St@tistiek met de snelheid van een gedachte.
Het digitale geheugen van Organisaties
Inleiding
Vanuit de gedachte om het intranet bij de processen te betrekken hierbij een notitie over een mogelijke start daarvan. Het plan op hoofdlijnen voor de reorganisatie van het CBS beschrijft zowel de nieuwe topstructuur als een nieuwe organisatie voor de statistische processen. Dit houdt een reshuffeling van de bestaande processen in, een mooi moment om de documentatie, de meta-informatie en kennis die daarbij horen, gestructureerd, digitaal vast te leggen. Dit zou de eerste stap kunnen vormen voor het creëren van een digitaal geheugen van het CBS en uiteindelijk het opzetten van een digitaal zenuwstelsel.
Bij de diagnose daarvan met betrekking tot kennismanagement, moeten er volgens Bill Gates in zijn boek Z@kendoen met de snelheid van een gedachte, de volgende vragen worden gesteld:
Het antwoord op de eerste vraag kan gedeeltelijk 'ja' zijn, want er staat al veel informatie op het CBS Web. Maar dit omvat nog niet alle kennis die binnen onze organisatie is opgebouwd. Veel daarvan staat nog alleen op papier of in decentraal te benaderen bestanden. Dit is niet altijd vanuit de 'Kennis is macht'-gedachte zo gekomen, maar veelal vanwege het ontbreken van de noodzaak om de informatie voor iedereen toegankelijk te maken.
De lessen die er in het kader van kennismanagement uit het hoofdstuk 'Laat mensen voortaan denkwerk doen' van deel III van eerdergenoemd boek 'Kennismanagement ter verbetering van strategisch denken' kunnen worden geleerd, zijn de volgende:
Ook daarbij zou er stap voor stap tewerk kunnen worden gegaan door de eerste les in de praktijk te gaan brengen en een speciaal project op te zetten dat tot doel heeft een cultuur van kennisdeling te gaan scheppen. Hierbinnen zou het uitbouwen van het intranet tot digitale opslagplaats van opgebouwde kennis ook moeten plaatsvinden. Tezamen vormt dat een goed uitgangspunt voor het aanleggen van een digitaal zenuwstelsel.
Het intranet als digitale opslagplaats van opgebouwde kennis.
Bij het uitbouwen van de reeds via het intranet beschikbare kennis kan meteen rekening worden gehouden met de organisatiestructuur zoals die in het plan op hoofdlijnen wordt gepresenteerd. Ik zou er dan alleen voor willen pleiten een functionele ingang te kiezen in plaats van een organisatorische. Wat ik daarmee bedoel is dat er vanaf het beginscherm van het CBS Web gekozen moet worden voor bijvoorbeeld 'Registers' en dat op het volgende scherm pas de uitsplitsing naar 'Registers Bedrijven' en 'Registers Personen' moet worden gemaakt. Het zou er dan zo kunnen uitzien:
Registers
Enquêtering
Statistische Analyse
Ondersteuning en Ontwikkeling
Nationale Rekeningen
Informatievoorziening
Programmering
Los van de uiteindelijke invulling van de nieuwe sectoren kan de historische informatie per statistiek worden vastgelegd. Dat zou de volgende onderdelen moeten bevatten:
De gegevens verzamelen
Daarbij is het van belang dat bij de bron alles in digitale vorm wordt vastgelegd. Dit kan een hele reeks gunstige gevolgen hebben en nieuwe mogelijkheden opleveren. Onder andere voor het bedrijven van kennismanagement bij het verzamelen en ordenen van informatie, het verspreiden ervan en het continu verfijnen door analyse en samenwerking. Het beheren van de informatiestroom en ervoor zorgen dat de informatie de juiste mensen bereikt is een middel om een doel te bereiken, niet het doel zelf. Dat is het het verhogen van de institutionele intelligentie of bedrijfs-IQ. Een maatstaf voor het gemak waarmee een bedrijf op grote schaal informatie kan delen, en voor de mate waarin mensen binnen een organisatie op elkaars ideeën kunnen voortborduren en van ervaringen uit het verleden kunnen leren.
Voor zover informatie reeds in digitale vorm aanwezig is, maar nog niet via het intranet te bereiken, is het een kwestie van het op een centrale plek verzamelen en alsnog bereikbaar maken. Dat zal veelal in tekstbestanden zijn of spreadsheets. Het in die vorm laten staan levert het minste werk op, maar bemoeilijkt het onderling met elkaar in verband brengen via hyperlinks. Deze vormen in eerste instantie toch de digitale geheugensteuntjes voor de organisatie. Maar het toegankelijk maken van de bestanden is al een stap vooruit, dus kan daarmee volstaan worden. In een latere fase kan er capaciteit worden gestoken in het omzetten naar HTML-bestanden en het leggen van de hyperlinks.
