Terug naar Vakkenhoek: Nederlands
Home Page: www.wjsn.nl


KAREL ENDE ELEGAST
BRON: Literama, K.J. Van der Kerk en H.A. Poolland, Uitgeverij Van Walraven, Vaassen
Volledige tekst

In deze Frankische ridderroman wordt ons verhaald hoe koning Karel ontkomt aan de dood, doordat hij als het ware bij toeval te weten komt dat men een aanslag op zijn leven heeft voorbereid. In feite is het de gehoorzaamheid aan God, die hem het verradersplan laat ontdekken.

In de nacht voor de hofdag wordt Karel gewekt door de stem van een engel, die hem - door God daartoe gezonden - aanmaant te gaan stelen. Tot driemaal toe (vergelijk de parallel bij Beatrijs: driemaal duidt op goddelijke macht) moet de engel het bevel herhalen voor Karel gevolg geeft aan dit raadselachtig advies. Als hij, in harnas gestoken, uitgaat, blijken de wachters te slapen, waardoor hij onopgemerkt de burcht, die te Ingelheim aan de Rijn staat, kan verlaten.

Al rijdende, overdenkt Karel hoe hij stelen moet en tevens waar. Voor zijn geestesoog doemt een vroegere leemnan, Elegast genaamd, op. Deze is verbannen van het hof om een kleinigheid en leeft nu als rover. Elegast zal hem zeker van raad kunnen dienen. Bovendien steelt Elegast niet bij armen. Karel wordt uit zijn overpeinzingen opgeschrikt, als hem een zwarte ridder voorbij rijdt.

Er ontstaat een gevecht, want noch de een noch de ander wil zich bekend maken.

Karel weet Elegast te overwinnen, waarop de laatste zich bekend maakt. Ook Karel maakt zich nu bekend, echter hij noemt zich Adelbrecht. Ze besluiten samen op roof te gaan. Elegast stelt voor bij Eggeric van Eggermonde, een zwager van Karel, te gaan stelen. Dit stuit eerst op bezwaren van Karels kant, maar het plan gaat door.

Als ze bij het kasteel zijn aangekomen, wordt de onhandigheid van Karel als rover komisch getekend : hij wil een gevonden ploegijzer als breekijzer gebruiken. Elegast, die toverkruid heeft ingenomen waardoor hij de taal der dieren verstaat, verneemt aldus dat de koning in de buurt is.

Elegast sluipt daarna het kasteel binnen en bereikt zelfs de slaapkamer van Eggeric en zijn gemalin, die wakker geworden zijn door de bellen van een zadel, dat Elegast wil stelen. Elegast verbergt zich onder bet bed en hoort hoe Eggeric, onrustig al slapend v66r die tijd, aan zijn vrouw vertelt dat de volgende dag haar broer, koning Karel, vermoord zal worden. Als zij protesteert, slaat Eggeric haar op het gelaat; Elegast toont het bewijs daarvan aan Karel: hij heeft het bloed opgevangen in zijn rechter handschoen.

Door een bede weet Elegast de echtgenoten in een vaste slaap te doen geraken. Karel begrijpt, als hij het relaas van Elegast heeft aangehoord, waarom hij door God is uitgestuurd. Zij scheiden daarop: Karel zal de koning waarschuwen, want de verbannen Elegast - die zijn metgezel nog steeds niet kent - kan dat niet doen.

Door deze nachtelijke tocht blijkt aan Karel de trouw van Elegast ondanks alles, waartegen de ontrouw van Eggeric schril afsteekt.

De volgende dag worden, als alle mannen van Eggeric binnen zijn, de verraders ontmaskerd: onder hun kleding bevinden zich vele wapens. Ontkennen helpt absoluut niet. Eggeric, die alle schuld ontkent, krijgt gelegenheid om zich te verdedigen tegen de inmiddels ontboden Elegast. Aanvankelijk weigert Eggeric, maar Elegast weet hem keurig te antwoorden als hij zegt : "Ik ben hertog als gij." Het tweegevecht dat nu volgt, wordt door Elegast gewonnen. Het bewijs dat Eggeric schuldig is, wordt hiermee geleverd.

Elegast wordt in eer hersteld en krijgt de vrouw van Eggeric - nu weduwe - toegewezen:
"Die coninc gaffem Eggerics wijf
Sie waren tsamen al haer lijf."

Opmerkingen:
Gebruik is gemaakt van de tekst, uitgegeven door J. Bergsma in Klassiek Letterkundig Pantheon, Zutphen, W.J. Thieme en Cie, 1911. In Malmbergs Nederlandse Schoolbibliotheek verscheen een tekstuitgave, geannoteerd door Esther Hagers.
De naam Elegast wordt wel verklaard als heer der elven. Elegast bezit een aantal bovennatuurlijke krachten. De dichter is onbekend; wel kan men nagaan dat deze ridderroman van Vlaamse herkomst is.