Terug naar Educatiehoek

BRON: CBS, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken

Allochtone leerling presteert minder op examen
Elma Rohde, Paul Kuyt, Dick Takkenberg, Guillaume Janssen

Allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs slagen gemiddeld minder vaak voor het eindexamen dan autochtone leerlingen. De verschillen zijn het grootst op de havo en het vwo. Zowel autochtone als allochtone leerlingen presteren beter bij het schoolonderzoek dan bij het centraal examen, maar vooral bij allochtone leerlingen is het verschil groot. Voor de scholen in de grote steden geldt dat de slagingspercentages van zowel autochtone als allochtone leerlingen lager zijn dan in de rest van Nederland. Opmerkelijk is dat op scholen met een hoog percentage "zorgleerlingen" zowel de autochtone als allochtone leerlingen minder goede examenresultaten hebben. Dit hangt deels samen met het feit dat deze scholen meer in de grote steden voorkomen.

Slagingspercentages laatste jaren weinig veranderd

In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. Het voortgezet onderwijs omvat de schoolsoorten mavo, havo, vwo en (individueel) voorbereidend beroepsonderwijs. In staat 1 is voor de verschillende schoolsoorten het percentage kandidaten vermeld dat slaagde voor het examen. Het percentage geslaagden in het mavo, havo en vbo is de laatste jaren ongeveer gelijk gebleven. Vergeleken met 1993 is het percentage bij het vwo licht toegenomen. De slagingspercentages zijn het hoogst bij het mavo en vbo en het laagst bij het havo.

Staat 1
Percentages geslaagden in het voortgezet onderwijs
------------------------------------------------------------------------------------------------
	1993	1994	1995	1996	1997	1998
------------------------------------------------------------------------------------------------					
Vbo	  92	  92	  92	  91	  93	  93
Mavo	  94	  93	  94	  93	  96	  94
Havo	  83	  84	  84	  85	  85	  83
Vwo	  85	  88	  87	  88	  89	  89
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs.

Slagingspercentages zorgleerlingen het laagst

De examenresultaten voor 1998 kunnen verdeeld worden naar etniciteit van de deelnemers. In dit artikel is de volgende indeling van etniciteit gemaakt:

Binnen de groep allochtone leerlingen is een tweedeling gemaakt in:

Het vbo en mavo hebben relatief veel leerlingen die behoren tot de culturele minderheden (zoals door het Ministerie van OCenW gedefinieerd). In het hoogste leerjaar van het vbo behoort 11 procent van de leerlingen tot de groep cumi-leerlingen. In het mavo, havo en vwo zijn de percentages respectievelijk 7, 4 en 2.

De slagingspercentages verschillen aanzienlijk naar etniciteit. De resultaten van de groep zorgleerlingen zijn het laagst en de slagingspercentages van de autochtone leerlingen zijn het hoogst.

Staat 2
Percentages geslaagden naar etniciteit, 1998
------------------------------------------------------------------------------------------------
		Autochtonen	Zorgleerlingen	Overige allochtonen
------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo		    95		     86		         92
Mavo		    96		     82		         90
Havo		    85		     64		         77
Vwo		    90		     71	 	         84
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Voor het vwo en havo zijn de verschillen tussen autochtone leerlingen en zorgleerlingen het grootst. Voor de mavo en het vbo zijn de verschillen minder groot. Dit hangt samen met het feit dat zorgleerlingen op de mavo en het vbo vaker een diploma behalen op een lager niveau.

Op het vbo kan op verschillende niveaus examen worden afgelegd. Voor de beroepsgerichte vakken zijn er A-, B- en C-examens. Voor de algemene vakken bestaan A-, B-, C- en ook nog D-examens. De letters A, B, C en D staan voor de zwaarte van een programma (A is het lichtst, D is het zwaarst). Bij een A- en B-programma bestaat het examen alleen uit een schoolonderzoek. Bij een C- en D-programma bestaat het examen voor de algemene vakken uit een schoolonderzoek en een centraal examen. De beroepsgerichte vakken worden alleen in het schoolonderzoek geëxamineerd, zonder landelijke normering. Een leerling met minimaal drie vakken op C- of D-niveau heeft meer doorstroommogelijkheden naar een vervolgopleiding. Van de autochtone leerlingen behaalt 48 procent een diploma met minimaal drie vakken op C/D-niveau. Voor de zorgleerlingen is dat percentage 37.

