Terug naar Vakkenhoek: Nederlands
Home Page: www.wjsn.nl


Aquarium

In schem’rig groen stukje van de oceaan
Zweeft als een schim het zeedier, transparant:
Zichzelf vergetend, ziet door glazen wand
De mensengeest ’t ontzaglijk wonder aan,

Hoe ‘tzieltje, dat in elk trillend orgaan,
Teer van doorschijnendheid, onzichtbaar brandt,
’t vreemd glazen vogeltje zijn fijn als kant
geweven vleugeltjes golvend doet slaan.

Zoo drijft mijn vers in mij, zelf deel van God;
En iets, dat met verstand en weten spot,
Verbergt zich in kunst’ge doorschijnendheid;

En wie het leest, voelt, voor een ogenblik
Verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik
Trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.

J.A. Dèr Mouw

Dit gedicht (sonnet) "aquarium" is een grote metafoor. In het sonnet wordt in de eerste twee kwatrijnen verteld wat de dichter door de glazen wand van het aquarium ziet.

In dit eerste deel van het sonnet staat dat het kleine aquarium een deel is van de grote oceaan. De mensengeest is een metonymia, het staat voor de dichter die naar die vis aan het kijken is. Die vis die is doorschijnend en door hem heen zie je hoe zijn organen in hem "branden".

Let op het signaalwoord "Zoo", zoals die organen in die vis zitten, zo zit dat gedicht in de dichter. En zoals het aquarium een deel is van de oceaan zo is de dichter ook een deel van iets groters, "deel van God". Hieruit kun je de visie van de dichter op de dichtkunst afleiden: het is verheven, eeuwig en onsterfelijk.

Voor de volta (chute, wending) na het octaaf wordt de buitenwereld beschreven, na de volta wordt de binnenwereld van de dichter beschreven.