Terug naar: Vakkenhoek en Talen

Kortlandt - NRC
Datum: 21-06-1997 - Sectie: Wetenschap en Onderwijs
Alle talen van de wereld; Vergelijkende taalwetenschap worstelt met betekenissen
Dirk van Delft - BRON: NRC HANDELSBLAD

In de vergelijkende taalwetenschap moet je behalve taalkundig geschoold ook sociaal handig zijn en tegen een stootje kunnen. 'Juist de gebieden waar ons soort talen gesproken wordt zijn het moeilijkst toegankelijk', zegt prof.dr. F.H.H. Kortlandt, vorige week winnaar van de spinoza-prijs.
'WAT MIJ ZEER interesseert zijn de oudste taalkundige relaties tussen Europa en Oost-AziŽ. Dan kom je vanzelf in Centraal-AziŽ terecht. Aan de ene kant heb je de Indo-Europese talen bij ons, aan de andere kant het Turks en de talen van de Mongolen, Chinezen, Koreanen en Japanners. Tussen die volkeren hebben diverse contacten bestaan, ook taalkundig. Veel is onduidelijk, maar een aantal zaken is sterk in beweging. Een jaar of wat terug zijn in West-China lijken gevonden, daterend van 2000 v.Chr. en duidelijk van Europese oorsprong. Ook is onlangs een nieuwe reconstructie van het Oud-Chinees gepubliceerd, een grote sprong voorwaarts. Het blijkt dat het Oud-Chinees veel weg heeft van Himalaya-talen als het Limbu en lang niet zo apart staat als men vroeger dacht.'
Frederik Kortlandt (51), hoogleraar in de Balto-Slavische Taalkunde en in de Descriptieve en vergelijkende Taalwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Leiden, houdt van alle talen. Zijn promovendi zitten in de Kaukasus, de Andes, de Himalaya en West-Irian, onherbergzame streken met talen die op sterven na dood zijn. "We hebben net de jaarbijeenkomst van het Himalaya- project achter de rug", zegt de hoogleraar gejaagd-enthousiast. "Van de 200 talen in het gebied zijn er door veldwerk nu 10 redelijk beschreven. In oostelijk Nepal is pas geleden een onbekende taal gevonden, in Zuid-Amerika zoekt men naar talen waarvan iedereen denkt dat ze zijn uitgestorven. Veldwerk is zwaar. Je moet taalkundig geschoold zijn maar ook tegen een stootje kunnen en sociaal handig zijn. Je hebt in die bergstreken afschuwelijke ziektes. Ze liggen vreselijk afgelegen, precies de reden dat men nog niet op Engels is overgestapt."
Kortlandt geldt als een groot taalkundige. Zijn werkgebied bestrijkt naast de Slavistiek het Armeens, Keltisch, Germaans, Tochaars, Albanees Ťn de Fins-Oegrische, AltaÔsche en Sino- Tibetaanse taalgebieden. Zijn studie naar accenten in moderne dialecten in Noordwest-Litouwen en West-KroatiŽ heeftverbindingen gelegd met de twee hoofdtheorieŽn van het Indo-Europees. Inmiddels heeft Kortlandt 170 publicaties op zijn naam staan, zijn 24 leerlingen bij hem gepromoveerd en is hij op zijn gebied Nederlands meest geciteerde wetenschapper. Vorige week werd deze werkkracht door NWO beloond met een SPINOZA-premie van twee miljoen gulden. Kortlandt reageerde blij verrast. "Het is de tweede keer dat zo'n premie naar de letteren gaat en na Frits van Oostrom is hij alweer voor Leiden. Kan ik mooi extra promovendi en postdocs aanstellen. Apparatuur heb ik nauwelijks nodig, bandrecorders en computers volstaan. En nu hoef ik mijn congresreizen niet langer allemaal uit eigen zak te betalen."
Vreemde talen hebben Kortlandt altijd gelegen. "Ik interesseerde me voor muziek en nog voor ik op het gymnasium zat was ik bezig met Italiaans. De eerste vreemde taal die ik sprak was Spaans. In mijn studentenjaren heb ik in de vakantie door de Balkan gezworven, dat was toen nieuw. Voor honderd gulden kon je naar Istanbul en je leefde op een gulden per dag. Ik ben met Grieks, Bulgaars en Roemeens begonnen en via JoegoslaviŽ en Polen kwam ik uit bij het Russisch. De mensen die ik ontmoette spraken meestal geen andere taal, ideaal. Overigens, de talen die ik spreek heb ik allemaal voor mijn twintigste geleerd, daarna krijg je andere dingen aan je hoofd. Daarom zijn talen op de middelbare school zo belangrijk. Als je het daar niet oppikt, bereik je nooit een fatsoenlijk niveau."