Op de mavo kan per vak op C- of D-niveau examen worden gedaan, maar er moeten minimaal drie vakken op D-niveau worden gedaan. Voor alle vakken moet een centraal examen worden afgelegd. Als een leerling minimaal zes vakken op D-niveau aflegt en slaagt, bestaat de mogelijkheid om door te stromen naar leerjaar 4 van de havo. Van de autochtone leerlingen slaagt 51 procent met alle vakken op D-niveau. Bij de zorgleerlingen slaagt slechts 40 procent met alle vakken op D-niveau.

Het is opmerkelijk dat op de mavo en het vbo de slagingspercentages van zorgleerlingen geboren in het buitenland iets hoger zijn dan die van zorgleerlingen geboren in Nederland. Voor de havo zijn de slagingspercentages van deze categorieën leerlingen gelijk.

Staat 3
Percentages geslaagde zorgleerlingen geboren in Nederland en in het buitenland
------------------------------------------------------------------------------------------------
	Autochtonen	Zorgleerlingen		Zorgleerlingen
               		geboren in Nederland	geboren in het buitenland
------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo		95		86			87
Mavo 		96		81			83
Havo		85		64			64
Vwo		90	         .		         .
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Resultaat centraal examen lager dan schoolonderzoek

Het eindexamen bestaat voor de mavo, havo en het vwo uit het schoolonderzoek (SO) en het centraal examen (CE). Leerlingen presteren bij het schoolonderzoek gemiddeld beter dan bij het centraal examen. Het gemiddelde cijfer voor het schoolonderzoek ligt bij alle schoolsoorten hoger dan het centraal examen. Bij de autochtone leerlingen is het gemiddelde SO-cijfer iets hoger dan het gemiddelde CE-cijfer, namelijk 0,1 à 0,2 punt. Bij de zorgleerlingen daarentegen ligt het SO-cijfer fors hoger dan het cijfer voor het centraal examen, namelijk 0,5 à 0,6 punt. Anders gezegd: bij het schoolonderzoek presteren zorgleerlingen gemiddeld bijna even goed als de autochtone leerlingen; bij het centrale examen zijn de verschillen tussen zorgleerlingen en autochtone leerlingen groter.

Staat 4
------------------------------------------------------------------------------------------------
Gemiddelde SO- en CE-cijfers, 1998
		    Autochtonen 	Zorgleerlingen	Overige allochtonen
------------------------------------------------------------------------------------------------
Mavo-D	SO		6,5  			6,4		6,5
	CE		6,4			5,8		6,2
Havo	SO		6,4			6,2		6,3
	CE		6,2			5,7		6,1
Vwo	SO		6,7			6,4		6,6
	CE		6,5			5,9		6,2
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Grote verschillen bij wiskunde

Voor de havo en het vwo zijn de resultaten voor het centraal examen uitgesplitst naar een drietal vakken: Nederlands, Engels en wiskunde A. Vooral bij wiskunde A is het verschil in prestatie tussen autochtone leerlingen en zorgleerlingen groot. Zowel voor de havo als voor het vwo is het gemiddelde cijfer voor het centraal examen van zorgleerlingen 0,8 punt lager.

Overigens behalen de leerlingen uit de groep "overige allochtonen" gemiddeld een hoger cijfer voor Engels dan de autochtone leerlingen.

Staat 5
------------------------------------------------------------------------------------------------
Gemiddelde cijfers centraal examen voor een aantal vakken, 1998
        	       Autochtonen	Zorgleerlingen	Overige allochtonen
------------------------------------------------------------------------------------------------
Havo    Nederlands	   6,2			5,7		6,1	
Havo    Engels		   6,5			5,9		6,6	
Havo    Wiskunde A	   6,8			6,0		6,3	

Vwo     Nederlands         6,8			6,2		6,6	
Vwo     Engels		   6,3			5,8		6,5	
Vwo     Wiskunde A	   6,4			5,6		6,1	
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Minder goede resultaten in grote steden

Relatief veel zorgleerlingen gaan naar school in de grote steden. Van alle examenkandidaten in het voortgezet onderwijs gaat ruim één op de tien naar school in een van de grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag). Van de zorgleerlingen in de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs gaan maar liefst vier op de tien naar school in deze vier grote gemeenten.

De gemiddelde slagingspercentages in de vier grote steden zijn voor alle schoolsoorten lager dan in de rest van Nederland. Dit geldt zowel voor de autochtone leerlingen als voor de allochtone leerlingen. Bij het havo zijn de verschillen tussen de grote steden en de rest van Nederland het grootst, bij het vbo het kleinst.

