Kassandra’s voorspelling. © (2000) Gertjan Kock
Een harde wekker verlost Richard uit zijn onrustige slaap. Zwetend, half verstrikt in het dekbed komt hij tot zichzelf. Jezus, wat een klotendroom. Geen wonder dat je geen adem meer krijgt als je je kop in het kussen hebt gepropt. Onrustige nacht geweest. Vast weer te veel gezopen. Bonkende koppijn. Nou ja, dat is de prijs van een wild leven. Waar is hij trouwens nou weer beland? Kale bende, deze kamer. Van een student of zo. Een kort blond koppie. Een lange meid, een tachtig minstens. In geen velden of wegen te bekennen. Op die leeftijd kan je er nog goed tegen, tegen een nacht doorhalen. Zeker al weer naar college, of waar die studenten zich tegenwoordig overdag ophouden. Studeerde globalisering van de multiculturele kunstzinnige uitwisselingspatronen of iets soortgelijks onbegrijpelijk moderns. Whatever! Tijd om naar huis te gaan. Bij meiden als deze is meestal geen aspirine of ontbijt te vinden.
Als Richard zich aankleedt komen de details van de avond en nacht langzaam boven. Een bodempje whisky uit een zielige, eenzame fles verheldert het beeld. Redelijk monter verlaat hij het appartement. De frisse ochtendlucht klaart de geest. Na een week hard werken aan zijn nieuwe boek had hij gisteren een avond uit verdiend. Niets eenzamer dan schrijven. De geest helemaal leegmaken. Jezelf totaal concentreren op het onderwerp. De wereld buitensluiten. En dan de energie laten vloeien via je handen. De magie van het toetsenbord, waaraan de hersenen geen deel meer lijken te hebben. Maar een kluizenaar is hij niet. Hij moet ook in het volle leven staan. Een literaire avond in een grand café in het centrum. Voor de literatuur hoef je het niet te doen. Van zo’n avond steek je niets op dat de geest verrijkt. Maar de performance, de vertoning! De betovering van de woorden, die hij daar kalm en mannelijk van zijn lippen kan laten glijden. Het publiek dat hij als een rattenvanger van Hamelen met zich meeneemt. Vooral vrouwen zijn erg bevattelijk voor de poëzie van zijn vertoog en laten zich overal mee naar toe nemen, eerst naar een droomwereld, en dan naar een bed. Ze laven zich aan de aandacht die hij ze schenkt, het warme bad van de goedgekozen woorden, de suggestie van subtiele gevoelens, de streling van persoonlijk ervaren aandacht. Een spel dat zich dubbel terugbetaalt. Een spel waarin hij poseert als de Nederlandse wedergeboren Hemingway. Haaien, stieren, vrouwen, kracht en intens gevoel. Maar het is een perfecte pose, eentje die hem past als een handschoen, eentje die werkt.
Waarom die walgelijke droom? Wat kan die Warman hem verdommen? Die kuttige krantenstukjes leest hij nooit. Verspilde moeite. Zijn boeken lopen goed. Geen Warman die daar wat aan kan verpesten. In de loop van de jaren heeft hij een trouw lezerspubliek opgebouwd. Dat is niet het soort mensen dat De Volkskrant spelt op zoek naar modieuze meningen die het frêle ego moeten stutten. Hij schrijft robuuste boeken vol levenskracht. Schrijver die zelfmoord pleegt. Op die onzin zul je hem niet betrappen. Zijn helden zijn geen losers. Diep in de shit vaak. Geen types die een voorkeur hebben voor het aangeharkte rechte pad. En ze halen ook niet altijd levend de laatste regel van het verhaal. Er gaan er genoeg dood in zijn boeken. Maar zelfmoord? Hij weet niet eens hoe je het woord schrijft.
Vol oprechte afkeer betreedt Richard zijn woning en zet de computer aan. Niets beter om een kater kwijt te raken dan een paar uur hard werken. In slagorde liggen de voltooide hoofdstukken van zijn nieuwe boek op de lage kast naast zijn bed. Met een gevoel van verliefdheid kijkt hij naar het papier. Writing is my mistress, mijmert hij tevreden. And a severe mistress she is. Iedere dag verleidt ze mij opnieuw met haar blankheid, haar smetteloze voorkomen. Iedere dag moet ik haar bladen vullen met leven en betekenis. Let’s start. Hij neemt de tijd om na te denken. Goed! De schrijver heeft problemen met zijn boek. Hij heeft besloten een schrijver als hoofdpersoon te nemen. Geen mietje dat zich zal gaan verhangen, maar een kerel die in zijn jonge jaren het nodige heeft meegemaakt en daarover is gaan schrijven. De kern! De kern is (daar moet hij bij het uitwerken van de plot zorgvuldig mee omgaan, dat zit nog niet helemaal lekker) de spanning tussen de meegemaakte realiteit en de verbeelding, het mythische. De schrijver was de minnaar van de vrouw van de politicus die zijn tegenstanders laat liquideren. Maar maak het niet te herkenbaar. Breng geen onschuldigen in gevaar. Creëer een nieuwe, betere werkelijkheid zonder de werkelijkheid geweld aan te doen. Dat is de problematiek, waarmee de schrijver worstelt.