In 1963 ging Kortlandt, zoon van de Oxford-etholoog Adriaan Kortlandt, wis- en natuurkunde studeren in Amsterdam. "Dat koos je als je een goed hoofd had, talen waren voor de lol. Ik had in een boekje gelezen dat je bij theoretische natuurkunde tien jaar onder de pannen zat en dat sprak me aan. Na drie jaar heb ik natuurkunde ingeruild voor wiskundige economie, dat was nieuw, en mijn eerste baantje was op het Instituut voor Ontwikkelingseconomie. Tussendoor studeerde ik bij professor Ebeling Slavische talen. Na mijn dubbele afstuderen ben ik bij de UNIDO in Wenen geweest, ik zag mijzelf al op een planbureau in Kuala Lumpur of Samoa, in mijn vrije tijd bezig met talen. Maar toen bood Ebeling mij een promotieplaats aan en heb ik in drie jaar een proefschrift geschreven. In 1972 kon ik naar Leiden en op mijn 27ste was ik hoogleraar Slavische talen."
Kortlandts proefschrift, Modeling the phoneme, handelt over de fonologie in Oost-Europa en is een staaltje van mathematische linguÔstiek. "Een wiskundige benadering was toen in, in Nederland had je Brandt Corstius, en vanwege mijn achtergrond lag zoiets voor de hand. Ook was er op dat gebied een grote Russische traditie, na de rede van Chroesjtsjov in 1956 werden belangrijke taalkundige werken in het Russisch vertaald en er bestond een opleiding die wiskunde en taalkunde combineerde, met name met het oog op vertaalmachines. Maar als je iets concreets in de wetenschap wil moet je abstract beginnen en het werkelijke probleem, de structuur van de taal, is niet goed bekend. Dat is nog steeds zo. Pas geleden zag ik een stukje geproduceerd door de nieuwste vertaalmachine Japans-Engels. Het leek nergens naar. Een woordenboek is prima te maken maar welk woord moet je kiezen? Het idee dat je de syntaxis langs formele weg kan bepalen is onzin. Het duurt decennia eer men dat in de gaten krijgt."
Waarin onderscheidt zich de vergelijkende taalwetenschap? "In de manier waarop met de feiten wordt omgesprongen. Aan de ene kant heb je de theoretici die zich bezighouden met regels en wetmatigheden in talen, in het Nederlands, Engels en Chinees. Die zijn dus op zoek naar het algemene binnen de verscheidenheid. Ik behoor tot de vergelijkende, descriptieve kant - in die zin is mijn proefschrift een aberratie. Ik verwonder me over de feiten. Theorie is niet onbelangrijk, maar ondergeschikt aan de waarneming. Het gevaar van theorie is dat het je het zicht op de feiten kan ontnemen. Dat doet zich in de taalkunde veelvuldig voor: dat mensen denken te weten hoe het zit en dat niet met feiten kunnen staven, ook al omdat ze maar een zeer beperkt aantal talen kennen.
"De theorieŽn die de afgelopen twintig jaar het gezicht van de taalkunde hebben bepaald vind ik weinig productief. Veel is nu afgekloven. Alles wat met betekenis te maken heeft is door de heersende formele benadering naar de achtergrond gedrongen, resulterend in een eenzijdige benadering. Je kunt niet over taal praten zonder in de eerste plaats over betekenis te praten. Soms heb je feiten die zich Łberhaupt niet in de heersende theorie laten beschrijven, zoals de lichtquanta begin deze eeuw niet in de klassieke natuurkunde pasten. Gelukkig wordt de theorie pluriformer, een buitengewoon welkome ontwikkeling. Je hebt nu naast elkaar de psycho- linguÔstiek, de socio-linguÔstiek, de logische benadering en het hersenonderzoek. De computationele aanpak vind ik primitief.
"Waarnemingen zijn lastig. Het noteren van klankenstromen op een Himalayatop is geen probleem, dankzij het fonetische alfabet begrijpt iedereen precies wat je bedoelt. Anders ligt het met betekenis, er bestaat geen algemene semantische theorie. Vertalen in het Engels kan niet, daarvoor wijkt zo'n exotische taal te veel af. Toch zit in formele taalkunde betekenis ingebakken. Zoals Middeleeuwers talen als varianten zagen op het Latijn, ziet de formeel taalkundige ze impliciet als afgeleid van het Engels. Dat komt neer op het beschrijven van dieren in termen van menselijk handelen. Met Frans en Duits in de rol van kat en hond kom je een aardig eind, maar hoe moet dat als een taal op Irian Jaya voor zeekreeft speelt? Dat leidt nergens toe. Het gaat om nauanceverschillen in betekenissen die door afwijkende taalstructuren heel anders liggen dan bij ons. De moeilijkheden zijn eindeloos veel ingewikkelder dan de mensen denken!"
