Organisaties: de Effectieve school en de Affectieve School
Sinds de onderzoeken van Coleman et al. (1966) en Jencks et al. (1972) zijn diverse onderzoekers op zoek gegaan naar de effectieve school en naar de factoren, die verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit.
Scheerens (1989) geeft een samenvattend overzicht weer van de genoemde en andere in dit kader relevante onderzoeken naar effectieve scholen. Het blijken vooral de onderstaande vijf factoren te zijn, die door diverse onderzoekers gekoppeld worden aan het al dan niet effectief zijn van scholen. Het zijn deze vijf factoren, die in de literatuur bekend staan als het "vijf factoren model van schooleffectiviteit", aldus Scheerens.
In het artikel De affectieve school (Jansen Heijtmajer, 1992) werd een aantal factoren vermeld, dat typerend is (= als typerend worden gezien) voor de affectieve school , zoals de onderstaande. Bekijk desgewenst ook het eenvoudige model ofwel het uitgebreide model van de "Affectieve School".
Zowel de effectieve als de affectieve school kan men typeren op basis van het werk van Parsons (1951), die de volgende tweedelingen maakt: affectiviteit versus neutraliteit en kwaliteit versus prestatie.
De affectieve school kenmerkt zich door de affectiviteit en kwaliteit en de
effectieve school door neutraliteit en prestatie. De tweedeling van Etzioni in
Normatieve Organisatie en Utilitaire Organisatie komt hiermee min of meer overeen. Scholen hebben verder netals andere organisaties een aantal functies. Volgens Parsons (1951; zie ook Parsons et al., 1953) gaat het om de volgende vijf:
De affectieve school is gelet op voorgaande een doelgroepgerichte organisatie,
die niet gekenmerkt wordt door een 'sterk schoolleiderschap' maar door een homogeen schoolteam.
Alle vijf functies van Parsons zijn hier van toepassing.
De effectieve school in het vijf
factoren model is gelet op voorgaande vooral een doelgerichte organisatie (punt 5): hoge
verwachtingen en prestatiegerichtheid, accent op basisvaardigheden, frequente evaluatie met
enige aandacht voor ordelijke (onderlinge) samenwerking (punt 4): een ordelijk en veilig
klimaat.
De punten 1, 2 en 3 ontbreken in het model, hoewel hiervoor naar de schoolleider
verwezen zou kunnen worden. Een 'sterke schoolleider' heeft echter - zeker in het openbare
onderwijs - beperkte 'middelen' voor het doelbewust en gericht (normatief) binden van de
leerkrachten (punt 2). Punt 1 en 3 behoeft voor een werkelijk effectieve school geen
aandachtspunt te zijn. Dat kan het echter voor bepaalde scholen wel het geval zijn. Zo wordt
punt 1 sterk benadrukt door onder meer de zgn. "magneetscholen".
GERAADPLEEGDE LITERATUUR