Luctor en emergo, verdomme! Oké, de schrijver denkt na over het verbeelden van de relatie. De passie moet er van afspatten. Richard stelt zich de vrouw voor. Stelt zich voor hoe de schrijver zich de vrouw voorstelt. Jong. Veel jonger dan haar machtige echtgenoot, de politicus. Is ze langer? In zuidelijke landen zijn de mensen de afgelopen dertig jaar gemiddeld een kop gegroeid. In Barcelona zijn de dochters langer dan hun vaders. Een kort, blond koppie. En een piercing in haar tepel zeker, net als die meid van vannacht.
Te weinig Hemingway. In zijn boeken komen geen blonde meiden met piercings voor. Hoe was het trouwens gegaan vannacht? Hij kan er zich nauwelijks iets van herinneren. Die piercing was hem opgevallen, een zilveren ringetje door een kleine tepel van een kleine borst. Maar verder was alles blank en vaag. Hoe was het neuken geweest, de overgang van verbale naar fysieke penetratie? Het zelfverzekerde toegeven aan de passie. Trek haar kleren uit, ruw en teder tegelijk. Duld geen tegenstand, maar behandel haar als een prinses. Breng haar in de stemming met langzame, trefzekere gebaren. Laat haar verlangen, laat haar smeken met haar ogen, voordat je tussen haar benen neerdaalt en in haar binnendringt. Had ze gegild bij het klaarkomen? De herinnering aan haar gekreun komt niet bij hem boven. Een onrustig, onbevredigd gevoel tussen zijn benen doet hem vermoeden dat het die nacht anders is verlopen. Geen herinnering, het hoofd is leeg. De kleur van de passie, de houdingen van het orgasme, het steunen, kreunen en gillen van het hoogtepunt. Niets van dat alles. Alleen een zilveren piercing en een onrustige droom. Nou ja, shit! Het kan niet altijd feest zijn. No victory without defeat.
Een jonge, warmbloedige schoonheid. Donker, krullend haar. Inderdaad veel jonger dan haar man, de meedogenloze machtspoliticus.En op dit punt moet de subtiele problematiek van de worstelende schrijver worden geïntroduceerd, de mengeling van schijn en wezen. Ze mag niet te herkenbaar worden geportretteerd, zijn Rosita. Mijn held wil haar niet in verlegenheid brengen. Zij leeft nog. Haar man eveneens, met al zijn neurotische bezitterigheid, jaloezie en machtige vrienden. Het mag niet bekend worden, dat zij het was die de schrijver haar hart schonk. Hoe vertel je alles zonder te veel te vertellen? Daar worstelt de schrijver mee. Daar zegt hij mee te worstelen, in elk geval. Daar denkt hij mee te worstelen. Maar misschien zit zijn blokkade elders. Weet hij wel hoe zijn verhaal zal eindigen? Hij worstelt met de onzekerheid van het niet weten. Normaal gesproken vertelt het verhaal zich zelf. Maar het verhaal zwijgt. Daar heeft de schrijver moeite mee. De dingen zijn niet meer vanzelfsprekend. Is de redenering dat hij Rosita niet in gevaar mag brengen eigenlijk niet meer dan een drogreden?
