(Frankrijk), Oost- (Duitsland) en daar tussenin Midden-Frankenland, dat liep van Nederland tot Rome.
Inmiddels waren andere heersers in Europa doorgedrongen, de Arabieren, aanhangers van de islam. Mohammed (570-632) was geboren in Mekka en opgeleid voor de handel, maar beschouwde zichzelf als profeet. Zijn stadgenoten deden dat niet. Hij vluchtte daarom in 622 naar Medina en vond daar aanhangers. Het jaar 622 geldt sindsdien als het jaar 1 van de islamitische jaartelling. Mohammed veroverde het Arabische schiereiland ArabiŽ en hield zijn intocht in Mekka. Zijn volgelingen zwermden uit over het Midden-Oosten en Noord-Afrika en drongen ook door in Europa, waar ze in 732 bij Poitiers tot staan werden gebracht.
Pogingen om ook Constantinopel te veroveren mislukten. Pas zeven eeuwen later viel Constantinopel in handen van de Osmaanse Turken. Deze waren al vanaf ongeveer 1300 bezig hun macht uit te breiden. Zij veroverden grote delen van de Balkan en uiteindelijk ook Constantinopel. Met de val van die stad kwam in 1453 een einde aan het Oost-Romeinse rijk. De expansie van de islam had inmiddels ook een reactie uitgelokt. De Arabische machtsuitbreidingen in Spanje was tot stilstand gebracht en de reconquista, de herovering, begonnen. In 1096 trok, onder de leus 'God wil het', het eerste kruisleger in de richting van het Heilige Land. In 1099 werd Jeruzalem veroverd. De kruistochten gingen ongeveer twee eeuwen door, met wisselend succes.

5. LATE MIDDELEEUWEN
In Europa hadden zich inmiddels grote veranderingen voltrokken. De politieke eenheden waren versnipperd geraakt doordat de leenmannen (graven, hertogen en ook bisschoppen die gebieden in leen hadden gekregen van de vorsten) zich de facto zelfstandig hadden gemaakt. De macht van de Duitse keizers was verzwakt, ook door hun strijd met de paus (de investituurstrijd) en tussen Frankrijk en Engeland woedde de Honderdjarige oorlog (1337-1453) waarbij mede door Jeanne d'Arc de Engelsen uit Frankrijk werden verdreven. In Engeland was in 1215 de "eerste grondwet van Europa" aangenomen, de Magna Carta, waarmee de macht van de vorst werd ingeperkt.
Naast de adel en de geestelijkheid kwam nu in de steden ook de burgerij op (de Derde Stand). De kerk bouwde schitterende gotische kathedralen, de adel grote kastelen, en de Derde stand indrukwekkende stad- en gildehuizen. De opkomst van de steden vond vooral plaats in de zuidelijke Nederlanden en in ItaliŽ, de gebieden waar later ook de Renaissance begon.

