Limerick ABC (© Gertjan Kock)

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

Een allergische adder uit Aken

Was gewoon om hem stevig te raken

Hij ging op een feest

Tekeer als een beest

En hij moest als een wildeman braken. ê

 

 

 

Een benadeelde buizerd te Bergen

Kon maar moeilijk zijn woede verbergen

"Al kost het mijn kop

Ik vreet hem zo op

Dat konijn moet mij niet zitten tergen." ê

 

 

 

Een chinchilla uit sjiek Cividale

Kweekte nertsen in groten getale

"Dat is mijn goed recht

Ik ben heus niet slecht

Maar toevallig een femme fatale." ê

 

 

 

Een verdrietige doffer uit Drachten

Had genoeg van het eeuwige smachten

Hij sloeg keihard door

Zijn ziel ging teloor

Van het monsterlijk mussen verkrachten. ê

 

 

 

Een etruskische eland uit Essen

Sloot zich op na de klokslag van zessen

En zelfs in zijn huis

Vond hij het niet pluis

Hij was bang dat zijn vrouw hem wou flessen. ê

 

 

 

Een flamingo uit flitsend Ferrara

Kreeg iets moois met een hitsige ara

Zij zoende hem fel

De daad volgde snel

En hij noemde haar liefdevol "cara". ê

 

 

 

Een gorilla uit grijs Galatone

Wilde Nina, en ook nog Simone

Een Nina stond stil

Hij slaakte een gil

Maar het bleek maar een hele gewone. ê

 

 

 

Een halstarrige haring uit Hagen

Had de neiging voortdurend te klagen

Bij iedere kwaal

Had hij het verhaal

Dat een viswijf hem op zat te jagen. ê

 

 

 

Een integere ibis uit Ieper

Kreeg een kleur van zijn daden als keeper

"Zo’n aanvaller komt,

En ja hoor, verdomd,

Ik verkoop hem gewoon weer een zwieper." ê

 

 

 

Een jaloersige jakhals uit Jaren

Had een weerzin om zonen te baren

Want mannen zijn vuig

En allemaal tuig

En ze maken obscene gebaren. ê

 

 

 

Een verkrampte kanarie uit Kampen

Was betrokken bij allerlei rampen

Hij trok met een ruk

De gasleiding stuk

En verstikte in giftige dampen. ê

 

 

 

Een lui loensende llama uit Loenen

Zat er naast als hij poogde te zoenen

Hij dankte het aan

Zijn jeugdig bestaan

Toen hij dag en nacht vloeren moest boenen. ê

 

 

 

Een mandril van het meer van Merano

Had zijn zinnen gezet op een kano

Maar tot zijn verdriet

Ontving hij die niet

Want zijn moeder gaf hem een piano. ê

 

 

 

Een neurotische neushoorn uit Naarden

Kon als ambtenaar redelijk aarden

’s Nachts draafde hij door

Hij sliep op kantoor

Zoals trots zijn collega’s verklaarden. ê

 

 

 

Een opossum uit opulent Ommen

Was gewoon om te gooien met bommen

Laatst werd deze kwaal

De buren fataal

En nu moet hij ook negen jaar brommen. ê

 

 

 

Bij een pinguin in poenig Pomposa

Loopt een handelsconflict met Formosa

De zaak is verstoord

Maar hij zegt geen woord

Want de zaak is nog immer sub rosa. ê

 

 

 

Een zeer kwistige quagga uit Quito

Spaarde alles van veldmaarschalk Tito

Zijn vriend was niet boos

Want hij had een doos

Met de dagboeken van Hirohito. ê

 

 

 

Een retorische reebok uit Rheden

Had geen lust enig ambt te bekleden

Hij kon, naar verluid

Niet één kant meer uit:

Hij had last van een duister verleden. ê

 

 

 

Een stoer sijsje uit suffig Santander

Kookte soep op een spiritusbrander

Zijn mooie vriendin

Vond dit veel te min

En zij ging er vandoor met een ander. ê

 

 

 

Een talentvolle tijger uit Tanger

Werd verliefd op een lyrische zanger

Zij gaf zich aan hem

Om zijn mooie stem

En nu is ze al zes maanden zwanger. ê

 

 

 

Een uitzonderlijk uiltje te Ukkel

Had verdriet van een heel grote pukkel

"Ik ben dan wel rijk,

Maar ik sta te kijk,

Met zo’n ding blijf je eeuwig een sukkel." ê

 

 

 

Een verzekerde veldmuis uit Velzen

Wilde nimmer een kater omhelzen.

"Ik ben heus niet laf,"

Beet zij van zich af,

"Maar ik houd niet van smerige pelzen." ê

 

 

 

Een wild walsende walrus te Wenen

Molesteerde vaak andermans tenen

"Ik weet wel waarom.

Het klinkt misschien dom,

Maar bij mij zit het puur in de genen." ê

 

 

 

Een xenopus, geboren in Xanten

Had bij voortduring last van verwanten

Zijn tantes, zijn nicht

Een loodzware plicht

Zijn zelfmoord stond laatst in de kranten. ê

 

De vriendin van een yak uit Ymuiden

Had ooit ergens de klok horen luiden

Ze zei: "Heel gewis

Trouw ik met een mis.

Dan behoor ik meteen tot Gods bruiden." ê

 

 

 

Voor een zebra uit zuinig Zaltbommel

Ging de nacht vaak gepaard met gestommel

Het licht hield hij uit

Dat gaf veel geluid

Als hij struikelde over de rommel. ê