Zo moet het gaan, realiseert hij zich. De schrijver staat op een dood punt, en worstelt. Hoe komt hij dit probleem te boven? Hoe gaat het verhaal verder? Hoe geeft hij het lichaam en ziel? Hoe zorgt hij ervoor, dat Rosita een mens wordt van vlees en bloed en geen steriel bedenksel blijft? De schrijver kijkt terug op zijn relatie met Rosita. Richard begint te schrijven. Hij ontmoet haar in de broeierige mijnwerkersstad, tijdens het carnaval. Drank, zwetende lijven, uitspattingen. Daar ziet hij haar. Het is alsof de bliksem bij hem inslaat. Ze wordt lastiggevallen, gebrutaliseerd door een reusachtige, dronken kerel, die met zijn volle gewicht over haar heen valt en zijn handen niet kan thuishouden. Met twee stappen is hij bij haar om haar te beschermen. Hij ziet het mes net op tijd en kan het ontwijken. Nu kent hij geen genade meer. Met volle kracht slaat hij toe. Met een verbrijzelde neus zijgt zijn tegenstander levenloos ter aarde. Wankelend staat zij op. Zij trilt over haar hele lijf. Op haar hoge hakken probeert zij zich wanhopig staande te houden. Haar rode jurk is gescheurd. Haar borsten dringen zich als rijpe granaatappelen aan zijn ogen op. Hij voert haar weg uit de lallende menigte. Onder haar angst bespeurt hij een intens gevoel van overgave aan zijn mannelijke kracht. Te quiero. Haar warme lichaam voegt zich woordloos naar zijn passie. In zijn hotelkamer bedrijven ze drie dagen en nachten zonder onderbreking gepassioneerd de liefde. Pas op, mijn liefste, zegt ze bij het afscheid. Mijn man is wreed en machtig. Hij zal je zoeken. Je moet voorzichtig zijn.
Richard herleest de passage. Kut. Het is erger dan Veronica. De siliconentieten knallen bijna van het papier af. Zo kan het niet gegaan zijn. Tijdens de verjaardag van de ambassadeur ontmoet hij haar. De smetteloze witte japon doet haar slanke figuur beeldschoon uitkomen tegen de donkere lambrisering. Haar blik van stil, wanhopig tekortkomen treft zijn oog. Haar blik betovert hem. Hij moet haar spreken. Hij is vanaf het eerste begin wanhopig verliefd. In de bibliotheek wisselen zij steelse kussen, onder het toeziend oog van de grote schrijvers die op de schilderijen staan afgebeeld. Pas op, mijn liefste, zegt ze bij het verlaten van de bibliotheek. Mijn man is wreed en machtig. Hij zal je zoeken. Je moet voorzichtig zijn. Maar hij kan niet voorzichtig zijn. Zijn liefde is te groot. Keer op keer weet hij haar te bereiken en haar hartstochtelijk tot de zijne te maken. Dan is zij verdwenen. Zij draagt zijn kind en zoekt de afzondering van het klooster in de bergen om het te baren. Ver weg van de vragen die de wereld zal stellen. Hij blijft achter met een mengeling van verdriet en troost.
Zo was het. Richard ziet haar voor zich. Ziet haar zoals ze was bij de eerste ontmoeting. Lang en slank. Een godin in haar strakke, witte japon die haar figuur goddelijk doet uitkomen. Ze zal niet kleiner geweest zijn dan haar man. Wat zag ze in hem? Waarom is ze met hem getrouwd? Heeft hij druk op haar uitgeoefend, misschien zelfs gedwongen? Een machtig man kan veel doen in haar land. Hele families verdwijnen zonder dat er een haan naar kraait. Er was wanhoop in haar blikken, zoveel is zeker.
Het boek vordert. Maar hoe zal het eindigen? Heeft de schrijver zijn geliefde ooit teruggezien? Dat doet niet terzake. Hij moet zijn verhaal vertellen. Hij moet vertellen wat gebeurd is en gebeurd had kunnen zijn. Maar alles had gebeurd kunnen zijn. Zou zijn dochter leven? Hoe kan hij weten dat zijn kind een meisje is? Hij heeft alle contact verloren. Maar hij voelt dat er een meisje is geboren. Zijn dochter. Hoe oud zal zij zijn? Hoe lang is het geleden dat de schrijver en Rosita elkaar ontmoetten? Meer dan twintig jaar geleden is het. Zijn dochter is een jonge vrouw, is volwassen.
Hij houdt op met schrijven en gaat op bed liggen. Rosita, rank en slank. Hij ziet haar voor zich. Zo lang geleden, meer dan twintig jaar, en toch zo nabij, alsof het gisteren gebeurd is. Alsof hij net de kamer verlaten heeft, de schone, eenvoudig ingerichte kamer met het hemelbed en de hoge ramen. Rosita. Alleen haar naam al doet hem de rest van de wereld vergeten. De schrijver worstelt en komt boven. Hij heeft moeite met het verhaal, maar uiteindelijk schrijft hij een bestseller. Hoe gaat het verder? Hoe loopt het af?
