Terug naar Educatiehoek
BRON: CBS, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken
Allochtone leerling presteert minder op examen
Allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs slagen gemiddeld minder vaak voor het eindexamen dan autochtone leerlingen. De verschillen zijn het grootst op de havo en het vwo. Zowel autochtone als allochtone leerlingen presteren beter bij het schoolonderzoek dan bij het centraal examen, maar vooral bij allochtone leerlingen is het verschil groot. Voor de scholen in de grote steden geldt dat de slagingspercentages van zowel autochtone als allochtone leerlingen lager zijn dan in de rest van Nederland. Opmerkelijk is dat op scholen met een hoog percentage "zorgleerlingen" zowel de autochtone als allochtone leerlingen minder goede examenresultaten hebben. Dit hangt deels samen met het feit dat deze scholen meer in de grote steden voorkomen.
Slagingspercentages laatste jaren weinig veranderd
In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. Het voortgezet onderwijs omvat de schoolsoorten mavo, havo, vwo en (individueel) voorbereidend beroepsonderwijs. In staat 1 is voor de verschillende schoolsoorten het percentage kandidaten vermeld dat slaagde voor het examen. Het percentage geslaagden in het mavo, havo en vbo is de laatste jaren ongeveer gelijk gebleven. Vergeleken met 1993 is het percentage bij het vwo licht toegenomen. De slagingspercentages zijn het hoogst bij het mavo en vbo en het laagst bij het havo.
Staat 1 Percentages geslaagden in het voortgezet onderwijs ------------------------------------------------------------------------------------------------ 1993 1994 1995 1996 1997 1998 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Vbo 92 92 92 91 93 93 Mavo 94 93 94 93 96 94 Havo 83 84 84 85 85 83 Vwo 85 88 87 88 89 89 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Bron: Inspectie van het Onderwijs.
Slagingspercentages zorgleerlingen het laagst
De examenresultaten voor 1998 kunnen verdeeld worden naar etniciteit van de deelnemers. In dit artikel is de volgende indeling van etniciteit gemaakt:
Binnen de groep allochtone leerlingen is een tweedeling gemaakt in:
Het vbo en mavo hebben relatief veel leerlingen die behoren tot de culturele minderheden (zoals door het Ministerie van OCenW gedefinieerd). In het hoogste leerjaar van het vbo behoort 11 procent van de leerlingen tot de groep cumi-leerlingen. In het mavo, havo en vwo zijn de percentages respectievelijk 7, 4 en 2.
De slagingspercentages verschillen aanzienlijk naar etniciteit. De resultaten van de groep zorgleerlingen zijn het laagst en de slagingspercentages van de autochtone leerlingen zijn het hoogst.
Staat 2 Percentages geslaagden naar etniciteit, 1998 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Autochtonen Zorgleerlingen Overige allochtonen ------------------------------------------------------------------------------------------------ Vbo 95 86 92 Mavo 96 82 90 Havo 85 64 77 Vwo 90 71 84 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Voor het vwo en havo zijn de verschillen tussen autochtone leerlingen en zorgleerlingen het grootst. Voor de mavo en het vbo zijn de verschillen minder groot. Dit hangt samen met het feit dat zorgleerlingen op de mavo en het vbo vaker een diploma behalen op een lager niveau.
Op het vbo kan op verschillende niveaus examen worden afgelegd. Voor de beroepsgerichte vakken zijn er A-, B- en C-examens. Voor de algemene vakken bestaan A-, B-, C- en ook nog D-examens. De letters A, B, C en D staan voor de zwaarte van een programma (A is het lichtst, D is het zwaarst). Bij een A- en B-programma bestaat het examen alleen uit een schoolonderzoek. Bij een C- en D-programma bestaat het examen voor de algemene vakken uit een schoolonderzoek en een centraal examen. De beroepsgerichte vakken worden alleen in het schoolonderzoek geëxamineerd, zonder landelijke normering. Een leerling met minimaal drie vakken op C- of D-niveau heeft meer doorstroommogelijkheden naar een vervolgopleiding. Van de autochtone leerlingen behaalt 48 procent een diploma met minimaal drie vakken op C/D-niveau. Voor de zorgleerlingen is dat percentage 37.