Blijkt de informatie alleen op papier aanwezig te zijn, dan levert dat een groter probleem op. Door middel van scannen wordt niet de optimale digitale vorm bereikt zonder dat daarbij allerlei handmatige correcties aan te pas komen. Dat is met de huidige centraal beschikbare scan-software het geval, maar er zijn waarschijnlijke betere pakketten voor Optical Character Recognition in de handel die het aantal correcties verkleinen. Daar zou in geïnvesteerd kunnen worden.
Voor het opslaan van het uiteindelijke resultaat aan beschikbare informatie over de lopende statistiekprocessen is natuurlijk ook een medium nodig. Te denken valt daarbij aan een speciale server, los van de huidige intranet-server, waarop de documentatie wordt opgebouwd. Een speciale documentatieserver dus, waarbij veel van de nu op het intranet beschikbare informatie in aanmerking komt om daarheen gekopieerd te worden. Het lijkt aan te raden om daar in eerste instantie van uit te gaan, in plaats van op de huidige intranetserver uitbouwen van informatie. Het feit dat er voor een andere structurering moet worden gekozen is daarvoor nog een extra argument. Verder moet het voldoen aan de huidige hard- en software-eisen. Daarvoor is het nuttig om te inventariseren hoe bedrijven, die reeds een digitaal zenuwstelsel hebben opgebouwd, dat hebben aangepakt. Een logische keuze zou zijn om daarover informatie van Boeing te vragen, dat waarschijnlijk het grootste intranet van de VS heeft.
Het Boeing-intranet
Boeings waagstuk van de jaren negentig was de 777, het eerste in een volgende generatie passagiersvliegtuigen. Daarbij speelde een grootschalig kennisprobleem, waardoor digitaal groepswerken noodzakelijk was. Hiervoor werd zelfs een nieuwe glasvezelkabel dwars door de Stille Oceaan naar Japan gelegd om het electronisch verkeer te kunnen verwerken. Er was voldoende pionierswerk voor nodig om het als groot risico aan te merken, maar de mogelijkheid dat men beloond zou worden, was net zo groot.
De belangrijkste doelstelling in het project was het aantal fouten, de hoeveelheid werk die overgedaan moest worden en het aantal veranderingen met vijftig procent te verminderen. Er werd gebruik gemaakt van een digitaal model waarbij tijdens het maken ervan tienduizend punten werden opgespoord waar de onderdelen niet goed op elkaar aansloten en de problemen konden worden opgelost voordat de productie in gang werd gezet. Zonder dat digitale model zouden die fouten pas bij de fabricage ontdekt zijn, dat kostte bij de laatste fase van de bouw van een vorig type passagiersvliegtuig, de 747, vijf miljoen dollar per dag. Bij de 777 had het bedrijf die kosten niet.
De stroom van digitale informatie veranderde de samenwerking tussen Boeing en de Japanse toeleveranciers. Het electronisch groepswerken herdefinieerde de rol van de partners en stroomlijnde het proces voor alle betrokkenen. Het gebruik van digitale processen bij het ontwerp van de 777 pakte goed uit, maar het ontwerp is maar twintig procent van het werk dat er bij de bouw van een complex modern vliegtuig komt kijken. Er was slechts een begin gemaakt met het gebruik van digitale informatie. De volgende stap was het aanpakken van de overige tachtig procent, de productieprocessen die al zo oud waren als de B-17, de bommenwerper die in de Tweede Wereldoorlog beroemd is geworden. Dit productiesysteem bestond uit ten minste duizend op maat gemaakte, met elkaar verweven computersystemen - waarvan sommige uit 1959 stamden - waarbij, aldus woordvoerders van het bedrijf, van 'elke denkbare computertaal' weleens gebruik was gemaakt.
De opdracht waar Boeing voor stond - steeds betere vliegtuigen ontwerpen en tegelijkertijd productiekosten verminderen - kon alleen worden volbracht door nieuwe processen en nieuwe manieren voor het gebruik van informatietechnologie te introduceren, door van het begin tot eind de web-werkstijl aan te nemen. Met digitale hulpmiddelen kan op veel gecompliceerde vragen een antwoord worden gevonden. Door de juiste vragen te stellen kan een discussie daarover op gang worden gebracht. De gehele productieketen wordt door een nieuw digitaal proces aangestuurd, in plaats van allemaal onafhankelijke systemen is er nu één systeem.