Als Richard wakker wordt is het avond. Hoe gaat het verder? Hoe loopt het af? Die twee vragen blijven in zijn hoofd rondspoken. De revolutie is eindelijk uitgebroken. Een laatste schip heeft de hoofdstad verlaten. Na een lange tocht vol gevaren loopt het de veilige haven binnen. De schrijver staat op de kade. Dan ontwaart hij aan de reling een geliefde gestalte, rank en slank. Het weelderige donkere haar wuift in de milde bries. Tegen zich aan gedrukt houdt zij haar kleine dochter. Een blond meisje! Een golf van ontroering slaat door hem heen. Hij wringt zich door de menigte om de loopplank te bereiken. Eindelijk zal hij haar weer in zijn armen kunnen sluiten. Hij had gedacht dat ze dood was, omgekomen in het oorlogsgeweld. Bijna is hij bij haar. Dan ziet hij de sombere gestalte van de machtige politicus, die op slinkse wijze asiel heeft weten te krijgen. Naast hem staan zijn twee lijfwachten, meedogenloze moordenaars die reeds vele slachtoffers hebben gemaakt.
Hoe gaat het verder? Hoe loopt het af? Ook in het café blijven die vragen Richard kwellen. De gepantserde auto rijdt minstens honderd, maar door een bliksemsnelle reflex weet hij nog net opzij te springen. Als hij vanuit de afgrond de weg weer heeft weten te bereiken, ziet hij de auto in de verte verdwijnen. Weg. In de auto zijn geliefde Rosita en de kleine Sandra. Hij had gedacht dat ze in Frankrijk veilig zouden zijn. Met een ontvoering had hij geen rekening gehouden. Hij was blijven opletten, zeker, maar was Frankrijk geen beschaafd land waar eerzame burgers door de overheid worden beschermd? Hij had zich vergist. Ook in Frankrijk heersen de wetten van de jungle. Ook hier reikt de machtige arm van de mafiose echtgenoot. Hij is niet op zijn best vanavond. Normaal is hij een gezelschapsdier dat gemakkelijk contacten legt en het hoogste woord heeft. Nu is hij stil en afwezig. Het valt zelfs de trouwste bezoekers van het café op, mensen die normaal alleen oog hebben voor de inhoud van hun glas. Belangstellend komen ze vragen of hem iets scheelt, maar veel antwoord krijgen ze niet. Meike, zijn LAT-vriendin, komt even aanwippen, maar is snel weer vertrokken. Met een hoofd vol vragen blijft Richard tot ver na sluitingstijd hangen. Hij komt thuis in een huis van onbestemdheid, waar alleen de teddybeer die hij voor Meike op de kermis heeft gewonnen, vertrouwd en stil op zijn stoeltje op hem schijnt te wachten.
Ook de volgende dagen worstelt hij met de worstelende schrijver. Hoe gaat het verder? Het Chateau de Chablis heeft een geheime onderaardse kelder. Na veel inspanningen is hij er achter gekomen, dat zich daar zijn geliefde bevindt. Zwakke kreten weerklinken nog slechts als hij de lage gang bereikt. In het licht van zijn zaklantaarn ziet hij de ratten wegrennen. Hij komt aan bij het ijzeren hek dat de cel afsluit. Met de sleutels die hij op het lijk van de getatoeëerde man heeft gevonden probeert hij het hek te openen. Geen van de sleutels past. Vertwijfeld kijkt hij om zich heen, op zoek naar een oplossing. In de verte hoort hij reeds het geblaf van bloeddorstige honden. Met een zware steen weet hij tenslotte het slot te forceren. Dan sluit hij de uitgeputte Rosita in zijn armen. Zwijgend gebaart zij naar de kleine Sandra, die er erg slecht aan toe is. Hij tilt haar op. Behoedzaam ondernemen zij de tocht naar de vrijheid. Twee boeven heeft hij weten uit te schakelen, maar hij weet niet waar de andere zich bevinden. Het gevaar blijft dreigen. Hoe loopt het af? Zijn Rosita en hij ooit veilig, zolang de echtgenoot nog leeft. Heeft diens familie niet gezworen de familieeer hoe dan ook te wreken?
Het verhaal wordt groter en groter en houdt maar niet op. Een uitdijend epos wentelt zich in zijn hersenen rond en wil dringend naar buiten. Maar bij de deur houdt de schrijver de wacht. Afblijven, roept hij. Dat is mijn verhaal. Jij bent bezig mij tot leven te wekken, maar van Rosita blijf je af. Die is van mij. En ik wil haar niet nog meer in gevaar brengen dan nu al gebeurd is door die loslippigheid van jou. Met elke bladzijde die je schrijft breng je haar einde dichterbij. Bijna was ze er, in het Chateau de Chablis, haar leven bij ingeschoten. Ben je gek al die details prijs te geven. Als je er niet ogenblikkelijk mee ophoudt verdwijn ik uit je leven. Zie dan maar, dat je dat boek van je nog schrijft.