Op de mavo kan per vak op C- of D-niveau examen worden gedaan, maar er moeten minimaal drie vakken op D-niveau worden gedaan. Voor alle vakken moet een centraal examen worden afgelegd. Als een leerling minimaal zes vakken op D-niveau aflegt en slaagt, bestaat de mogelijkheid om door te stromen naar leerjaar 4 van de havo. Van de autochtone leerlingen slaagt 51 procent met alle vakken op D-niveau. Bij de zorgleerlingen slaagt slechts 40 procent met alle vakken op D-niveau.
Het is opmerkelijk dat op de mavo en het vbo de slagingspercentages van zorgleerlingen geboren in het buitenland iets hoger zijn dan die van zorgleerlingen geboren in Nederland. Voor de havo zijn de slagingspercentages van deze categorieën leerlingen gelijk.
Staat 3
Percentages geslaagde zorgleerlingen geboren in Nederland en in het buitenland
------------------------------------------------------------------------------------------------
Autochtonen Zorgleerlingen Zorgleerlingen
geboren in Nederland geboren in het buitenland
------------------------------------------------------------------------------------------------
Vbo 95 86 87
Mavo 96 81 83
Havo 85 64 64
Vwo 90 . .
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Resultaat centraal examen lager dan schoolonderzoek
Het eindexamen bestaat voor de mavo, havo en het vwo uit het schoolonderzoek (SO) en het centraal examen (CE). Leerlingen presteren bij het schoolonderzoek gemiddeld beter dan bij het centraal examen. Het gemiddelde cijfer voor het schoolonderzoek ligt bij alle schoolsoorten hoger dan het centraal examen. Bij de autochtone leerlingen is het gemiddelde SO-cijfer iets hoger dan het gemiddelde CE-cijfer, namelijk 0,1 à 0,2 punt. Bij de zorgleerlingen daarentegen ligt het SO-cijfer fors hoger dan het cijfer voor het centraal examen, namelijk 0,5 à 0,6 punt. Anders gezegd: bij het schoolonderzoek presteren zorgleerlingen gemiddeld bijna even goed als de autochtone leerlingen; bij het centrale examen zijn de verschillen tussen zorgleerlingen en autochtone leerlingen groter.
Staat 4 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Gemiddelde SO- en CE-cijfers, 1998 Autochtonen Zorgleerlingen Overige allochtonen ------------------------------------------------------------------------------------------------ Mavo-D SO 6,5 6,4 6,5 CE 6,4 5,8 6,2 Havo SO 6,4 6,2 6,3 CE 6,2 5,7 6,1 Vwo SO 6,7 6,4 6,6 CE 6,5 5,9 6,2 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Grote verschillen bij wiskunde
Voor de havo en het vwo zijn de resultaten voor het centraal examen uitgesplitst naar een drietal vakken: Nederlands, Engels en wiskunde A. Vooral bij wiskunde A is het verschil in prestatie tussen autochtone leerlingen en zorgleerlingen groot. Zowel voor de havo als voor het vwo is het gemiddelde cijfer voor het centraal examen van zorgleerlingen 0,8 punt lager.
Overigens behalen de leerlingen uit de groep "overige allochtonen" gemiddeld een hoger cijfer voor Engels dan de autochtone leerlingen.
Staat 5
------------------------------------------------------------------------------------------------
Gemiddelde cijfers centraal examen voor een aantal vakken, 1998
Autochtonen Zorgleerlingen Overige allochtonen
------------------------------------------------------------------------------------------------
Havo Nederlands 6,2 5,7 6,1
Havo Engels 6,5 5,9 6,6
Havo Wiskunde A 6,8 6,0 6,3
Vwo Nederlands 6,8 6,2 6,6
Vwo Engels 6,3 5,8 6,5
Vwo Wiskunde A 6,4 5,6 6,1
------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Minder goede resultaten in grote steden
Relatief veel zorgleerlingen gaan naar school in de grote steden. Van alle examenkandidaten in het voortgezet onderwijs gaat ruim één op de tien naar school in een van de grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag). Van de zorgleerlingen in de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs gaan maar liefst vier op de tien naar school in deze vier grote gemeenten.
De gemiddelde slagingspercentages in de vier grote steden zijn voor alle schoolsoorten lager dan in de rest van Nederland. Dit geldt zowel voor de autochtone leerlingen als voor de allochtone leerlingen. Bij het havo zijn de verschillen tussen de grote steden en de rest van Nederland het grootst, bij het vbo het kleinst.