Wat het project van Boeing zo uniek maakt, is de grootschaligheid van het proces van denkwerk en fabricage dat gedigitaliseerd wordt. Naast het feit dat digitale gegevens van begin tot eind worden geïntegreerd. Het advies dat algemeen directeur Phil Conduit aan andere fabrikanten geeft die voor de vraag staan hoe en wanneer men op digitale systemen moet overstappen is: Als u ervoor kiest digitaal te gaan, doe dan geen half werk. Het in stand houden van het oude papieren systeem naast het nieuwe digitale systeem zal tot niet-productieve inspanningen en kosten leiden. Je krijgt de mensen niet mee en ze zullen het oude systeem blijven gebruiken. Het beste is om iedereen zijn oude vertrouwde zekerheden te ontnemen en helemaal voor het nieuwe systeem te gaan.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: blauwdruk noodzakelijk
Voor het ontwikkelen van een digitaal zenuwstelsel is een blauwdruk noodzakelijk. In de natuur wordt in zo'n blauwdruk voorzien door DNA, dat cellen instrueert hoe ze moet functioneren in harmonie met de andere te blijven. Microsoft-producten worden ontwikkeld op basis van een blauwdruk die voorziet in een enkel programmeermodel voor de toekomst. De Windows Distributed InterNet Architecture (DNA) bestaat uit vier onderdelen:
Windows DNA maakt het mogelijk om bestaande applicaties mee te verhuizen naar een gedistribueerde wereld. Klanten kunnen waarde aan hun bestaande verticaal geïntegreerde oplossingen toevoegen en tegelijkertijd profiteren van het horizontaal geïntegreerde pc-platform.
Als de blauwdruk er eenmaal is, moeten programma's met een 'drielaags architectuur' worden ontworpen. Dat houdt in dat de programmalogica in drie klassen wordt onderverdeeld:
Zo wordt de applicatiefunctionaliteit logisch over zo veel machines verdeeld als nodig zijn en kunnen in verschillende lagen wijzigingen worden aangebracht zonder dat dit op de andere lagen effect heeft.
Als voorbeeld wordt het Trusted Global Advisor-systeem van Merrill Lynch & Company genoemd, een bedrijf dat financiële dienstverlening verzorgt. Dit systeem omvat een infrastructuur voor telecommunicatie, opgewaardeerde pc-hardware en -software en een faciliteit voor de electronische invoer van marktgegevens. De gebruikersinterface is ingesteld op het gelijktijdig gebruik van meerdere applicaties. Het systeem volgt wat een financieel consulent doet en registreert waarvoor hij bijzondere belangstelling heeft. Net als een goede assistent voert het regelmatig terugkerende taken uit zonder dat daarvoor opdracht hoeft te worden gegeven.
Door Microsoft Office, Outlook, Windows Media Player en andere obkect-georiënteerde applicaties te gebruiken is één interface gecreëerd die er op de presentatielaagniveau, het bureaublad, uitziet alsof het een enkele geïntegreerde, speciaal ontworpen applicatie is. De gegevens voor een groot aantal van ongeveer vijftig applicaties komen uit een bestaande back-end-gegevenslaag, waarin databases zijn ondergebracht zoals een Microsoft SQL-server en een DB2 van IBM op Windows, en een CICS en een DB2 op mainframes. Microsoft Transaction Server en Message Queue draaien op applicatieserver in de middelste laag, die COM-componenten gebruikt voor de beschrijving van de business logic en de coördinatie van de informatiestroom vanuit de vele back-ends. Zulke softwaresystemen kunnen wel veertig tot vijftig procent van de code overbodig maken die ontwikkelaars anders zouden moeten schrijven om gedistribueerde applicaties te creëren met alle complexe coördinatie- en beveiligingskwesties die daarmee gepaard gaan. De componenten zijn geschreven in een aantal verschillende talen, waaronder Visual Basic, Visual C++ en Java.
