Terug naar: Psychologie
Home Page: www.wjsn.nl
© 2004 - W alt's J ungle S tudio, N ederland - - > Mail: W J S N


Een typering van cultuur a.d.h.v. de "intelligenties" van Gardner

Cultuur: intelligenties, kwaliteiten en competenties van groepen
Volgens Howard Gardner beschikken alle mensen over een van de onderstaande kwaliteiten of competenties. Het zijn deze kwaliteiten of "vormen van intelligentie" zoals Gardner ze noemt, waarmee de kennis en vaardigheden van mensen getypeerd kunnen worden. Van belang hierbij is dat er "intelligenties" zijn, die mensen willen en kunnen ontwikkelen en andere, die nauwelijks verder ontwikkeld kunnen worden.

De acht kwaliteiten of bekwaamheden zijn onderstaande:
1. Muzikale intelligentie
2. Lichamelijke-kinesthetische intelligentie
3. Naturalistische intelligentie
4. Intrapersoonlijke intelligentie
5. Interpersoonlijke intelligentie
6. Taalkundige intelligentie
7. Logisch-wiskundige intelligentie
8. Ruimtelijke intelligentie

De competenties of "kwaliteiten" komen in (nagenoeg) alle culturen voor en zijn dus universeel. Aan de hand van de indeling van Gardner kan men gemeenschappen, volkeren en culturen typeren. Dat kan door: A) "neuzen te tellen": door na te gaan welk percentage over de bedoelde kennis en vaardigheden beschikt, maar dat is ook mogelijk door: B) te "turven": door de culturele en wetenschappelijke producten te "wegen" en te tellen. De nadruk ligt dus op de "output", op de resultaten van het leerproces: op wat er geleerd is en wat daarvan getoond en zichtbaar gemaakt werd.

Welke vormen zijn typerend voor de westerse cultuur en welke niet?

Wellicht zou men op dit moment voorzichtig kunnen stellen, dat de eerste vier dominant zouden kunnen zijn in niet-westerse samenlevingen en de laatste drie in westerse. Dat zou men kunnen concluderen door te "turven": men probeert bijvoorbeeld de laatste drie - d.i. de wetenschappelijke output (nr. 7) en de culturele producten (nr. 6 en 8) - te kwantificeren.
Hierbij zou men de volgende argumenten kunnen hanteren. Het westen heeft een grote voorsprong wat betreft wetenschappelijk onderzoek en publicaties. In het westen kent men een zgn. schrijfcultuur, die in de Arabische wereld en in vele andere niet-westerse landen vrijwel ontbreekt. Het gevolg is: relatief veel gepubliceerde dichtbundels en literaire werken in het westen, maar ook in Aziatische landen als China en India . Architectonische bouwwerken van enige betekenis en "waarde" treft men over de hele wereld aan, maar de laatste decennia neemt men alleen (= vooral) in het westen architectonische activiteiten waar.

Let wel: hierbij wordt dus niet gecorrigeerd voor de omvang van de relatieve grote groep welgestelden, alfabeten en hooggeschoolden in het westen. Dat hoeft ook niet, indien men genoegen neemt met de manier van "turven", die hier werd voorgesteld.
Vervolgens zou men kunnen proberen om de culturele uitingen nr. 1 t/m 4 te kwantificeren. Het lastige hierbij is dat men "neuzen moet gaan tellen", teneinde te kunnen bepalen welk percentage over de desbetreffende kennis en vaardigheden beschikt. Alleen ten aanzien van "muzikale composities" hoeft dat niet plaats te vinden - producten (= aantal composities) "turven" volstaat.

Bovendien zal men steeds de kennis en vaardigheden moeten "wegen": er zou gewogen moeten worden naar iets als "moeilijkheidsgraad", "schoonheid", "niveau van beheersing", "duur van de training", "populariteit", "nut voor de gemeenschap", etc.. Dat zijn echter hoofdzakelijk subjectieve maatstaven, die grotendeels ook weer cultureel bepaald zijn. Over dit soort "wegingsfactoren" kan daarom geen consensus worden verkregen. Men zal zich daarom (helaas) wel moeten beperken tot "neuzen tellen".
De vormen van intelligentie waar het hier om gaat zijn grotendeels onafhankelijk van welvaartsniveau. Veel sportieve en muzikale individuen die niet in het welvarende westen leven, kunnen zich toch in hun eigen leefomgeving verder bekwamen in bedoelde kennis en vaardigheden - juist omdat het hen relatief weinig geld kost. Relatief veel mensen doen dat ook en zijn dagelijks bezig met lichamelijke beweging, zang en muziek. In het westen vindt dit ook plaats, maar dan op een meer bescheiden schaal (minder deelnemers). De methodiek van "neuzen tellen" resulteert hier dus duidelijk in het nadeel van het westen, mag voorzichtig geconcludeerd worden.

Nawoord en nuancering
De acht intelligenties van Howard Gardner - de kwaliteiten en competenties van individuen en groepen - zorgen voor een tweedeling, zodra ze gebruikt worden als culturele meetlat. De westerse cultuur scoort hoog op taalkundige, ruimtelijke en logisch-wiskundige intelligentie. Met andere woorden: de nadruk ligt op het terrein van 1) architectuur en "gebouwde omgeving', de door mensen geconstrueerde leef- of werk-omgeving samengesteld uit zowel natuurlijk als artificieel materiaal, 2) op literatuur maar vooral op lezen en schrijven, op leren op school via boeken en op zich kwalificeren via schrijven, op informatie verzamelen en verwerken via schriftelijk (al dan niet digitaal) bronmateriaal en 3) op wetenschap en het gebruik van wetenschappelijke methodes om inzicht en kennis te verwerven.
De eveneens westerse, oud-Griekse denker Pythagoras zette de toon in dit verband en met hem begon een nieuwe "vorm van denken". De hierboven genoemde vormen van "intelligentie", die ontwikkeld zijn op basis van zintuiglijke waarneming, zijn ondergeschikt aan de "logisch-wiskundige intelligentie", stelde Pythagoras. Superieur is "zuiver denken" boven de zintuiglijke waarneming en de intu´tie.

Een hoge score op genoemde punten wordt doorgaans opgevat als: 1) er zijn relatief veel mensen in de westerse samenleving actief op bedoelde terreinen, ofwel 2) er wordt relatief veel geproduceerd op dit gebied - door wellicht een relatief kleine, maar wel productieve groep.