DE NIEUWE TIJD

6. RENAISSANCE EN REFORMATIE
Zowel het begrip renaissance als het traditionele onderscheid tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd zijn de laatste jaren sterk gerelativeerd. Historici onderscheiden nu, naast de bekende Italiaanse renaissance, een twaalfde-eeuwse renaissance, die vooral in Frankrijk plaatsvond, en een carolingische renaissance in de tijd van Karel de Grote. Sommigen laten de middeleeuwen zelfs doorlopen tot de achttiende eeuw. Toch zullen we hier aan het onderscheid Middeleeuwen-Nieuwe Tijd vasthouden en ons beperken tot het klassieke renaissancetijdvak, het Italiaanse quattrocento (vijftiende eeuw), dat door Burckhardt is beschreven in zijn beroemde boek Die Kultur der Renaissance in Italien uit 1860 en dat volgens hem gekenmerkt werd door 'de ontdekking van de mens en van de wereld'. De ideale Renaissancemens was de uomo universale die op vele gebieden actief was: wetenschap, kunst, techniek, architectuur. Leonardo da Vinci en Michelangelo zijn hier de bekendste voorbeelden van. Kenmerkend voor deze cultuur was een sterke gerichtheid op het hier en nu en een groot vertrouwen in eigen oordeel en eigen kracht. Het wetenschappelijke onderzoek van de natuur leidde soms tot botsingen met de kerk (Galileo Galilei). Kenmerkend voor de renaissance was de belangstelling voor de klassieke cultuur waardoor kunst en architectuur werden geÔnspireerd. Het Florence van de Medici met zijn vele kloosters en paleizen is hiervan het schitterendste voorbeeld.
De belangstelling voor de oudheid kwam ook tot uiting in het humanisme, dat zowel in ItaliŽ als in noordelijker streken, zoals de Nederlanden, tot bloei kwam. De humanisten beijverden zich voor de studie van klassieke teksten en bepleitten een zuivere beleving van het geloof. De beroemdste van alle humanisten, Desiderius Erasmus, bekritiseerde de middeleeuwse filosofen en bestudeerde de oudheid. Hij stond kritisch tegenover de kerk, maar brak er niet mee. Wie dat wel deed, was Luther. Met hem begon de reformatie.
Maarten Luther was hoogleraar aan de Universiteit van Wittenberg toen hij in 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkerk bevestigde waarin hij de praktijken van de katholieke kerk ten aanzien van de biecht aanviel. Hij breidde zijn kritiek later uit tot een groot aantal andere kerkelijke praktijken en ideeŽn, waarna de paus hem in de ban deed. Daarmee was de breuk een feit. Andere hervormers braken ook met de kerk, zij het om zeer verschillende redenen. Hendrik VIII van Engeland deed dat bijvoorbeeld omdat hij wilde scheiden en hertrouwen, wat de paus niet goed vond. Dit leidde tot het ontstaan van de Engelse staatskerk waarvan de koning nog altijd het hoofd is. De belangrijkste en radicaalste reformator was Johannes Calvijn die een heel nieuwe geloofsleer verkondigde en de staat ondergeschikt aan de kerk wilde maken. De boekdrukkunst, uitgevonden omstreeks 1450 door Gutenberg, maakte een snelle verbreiding van de reformatie mogelijk. Het lutheranisme vond vooral aanhang in Duitsland en ScandinaviŽ, het calvinisme in Frankrijk, Zwitserland, Nederland en Schotland.

7. ONTDEKKING VAN DE WERELD
In 1492 kwam de Genuees Columbus, die reisde in opdracht van het Spaanse vorstenhuis, aan in Amerika. Vijf jaar later rondde de Portugees Vasco da Gama Kaap de Goede Hoop en kwam aan in AziŽ. De Spanjaarden schiepen in Amerika een indrukwekkend koloniaal rijk, een nieuw Spanje overzee. De Portugezen bezaten de middelen noch de mankracht om een nieuw Portugal te stichten. Zij richtten zich daarom op de exploitatie van bestaande rijkdommen en handelswegen, met name in AziŽ.
Spanje en Portugal hadden de leiding in deze eerste fase van de Europese expansie. In 1498 verdeelde de paus als hoofd van de christenheid de wereld tussen deze beide landen. Het Iberische uur duurde echter niet lang, want het zwaartepunt van Europa verplaatste zich van de Middellandse Zee naar de oostelijke oevers van de Atlantische Oceaan en de Noordzee. Aanvankelijk nam de Nederlandse Republiek de leiding over. Ook Frankrijk speelde een rol in de nieuwe expansiebeweging van de zeventiende eeuw. Geen van beide landen was echter partij voor het land dat de grootste wereldmacht van de moderne tijd zou worden: Engeland.