Door COM wordt een mainframe-gebaseerde 3270-applicatie, zoals de orderinvoer, gewoon een bestandsmap op het bureaublad, en alle Web-applicaties, nu en in de toekomst, werken met de shell. Gebruikers zullen nooit hoeven merken wat de bron van de applicatie is - Web, lokale machine, client/server of mainframe - of dat de applicatie wordt opgewaardeerd. Nieuwe functionaliteit en nieuwe applicaties verschijnen gewoon op het bureaublad.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: een raamwerk voor oplossingen
Behalve een blauwdruk is ook een duidelijk raamwerk noodzakelijk voor de organisatie en implementatie van de computerhardware en het netwerk, de bouw of aankoop van applicaties en het dagelijks gebruik van het systeem. In Microsoft Solutions Framework wordt beschreven hoe dit het beste kan worden gedaan, dit is een reeks richtlijnen die voortkomt uit de ervaring die Microsoft Consulting Services bij een groot aantal zakelijke afnemers heeft opgedaan.
Bij de keuze voor de hardware zijn er twee typen client-hardware:
Een taakwerker is een werknemer met eentonig werk en weinig zelfstandigheid. Een kenniswerker heeft als basistaak het analyseren en bewerken van informatie.
Het is echter niet langer noodzakelijk tussen deze twee benaderingen te kiezen. De huidige pc-technologie koppelt een hoge mate van centraal beheer aan de flexibiliteit die nodig is voor de nieuwe digitale infrastructuur. De pc kan zowel als terminal gebruikt worden, voor het zoeken naar gegevens, als de functionaliteit hebben om kenniswerk te verrichten. Routineklussen hoeven niet meer uitgevoerd te worden omdat het Web klantenondersteuning op basis van zelfbediening mogelijk maakt. Dit vereist communicatie via interactieve audio en video, waarbij voor de samenwerking tussen klant en informatiemedewerker beiden over een krachtige pc moeten beschikken.
Pc's moeten gemakkelijk te beheren zijn, Office 2000 en Windows 2000 bieden de mogelijkheid om vanuit een centrale locatie computers voor eindgebruikers flexibel te configureren. Applicaties kunnen op de eigen machine of op een server draaien. In het laatste geval hoeft er maar heel weinig code te worden gedownload, voor functies die niet vaak worden gebruikt kan dat op het moment dat ze nodig zijn automatisch gebeuren. Kapotte onderdelen van applicaties worden automatisch gerepareerd en pc's herconfigureren zich afhankelijk van degene die het apparaat gebruikt. Informatie over gebruikers, applicaties en andere zaken worden in een centrale directory opgeslagen.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: servers
Via middleware kunnen verschillende systemen met elkaar samenwerken. Deze brengt echter wel kosten en complexiteit met zich mee. Pc-gebaseerde servers ondersteunen duizenden gebruikers maar hebben negentig procent van de hardware met een desktopcomputer gemeen en de software is volledig compatibel. Hierdoor kan een uniforme architectuur voor gedistribueerde gegevensverwerking worden ontworpen - applicaties of delen van applicaties kunnen van een willekeurig apparaat op elk ander apparaat worden overgezet. Kenniswerkers kunnen gemakkelijk op bestaande back-end-gegevenssystemen worden aangesloten. Een interoperabiliteitslaag die op tientallen servers draait verbindt clienst met de gegevenslaag. Wat belangrijk is, is dat bedrijven gegevens met het pc-netwerk kunnen integreren, dus de analyse daarvan op een pc kan plaatsvinden.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: de ontwikkelingsfasen
De invoering van een digitaal zenuwstelsel kent drie fasen:
Een voorbeeld daarvan is de manier waarop McDonald's zijn digitale zenuwstelsel heeft ontwikkeld. Daar stapte men op een gegeven moment over op een enkele architectuur met desktop-standaard, standaard netwerkdiensten en informatiedeling via een web-systeem. De systemen voor operationele activiteiten gebruiken dezelfde architectuur als de kennismanagementsystemen.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: beslissen wat te kopen
Standaardisering op Microsoft Office in combinatie met een standaard desktop en standaard productiviteitssoftware - spreadsheets, presentaties, tekstdocumenten, databases - levert het basisgereedschap voor kenniswerkers op dat zij nodig hebben. Als de bedrijfsapplicaties op een centraal platform draaien hoeft de centrale IT-afdeling niet nauw betrokken te zijn bij het besluitvormingsproces voor afzonderlijke bedrijfseenheden.
Een digitaal zenuwstelsel ontwikkelen: beslissen wat te bouwen
Het is beter met commerciële software te beginnen en die op de specifieke behoeften aan te passen, dan vanuit het niets een maatwerk-applicatie te bouwen. Een drielaags architecturale blauwdruk gecombineerd met commerciële software met componentenbenadering maakt maatwerkaanpassingen veel beter mogelijk. Het feit dat Windows DNA in alle Windows-systemen alomtegenwoordig is, maakt het voor software-ontwikkelaars erg aantrekkelijk.