Staat 6
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Percentages geslaagden vier grote steden versus rest van Nederland, 1998
				Autochtonen	Zorgleerlingen	Overige allochtonen
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo	vier grote steden	   93			87		90
	rest van Nederland	   95			86		92
Mavo	vier grote steden	   92			78		82
	rest van Nederland	   96			84		92
Havo	vier grote steden	   80			61		68
	rest van Nederland	   85			66		80
Vwo	vier grote steden	   88			68		79
	rest van Nederland	   90			73		85
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Verschillen tussen scholen

Er zijn scholen waar geen enkele leerling in de examenklas tot de zorgleerlingen behoort en scholen waar meer dan 20 procent van de examenleerlingen tot de zorggroep behoort. Voor met name mavo, havo en vwo geldt dat het slagingspercentage van zowel autochtonen als allochtonen afneemt naarmate het percentage zorgleerlingen dat examen doet hoger is. Bij de interpretatie van dit verschijnsel moet worden opgemerkt dat scholen met een hoog percentage zorgleerlingen vooral worden gevonden in de grote steden. De Onderwijsinspectie wijst dan ook in dit verband op de relatie tussen de problemen op school en die van de grote steden (Onderwijsverslag 1998).

Staat 7
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Percentages geslaagden naar aandeel zorgleerlingen in de examenklas, 1998
				Autochtonen	Zorgleerlingen	Overige allochtonen
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo	
0-10% zorgleerlingen		   95			86		92
Meer dan 10% zorgleerlingen	   94			86		91

Mavo		
0-10% zorgleerlingen		   96			88		92
Meer dan 10% zorgleerlingen	   93			79		85

Havo		
0-10% zorgleerlingen		   85			66		79
Meer dan 10% zorgleerlingen	   83			61		70

Vwo
0-10% zorgleerlingen  		   90		        70      	85
Meer dan 10% zorgleerlingen	   85			72		77
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Voor bijna alle schoolsoorten geldt dat het verschil in slagingspercentage tussen scholen met weinig en scholen met veel zorgleerlingen minder groot wordt, als rekening wordt gehouden met de locatie van de school. In staat 8 zijn voor de grote steden en de rest van Nederland de examenresultaten van autochtone leerlingen naar het aandeel zorgleerlingen met elkaar vergeleken. Het blijkt dat in de grote steden scholen met een gering percentage zorgleerlingen een lager slagingspercentage hebben voor hun autochtone leerlingen dan vergelijkbare scholen in de rest van Nederland. Vergeleken met staat 7 zijn de verschillen in het percentage geslaagden naar aandeel zorgleerlingen kleiner geworden.

Staat 8
------------------------------------------------------------------------------------------------
Percentages geslaagde autochtone leerlingen naar aandeel zorgleer-
lingen in de examenklas, 1998
				4 grote steden	Rest van Nederland
------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo	
0-10% zorgleerlingen			93		95
Meer dan 10% zorgleerlingen		93		95

Mavo		
0-10% zorgleerlingen			93		96
Meer dan 10% zorgleerlingen		91		94

Havo		
0-10% zorgleerlingen			80		85
Meer dan 10% zorgleerlingen		79		85

Vwo
0-10% zorgleerlingen			89		90
Meer dan 10% zorgleerlingen		83		86
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.

Technische toelichting

De cijfers in dit artikel voor het verslagjaar 1998 zijn gebaseerd op een gezamenlijk onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, de Informatie Beheer Groep (IB-groep) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. De IB-groep heeft een bestand met persoonsgegevens (waaronder het sofi-nummer) van 80 procent van deze leerlingen beschikbaar. Dit bestand is door het CBS gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie om het geboorteland van de leerlingen en hun ouders te bepalen. De examenresultaten naar etniciteit zijn gebaseerd op dit gekoppelde bestand, en dus op een deelpopulatie van alle examenkandidaten.

Vergeleken met de totale populatie examenkandidaten bevat de deelpopulatie relatief weinig vbo-leerlingen en veel havo- en vwo-leerlingen. Daarom is het bestand niet gebruikt voor de berekening van het slagingspercentage in het voortgezet onderwijs als geheel. Bovendien zijn allochtone leerlingen enigszins ondervertegenwoordigd, zodat per schoolsoort geen uitspraken gedaan kunnen worden over autochtonen en allochtonen tezamen. Het gekoppelde bestand is dus alleen gebruikt voor de berekening van slagingspercentages per schoolsoort per etnische groep.

Het voorbereidend beroepsonderwijs omvat in dit artikel ook het individueel voorbereidend beroepsonderwijs.


Terug naar Educatiehoek