8. STATEN EN STATENSTELSEL
Met de renaissance ontstond ook de moderne staat. Die staat werd volgens een bewust plan geschapen en bestuurd. De politiek werd een wetenschap, waarvoor Machiavelli in zijn boek De Vorst de eerste aanzet gaf. De staten werden gecreŽerd door vorsten en deze 'nieuwe monarchieŽn', die in de zestiende eeuw opkwamen, hebben voor een belangrijk deel de geschiedenis van het moderne Europa bepaald. In Spanje werden de kronen van Aragon en CastiliŽ verenigd door 'de katholieke koningen', Ferdinand van Aragon en Isabella van CastiliŽ. Hun kleinzoon Karel V (1500-1558) erfde niet alleen Spanje en de Spaanse koloniŽn maar via zijn vader, ook de bezittingen van het Habsburgse huis, waaronder de Nederlanden en het Duitse rijk. In Engeland kwam het huis Tudor aan de macht. In Frankrijk ging Hendrik van Bourbon van het calvinisme over op het katholicisme en werd als Henri IV koning van Frankrijk. Hij maakte met het Edict van Nantes in 1598 een einde aan de Franse godsdienstoorlogen. De Bourbons zouden Frankrijk blijven regeren tot de Franse revolutie daar een einde aan maakte. Zij centraliseerden het bestuur, braken de macht van de adel en schiepen de absolute monarchie, waarvan Lodewijk XIV, de 'Zonnekoningí en zijn paleis in Versailles het symbool werden.
De schepping van de nieuwe staten leidde ook tot de vele oorlogen die voor de Europese geschiedenis zo kenmerkend zijn geweest. De belangrijkste daarvan was de Dertigjarige oorlog (1618-1648). Deze begon als een godsdienstoorlog maar ontwikkelde zich snel tot een machtsstrijd tussen Bourbon en Habsburg. Hoezeer het staatsbelang de politiek was gaan beheersen, blijkt wel uit het feit dat de Franse politieke leider, Richelieu, kardinaal van de rooms-katholieke kerk, samen met de protestantse Duitse vorsten en het protestantse Zweden streed tegen de katholieke Habsburgers. De Vrede van Westfalen (1648), die een eind maakte aan deze oorlog, liet Duitsland verarmd en verdeeld achter en legde de grondslag voor de Franse hegemonie in de volgende eeuwen. De Zevenjarige Oorlog (1756-1763) leidde tot nieuwe machtsverhoudingen. Engeland en Pruisen vonden elkaar en vochten zij aan zij tegen de nieuwe coalitie van de vroegere rivalen Bourbon en Habsburg. Zij kwamen uit dit conflict als overwinnaars tevoorschijn. Pruisen begon zijn lange opmars naar de heerschappij in Europa, Engeland vestigde zijn positie als wereldmacht die het in de volgende eeuw verder zou uitbouwen.

9. DE VERLICHTING
Frankrijk was het grote voorbeeld van het absolutisme, de absolute koningsmacht. Dit was een van de vele zaken die ter discussie werden gesteld in de Verlichting. De Engelse filosoof John Locke had het absolutisme al eerder bekritiseerd. Zijn ideeŽn werden uitgewerkt door de Fransman Montesquieu in diens beroemde boek De líEsprit des lois uit 1748 waarin hij de machtenscheiding propageerde. De filosoof Rousseau richtte zijn kritiek vooral op de maatschappij en Voltaire op kerk en godsdienst. Adam Smith bekritiseerde het mercantilisme en bepleitte In zijn beroemde boek The Wealth of Nations (1776) het economisch liberalisme. De grote samenvatting van het Verlichtingsdenken is te vinden in de beroemde Encyclopťdie (in zeventien dikke delen) van Dilderot en d'Alembert, die tussen 1751 en 1772 is verschenen. De Verlichting had ook invloed op verschillende vorsten, die in hun land verlichte ideeŽn introduceerden. Katharina de Grote in Rusland bouwde voort op de modernisering van haar land, waarmee onder Peter de Grote een begin was gemaakt. Jozef II voerde kerkelijke en staatskundige hervormingen door in de Habsburgse landen. De beroemdste verlichte despoot was ongetwijfeld Frederik de Grote van Pruisen die musiceerde, filosofeerde en componeerde en bij wie Voltaire kind aan huis was. In deze zelfde tijd leefden in Duitsland ook Goethe en Schiller die de Duitse cultuur tot grote bloei brachten.