Geeft u eens een voorbeeld. "Het Russisch heeft voor blauw twee woorden, marineblauw en hemelsblauw. Daartussen heb je verplicht te kiezen. In het Welsh heb je weer ťťn woord voor groen en blauw, de wijze waarop het zichtbare licht is ingedeeld verschilt per taal. Nu is het bij kleuren eenvoudig, die kun je objectief meten. Bij zaken met een zeker emotief karakter lukt dat niet. De meeste betekenissen dragen een gevoelselement in zich, dat is niet zoals bij licht aanwijsbaar. Dat kunnen navoelen is een van de grote problemen voor wie zich met afwijkende talen bezighoudt.
"Begin jaren zeventig deed ik veldwerk bij een Wakashan-stam in West-Canada, halverwege Seattle en Alaska, op 120 kilometer van het naburige dorp. Een collega uit Leiden, die bij de naburige Salish zat, vroeg me een Wakashan-taal - er zijn er in totaal zes - te beschrijven. Er waren nog tien sprekers, ik heb er tien weken gezeten. De klanksystemen waren ongelofelijk gecompliceerd, met zes distincte l-klanken die in clusters kunnen voorkomen en met woorden zonder klinkers. Tegen de gangbare mening in ontdekte ik dat het om een toontaal ging, zoals het Chinees. Ik merkte het aan de telwoorden, daar heb je 46 sets van bij de Wakashan. Staande mensen telt men anders dan lopende, boten naast elkaar anders dan achter elkaar. Zo dienen zich steeds weer verrassingen aan."
Wat wilt u met de vergelijkende taalwetenschap? "Het probleem is dat van de vijf ŗ zes duizend talen in de wereld nog geen tiende fatsoenlijk is beschreven. Je zou een totaalbeeld willen van hoe de ontwikkeling van de talen in de wereld de afgelopen tienduizend jaar is verlopen. In plaats daarvan zie je onbeschreven taaltjes voor je ogen van de aardbodem verdwijnen. De vergelijkende taalwetenschap is een kleine tak, de meeste taalkundigen doen Nederlands, Engels, theorie, literatuur. Soms zijn talen genetisch verwant, zoals het Duits en het Nederlands. Of het gaat om contactverschijnselen, denk aan de invloed die het Engels uitoefent. Talen veranderen onder invloed van andere talen.
"Dan is er de socio-linguÔstische component, iets van de laatste twintig jaar, of de antropologische en de archeologische benadering. Zo is nu algemeen aanvaard dat de expansie van de Indo-Europese talen direct in verband staat met de domesticatie van het paard. En de snelle verspreiding van de Turkse talen met de stijgbeugel. Of neem de AustronesiŽrs, hun expansie van HawaiÔ tot Madagascar laat zich rechtstreeks in verband brengen met het type boot waarover ze beschikten. Zo blijkt de verspreiding van een taal gekoppeld aan mobiliteit."
Hoe belangrijk is het als Instituut voor Beschrijvende en Vergelijkende Taalwetenschap veel talen in huis te hebben? "Dat uitgangspunt is om verschillende redenen buitengewoon verstandig. Zou je je specialiseren, bijvoorbeeld in Himalaya-talen, dan dreigt het gevaar van monopolisering, wetenschappelijk een ongewenste situatie. Niet zo lang geleden was er een Duitser die in India een taal met heel aparte eigenschappen ontdekte. Dat was zo interessant dat een van onze mensen er is gaan kijken, met als conclusie dat het onwaar was. Als die controle ontbreekt, ben je nergens.
"De kracht van mijn vakgroep is dat we mensen in de Kaukasus hebben Ťn in de Andes Ťn filologisch sterk staan. Het laatste is belangrijk omdat in oude teksten de precieze bedoelingen van mensen en de betekenis van de gehanteerde taalvormen niet voor zich spreken. Onderzoekers die op totaal verschillende onderwerpen zitten komen zo dagelijks bij elkaar over de vloer. In die zin is Leiden uniek: nergens in de vergelijkende taalwetenschap is zoveel van de wereldbol gedekt - alleen AustraliŽ doen we niet. Als ik een vraag heb over Zuid-Amerika loop ik naar mijn vriend Willem Adelaar, die weet dat. Een ander zegt: 'Dat komt in de Kaukasus niet voor, maar we hebben wel dit', wat je weer op ideeŽn brengt. Ook trek ik promovendi en post-docs van buiten aan. Op een congres in Litouwen kwam ik iemand uit IJsland tegen met een interessant probleem, die is in Leiden gepromoveerd. Het bijeenbrengen van disparate zaken is het geheim van de smid."


Op dit artikel rust copyright © 2000 PCM Interactieve Media b.v., resp. de oorspronkelijke uitgever en/of de auteurs.