Staat 6 ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ Percentages geslaagden vier grote steden versus rest van Nederland, 1998 Autochtonen Zorgleerlingen Overige allochtonen ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ Vbo vier grote steden 93 87 90 rest van Nederland 95 86 92 Mavo vier grote steden 92 78 82 rest van Nederland 96 84 92 Havo vier grote steden 80 61 68 rest van Nederland 85 66 80 Vwo vier grote steden 88 68 79 rest van Nederland 90 73 85 ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Verschillen tussen scholen
Er zijn scholen waar geen enkele leerling in de examenklas tot de zorgleerlingen behoort en scholen waar meer dan 20 procent van de examenleerlingen tot de zorggroep behoort. Voor met name mavo, havo en vwo geldt dat het slagingspercentage van zowel autochtonen als allochtonen afneemt naarmate het percentage zorgleerlingen dat examen doet hoger is. Bij de interpretatie van dit verschijnsel moet worden opgemerkt dat scholen met een hoog percentage zorgleerlingen vooral worden gevonden in de grote steden. De Onderwijsinspectie wijst dan ook in dit verband op de relatie tussen de problemen op school en die van de grote steden (Onderwijsverslag 1998).
Staat 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Percentages geslaagden naar aandeel zorgleerlingen in de examenklas, 1998 Autochtonen Zorgleerlingen Overige allochtonen -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Vbo 0-10% zorgleerlingen 95 86 92 Meer dan 10% zorgleerlingen 94 86 91 Mavo 0-10% zorgleerlingen 96 88 92 Meer dan 10% zorgleerlingen 93 79 85 Havo 0-10% zorgleerlingen 85 66 79 Meer dan 10% zorgleerlingen 83 61 70 Vwo 0-10% zorgleerlingen 90 70 85 Meer dan 10% zorgleerlingen 85 72 77 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Voor bijna alle schoolsoorten geldt dat het verschil in slagingspercentage tussen scholen met weinig en scholen met veel zorgleerlingen minder groot wordt, als rekening wordt gehouden met de locatie van de school. In staat 8 zijn voor de grote steden en de rest van Nederland de examenresultaten van autochtone leerlingen naar het aandeel zorgleerlingen met elkaar vergeleken. Het blijkt dat in de grote steden scholen met een gering percentage zorgleerlingen een lager slagingspercentage hebben voor hun autochtone leerlingen dan vergelijkbare scholen in de rest van Nederland. Vergeleken met staat 7 zijn de verschillen in het percentage geslaagden naar aandeel zorgleerlingen kleiner geworden.
Staat 8 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Percentages geslaagde autochtone leerlingen naar aandeel zorgleer- lingen in de examenklas, 1998 4 grote steden Rest van Nederland ------------------------------------------------------------------------------------------------ Vbo 0-10% zorgleerlingen 93 95 Meer dan 10% zorgleerlingen 93 95 Mavo 0-10% zorgleerlingen 93 96 Meer dan 10% zorgleerlingen 91 94 Havo 0-10% zorgleerlingen 80 85 Meer dan 10% zorgleerlingen 79 85 Vwo 0-10% zorgleerlingen 89 90 Meer dan 10% zorgleerlingen 83 86 ------------------------------------------------------------------------------------------------ Bron: Inspectie van het Onderwijs, CBS, IB-groep.
Technische toelichting
De cijfers in dit artikel voor het verslagjaar 1998 zijn gebaseerd op een gezamenlijk onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, de Informatie Beheer Groep (IB-groep) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. De IB-groep heeft een bestand met persoonsgegevens (waaronder het sofi-nummer) van 80 procent van deze leerlingen beschikbaar. Dit bestand is door het CBS gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie om het geboorteland van de leerlingen en hun ouders te bepalen. De examenresultaten naar etniciteit zijn gebaseerd op dit gekoppelde bestand, en dus op een deelpopulatie van alle examenkandidaten.
Vergeleken met de totale populatie examenkandidaten bevat de deelpopulatie relatief weinig vbo-leerlingen en veel havo- en vwo-leerlingen. Daarom is het bestand niet gebruikt voor de berekening van het slagingspercentage in het voortgezet onderwijs als geheel. Bovendien zijn allochtone leerlingen enigszins ondervertegenwoordigd, zodat per schoolsoort geen uitspraken gedaan kunnen worden over autochtonen en allochtonen tezamen. Het gekoppelde bestand is dus alleen gebruikt voor de berekening van slagingspercentages per schoolsoort per etnische groep.
Het voorbereidend beroepsonderwijs omvat in dit artikel ook het individueel voorbereidend beroepsonderwijs.