10. DE DEMOCRATISCHE REVOLUTIE
De verlichte denkbeelden zijn ook terug te vinden in de door Thomas Jefferson opgestelde Amerikaanse Declaration of Independence van 1776 en in de Dťclaration des droits de l'homme et du citoyen uit 1789. Deze verklaringen lijken veel op elkaar en het ligt dan ook voor de hand een verband te zien tussen de Amerikaanse revolutie van 1776 - beter bekend als de Amerikaanse Vrijheidsoorlog van 1776-1783 en de Franse Revolutie van 1789. Die overeenkomst zit in de beginselen die aan beide bewegingen ten grondslag lagen: vrijheid van de burgers en gelijkheid voor de wet. De Amerikanen wonnen hun vrijheidsoorlog en werden onder hun eerste president George Washington een onafhankelijke en democratische republiek. Die vrijheid gold echter voorlopig niet voor de slaven. Die kregen hun vrijheid pas onder president Lincoln, tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865).
De Franse revolutie was veel radicaler dan de Amerikaanse revolutie. De Franse revolutionairen wilden volstrekt opnieuw beginnen. Dat kwam vooral tot uiting in de tijd van de Conventie en de terreur waarin de revolutionairen hun tegenstanders onder de guillotine brachten. De revolutie liep in 1799 uit op de alleenheerschappij van Napoleon Bonaparte (1769-1821). In 1804 werd hij keizer van wat toen het machtigste land van Europa was. Door vele succesvolle veldtochten onderwierp hij vrijwel geheel Europa. Het keerpunt kwam met de mislukte veldtocht naar Rusland. Napoleon verloor daarna de volkerenslag bij Leipzig, werd verbannen naar Elba, keerde voor Honderd Dagen als keizer terug, maar vond zijn definitieve ondergang bij Waterloo (1815) en stierf in ballingschap op Sint Helena.

11. LIBERALISME EN NATIONALISME
In 1814 kwamen de leiders van de grote mogendheden in Wenen bijeen om na vijfentwintig jaar revolutie orde op zaken te stellen. De staatkundige kaart van Europa moest opnieuw worden ingericht. De wettige heersers keerden terug, de overwinnaars kregen gebiedsuitbreiding: Rusland in Polen, Oostenrijk in ItaliŽ en Pruisen in het westelijke deel van Duitsland. De orde was hiermee hersteld, maar de nieuwe ideeŽn van de Franse revolutie bleven bestaan en wonnen aan aanhang. Liberalisme en nationalisme gingen de politiek beheersen. Verschillende volken in het Turkse Rijk (de Grieken), het Russische Rijk (de Polen) en Oostenrijk (de Hongaren) streefden naar onafhankelijkheid. Zij zouden die in de loop der jaren ook krijgen: de Grieken al in 1830, de Hongaren in 1866 en de Polen pas na de Eerste Wereldoorlog.
Omgekeerd streefden de nationalisten in de vele Duitse en Italiaanse staten en staatjes naar een eenwording van ItaliŽ en Duitsland. In 1848, toen in Frankrijk een revolutie uitbrak en de revolutiegeest ook naar andere landen overwaaide, leek het of zij hun zin zouden krijgen, maar het ging toen niet door. Uiteindelijk kwam die eenheid er toch, maar niet van onderop maar van bovenaf, geleid door de leiders van twee belangrijke staten: Bismarck in Pruisen en Cavour in SardiniŽ/PiŽmont. in 1870 werd Duitsland een keizerrijk en ItaliŽ een koninkrijk.

12. DE INDUSTRIELE REVOLUTIE
Naast de politieke revoluties was er in de achttiende eeuw nog een andere revolutie geweest die van grote betekenis was: de industriŽle revolutie. De industriŽle revolutie was geen snelle en gewelddadige omwenteling maar een geleidelijk proces waarvan de gevolgen echter minstens even ingrijpend waren als die van de 'gewone' revoluties. De industriŽle revolutie kwam niet uit de lucht vallen. Het rationele denken (Descartes) en de natuurwetenschap (Newton) hadden er de basis voor gelegd.
De industriŽle revolutie begon in de textielsector in Engeland in de achttiende eeuw en leidde daar al snel tot een geweldige verhoging van de productiviteit. Mechanisering van de arbeid en gebruik van fossiele brandstoffen als energiebron waren er de belangrijkste kenmerken van, stoomschepen en stoomtreinen het symbool. De mensheid brak hiermee door het productieplafond waaronder alle samenlevingen tot dan toe hadden geleefd en de wereld verdeelde zich nu in ontwikkelde en onderontwikkelde, arme en rijke landen. Groot-BrittanniŽ was de eerste industriŽle samenleving, maar andere landen, met name Duitsland, Amerika en Japan, zouden volgen.