Het integreren van spraak en video met computerapplicaties wordt daardoor ook mogelijk. Fysieke spraak- en gegevensnetwerken zouden in elkaar op kunnen gaan. De standaards voor integratie zullen Internet-gebaseerd zijn. Dit vraagt echter wel een enorme infrastructurele investering, maar is zeker het overwegen waard.
Diagnose van uw digitale zenuwstelsel
Fasering opbouw digitaal geheugen
Zoals reeds eerder genoemd is het noodzakelijk dat alle documentatie, meta-informatie en relevante achtergrondinformatie in digitale vorm beschikbaar is. De kennis daarover in een productiegroep is aanwezig bij de projectmanager statistiek of de projectleider. Deze zou er verantwoordelijk voor moeten worden gesteld dat de benodigde bestanden in een centraal bereikbare directory worden klaar gezet. En als de informatie niet digitaal aanwezig is, ervoor te zorgen dat dit alsnog gebeurt.
Uitgangspunt daarbij moet zijn dat het betreffende productieproces door een buitenstaander aan de hand van de informatie in zijn geheel herhaald kan worden. De invoerbestanden hoeven niet aanwezig te zijn, maar de gebruikte setups of programmatuur wel. In een later stadium kan alsnog besloten worden de input erbij te plaatsen, zodat door het uitvoeren van de setups (Manipula, SPSS e.d.) en het draaien van de programma's daadwerkelijk het productieproces herhaald kan worden.
Wat de throughput betreft zal dat natuurlijk niet mogelijk zijn, maar als de uiteindelijke, gaafgemaakte microbestanden bewaard worden kan door herhalen van de input-procedure, met behulp van recordvergelijking geconstateerd worden welke correcties er hebben plaats gevonden. Het 'vuile', onbewerkte bestand wordt daarbij vergeleken met het 'schone', gaafgemaakte bestand. Deze actie zal pas in tweede instantie kunnen plaatsvinden, als eerst de documentatie en meta-informatie is zeker gesteld.
Het lijkt misschien wat omslachtig om op deze wijze tewerk te gaan, maar het lijkt mij in deze fase een zinnige investering in de toekomst. Zeker gezien de mogelijke ingrijpende veranderingen die de statistische processen zullen ondergaan. Daarvoor geldt natuurlijk dat gedurende het proces de documentatie en meta-informatie op deze wijze worden opgeslagen. Meteen na het afsluiten van een verslagjaar moet het daarbij mogelijk zijn het proces, indien noodzakelijk, te herhalen.
Toegankelijk maken digitaal geheugen
Het is natuurlijk al een hele verbetering als alle informatie betreffende alle statistische processen op een algemeen toegankelijke locatie staan. Voor een goede werking van het digitaal geheugen is het ook wenselijk dat het verband ertussen wordt gelegd. De intranetachtige omgeving waarbinnen de opslag zou moeten plaatsvinden, geeft ook de bijbehorende functionaliteit. Met name het leggen van hyperlinks en het via indexpagina's toegankelijk maken levert de nodige toegevoegde waarde. Helemaal ideaal zou het zijn als alles naar HTML-bestanden zou worden geconverteerd en van bookmarks zou worden voorzien.
De vraag daarbij is of dat centraal of (gedeeltelijk) decentraal zou moeten gebeuren. In het geval dat het centraal moet gebeuren is het in het leven roepen van een documentatie-webmaster een vereiste. Deze zou, in overleg met de desbetreffende projectmanagers en/of projectleiders, een website per statistisch proces moeten maken. Bij (gedeeltelijk) decentraal uitvoeren hiervan moeten de projectmanagers/-leiders dit zelf doen.
In beide gevallen moet er sprake zijn van de benodigde opleiding om op de meeste effectieve wijze het documentatie-web te kunnen opbouwen. Te denken valt daarbij aan (delen van) het Microsoft Certified System Engineer. Bij het zoeken op Internet van de informatie daarover stuitte ik op een gratis seminar Knowledge Management, waar ik me natuurlijk meteen voor heb opgegeven. Mogelijk dat daarbij duidelijk wordt welke examens voor Microsoft Certified Professional voor het opzetten van een doelmatige intranet-site nodig zijn. De oplossingen die er gezocht worden zijn natuurlijk niet uniek en het heeft geen zin een wiel uit te vinden wat er al is.
Conclusie en aanbevelingen.