13. HET SOCIALE VRAAGSTUK
De industriŽle revolutie creŽerde de arbeidersmassa's en daarmee het grote sociale vraagstuk van de negentiende eeuw. Het sociale vraagstuk trok de aandacht van velen: van een fabrikant als Robert Owen, die een dorpje voor zijn arbeiders liet bouwen, van vorsten als Napoleon III die het 'pauperisme' wilde uitbannen en van utopische socialisten als Saint-Simon, Fourier en Proudhon.
Veruit de belangrijkste socialistische denker was Karl Marx (1818-1883) die een filosofisch stelsel ontwierp, het historisch materialisme, en samen met zijn vriend Friedrich Engels in 1848 Het communistisch manifest publiceerde. De door hen gestichte Internationale Arbeidersorganisatie hield niet lang stand, want ze ging ten onder aan twisten met de aanhangers van de anarchist Bakoenin, maar ze werd in een andere vorm voortgezet. De marxistische beweging was vooral sterk in Duitsland en werd de leidende beweging binnen het Europese socialisme. Het marxisme vond ook aanhang in Rusland, waar Lenin in 1917 de macht greep, en later in AziŽ, met name in China onder Mao Zedong.

DE NIEUWSTE TIJD

14. IMPERIALISME
De industriŽle revolutie leidde ook tot de economische hegemonie van Europa over de wereld en maakte daarmee het moderne imperialisme mogelijk. In korte tijd werd heel Afrika onder Europees bestuur gebracht. Het begon in 1881 en 1882 met de bezetting van Tunis en Egypte en eindigde met de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902) en de inlijving van Marokko door Frankrijk en Spanje In 1912. De belangrijkste Europese koloniŽn lagen overigens in AziŽ, waar Engeland zijn Brits-Indische Rijk, de grootste en indrukwekkendste kolonie ter wereld, afrondde en consolideerde en Nederland in Nederlands-IndiŽ de rijkste en meest profijtelijke van alle overzeese koloniŽn bezat. Frankrijk verwierf Indo-China, Amerika nam de Filippijnen over van Spanje, Japan veroverde Taiwan en Korea op China en de expansie van Rusland kwam pas tot stilstand bij de Stille Oceaan.
Inmiddels was ook Duitsland mee gaan doen, zij het laat. Het Duitse keizerrijk was tot stand gekomen na een succesvolle oorlog met Frankrijk in 1870-'71. Duitsland was nu het machtigste land van Europa en de vraag was hoe het Europese statenstelsel dit land zou kunnen opnemen zonder het evenwicht verloren te laten gaan. Deze opgave bleek te groot. In de Eerste Wereldoorlog werd de strijd om de macht in Europa opnieuw uitgevochten. Dit ging ten koste van miljoenen mensenlevens.
Rusland was aan de zijde van Frankrijk en Engeland de oorlog ingegaan, maar na de Russische Revolutie in 1917 sloot het nieuwe regime onder leiding van Lenin al spoedig vrede met Duitsland. Duitsland werd uiteindelijk verslagen door de combinatie van Frankrijk, Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten.
De Vrede van Versailles probeerde een oplossing te vinden voor het Duitse vraagstuk. Die oplossing bleek echter niet duurzaam. Duitsland was wel verzwakt, maar het bleef een grootmacht. In 1933 kwam Hitler aan de macht. Hij voerde een totalitair regime in en vervolgde zijn tegenstanders op genadeloze wijze, vooral de joden. Een massale emigratie van intellectuelen, zoals Freud en Einstein, volgde. Hitler wilde Duitsland tot de leidende macht in Europa en zelfs in de wereld maken. De Tweede Wereldoorlog was daarvan het gevolg. In 1939 werd Polen overrompeld, in 1940 Frankrijk onder de voet gelopen. Engeland hield onder leiding van Churchill eenzaam stand, maar in 1941, toen Hitler de Sovjet-Unie binnenviel en na de Japanse aanval op Pearl Harbor Amerika de oorlog verklaarde, kreeg het in Roosevelt en Stalin twee machtige bondgenoten. De Russen brachten de grootste offers en behaalden de belangrijkste overwinningen (Stalingrad). Na de landingen in NormandiŽ rukten ook de legers van de westelijke geallieerden op naar Berlijn. Op 8 mei 1945 gaf Duitsland zich over. Na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in augustus 1945 deed Japan dat ook. Tijdens de oorlog had Hitler in heel Europa een schrikbewind gevoerd, waarvan de jodenvervolging het huiveringwekkendste onderdeel was.

15. DEKOLONISATIE
Toen de Tweede Wereldoorlog begon, beheersten de Europese landen een groot deel van de wereld. Na het einde van die oorlog zou dat snel veranderen. Brits-IndiŽ, waar onder invloed van Gandhi de nationalistische beweging sterk was, was het eerste land dat onafhankelijk werd (1947). Omdat een burgeroorlog tussen moslims en hindoes dreigde, werd het land opgedeeld in twee staten, India en Pakistan.
Nederlands-IndiŽ was het volgende voorbeeld. In 1949 werd de Republiek IndonesiŽ onafhankelijk. In Indochina liep het anders. Het conflict tussen de Franse koloniale heersers en de nationalisten spitste zich toe op Vietnam. Na de val van Dien Bien Phu gaven de Fransen in 1954 de strijd op. De oorlog ging echter door, nu onder Amerikaanse leiding. Datzelfde jaar begon in Algerije de bloedige tweede Franse dekolonisatie-oorlog die pas in 1962 werd beŽindigd.
De dekolonisatie van de rest van Afrika verliep meestal zonder veel geweld, behalve in de Portugese koloniŽn die pas in 1974 onafhankelijk werden. Zuid-Afrika was een bijzonder geval. Het was een zelfstandig land, maar werd bestuurd als een koloniale staat, waarin de blanke minderheid de zwarte meerderheid van de bevolking onderdrukte en in een minderwaardige positie hield.
Ondanks hardnekkig verzet ging het apartheidsregime ten slotte ten onder en werd Nelson Mandela in 1994 de eerste president van een democratisch Zuid-Afrika.

16. KOUDE OORLOG
In de nieuwe wereldorde die na de Tweede Wereldoorlog ontstond, was een belangrijke politieke rol weggelegd voor de twee nieuwe supermachten, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Deze raakten al spoedig in conflict: de Koude Oorlog. Rusland was een grote militaire macht, maar de Verenigde Staten waren de enige echte supermacht. Hun economie was de productiefste, de dollar was ís werelds reservevaluta, de Amerikaanse vloot beheerste de wereldzeeŽn. De Amerikaanse cultuur werd eveneens dominant, zowel de materiŽle cultuur (consumptie-goederen) en de volkscultuur (Hollywood en popmuziek), als de hoge cultuur van wetenschap (Nobelprijzen !) en kunst. De Sovjet-Unie kon hier niet tegen op. Na de val van de Muur van Berlijn in 1989 stortte het communistische rijk in elkaar en raakte ook de Sovjet-Unie zelf in ontbinding. De Verenigde Staten zijn sindsdien de enige overgebleven supermacht.

17. EUROPA
Voor Europa was na de Tweede Wereldoorlog nog slechts een bescheiden plaats in de wereld weggelegd. Oost-Europa verdween achter het IJzeren Gordijn. West-Europa schaarde zich onder Amerikaís militaire en nucleaire paraplu. Het werkte aan zijn economisch herstel en aan de overbrugging van tegenstellingen, met name die tussen Frankrijk en Duitsland. West-Duitsland beleefde onder bondskanselier Adenauer zijn Wirtschaftswunder en werd de economische grootmacht van Europa. Frankrijk herwon na de terugkeer van generaal De Gaulle in 1958 als president van de nieuw gestichte Vijfde Republiek zijn zelfvertrouwen, ontwikkelde een eigen atoommacht en speelde een dominerende rol in de Europese gemeenschap, waarvoor het naast een economische ook een politieke rol zag weggelegd. De tegenstelling tussen een meer onafhankelijke Europese koers en een meer op Amerika gerichte Atlantische koers was echter te groot om een eensgezinde Europese buitenlandse politiek mogelijk te maken.
Het economisch herstel kwam er wel en was spectaculair. De Europese Gemeenschap werd een doorslaand succes, de welvaart groeide als nimmer tevoren. De economische integratie was zo sterk dat een gezamenlijke monetaire politiek wenselijk en mogelijk werd geacht. Die kwam er met de Economische en Monetaire Unie en de invoering van de euro. Het succes van de Europese Unie was zo aanstekelijk dat steeds meer landen zich erbij wilden aansluiten. Zo groeide het Europa van de Zes, naar negen, tien, twaalf, vijftien en ten slotte zelfs naar vijfentwintig lidstaten. En nog is de grens niet bereikt. Door deze ontwikkelingen staat Europa opnieuw voor de vraag wat het is, wat het zou willen zijn en waar zijn grenzen liggen.