Nog nooit in zijn schrijversloopbaan heeft Richard zo’n spanning ervaren met zijn hoofdpersoon. Het maakt hem somber en ongedurig. Het schrijven, normaal een bezigheid die zonder problemen verloopt, stokt. De pagina’s blijven zich volschrijven, maar er zit geen voortgang in. Het is onbestemd rondcirkelen, meer van hetzelfde, op de tast zoeken naar een deur in een donkere kamer.
Na de zoveelste dag zonder voortgang zit hij in het café aan zijn vaste tafeltje op een ingeving van hogerhand te wachten, als Meike binnenkomt. Hij heeft haar de laatste tijd weinig gezien. Ze is hem de afgelopen weken niet, zoals haar gewoonte is, thuis komen opzoeken. Het was hem niet opgevallen, maar nu hij erover nadenkt komt het hem vreemd en onheilspellend voor. Ze bestelt een glas wijn aan de bar en komt bij hem aan tafel zitten. Ook de manier, waarop ze hem kust voelt vreemd aan. Obligaat. "Ik moet je wat vertellen, Richard," zegt ze, "en ik had geen zin bij je thuis langs te gaan. Dus gokte ik erop, dat je hier zou zitten. Ik heb gelukkig goed gegokt." Hij knikt afwezig, want zijn aandacht wordt getrokken door het feit, dat er een lange, jonge vrouw met een kort blond koppie het café binnenstapt. Verdomd, denkt hij, wat heeft die hier te zoeken. Hij is helemaal verbaasd als ze naar zijn tafeltje toekomt en Meike op de mond zoent. Zo’n kus had hij verwacht van Meike. Kennen jullie elkaar, wil hij vragen, maar Meike is hem voor. "Nou. Ik hoef jullie niet voor te stellen. Maar ik weet, Richard, dat je meestal niet naar namen vraagt. Dit is dus Kas." Shit, denkt hij, in wat voor situatie ben ik terecht gekomen. Hoe red ik me hier weer uit. Hij begint zich erg ongemakkelijk te voelen. Als enige, want Meike en Kas lijken nergens last van te hebben. "Richard," zegt Meike na een tijdje, "wat ben je toch een eikel. Hoe haal je het in je kop om met zo’n prachtmeid als Kas de koffer in te duiken en meteen in slaap te vallen?"
Een handgranaat onder zijn tafeltje had geen erger leed kunnen veroorzaken. De wereld om hem heen is plotseling ondergedompeld in een verblindend schel licht. Hij onderscheidt slechts vage contouren die zo oorverdovend zwijgen dat het pijn doet aan zijn oren. Zou het er zo uitzien als je doodgaat? Langzaam worden de dingen weer normaal en blijkt hij nog steeds aan zijn vertrouwde tafeltje in zijn stamkroeg te zitten. Met een schok beseft hij, dat hij er met zijn opengesperde mond tamelijk dom uit moet zien. Meike en Kas kijken hem belangstellend aan, niet eens onvriendelijk, maar met een superieure welwillendheid die moeders vaak voor kinderen overhebben. Ze lijken zich trouwens meer voor elkaar te interesseren dan voor hem. Alweer dat kleffe zoenen! Wat een vertoon van tevreden affectie. "Luister eens, Richard,’ zegt Meike, als ze eindelijk op Kas is uitgekeken. "Je bent geen onaardige kerel. Ik heb je altijd erg grappig gevonden, dus denk niet dat ik een hekel aan je heb. Ik denk zelfs dat je een goede schrijver bent, of zou kunnen zijn. Je maakt je er vaak te makkelijk van af, maar je hebt mooie dingen geschreven. In zekere zin heb ik je bewonderd. En dat heb ik nodig om met een man een relatie te hebben. Maar de laatste tijd is het natuurlijk bar en boos geweest." Richard pijnigt zijn hersenen. Wat is dat voor gelul over zijn schrijverschap? Meike Warman? Aan nog een recensent heeft hij geen behoefte. Hij weet, dat je moet opletten, als mensen het over je hebben in de voltooide tijd. Maar waar wil ze naar toe? Wat bedoelt ze in godsnaam? Wat moet hij terugzeggen om het gesprek plezierig de goede kant op te helpen? Voorlopig komt hij niet verder dan een veelzeggend zwijgen.
Op de geduldige toon van een aardige schooljuffrouw die het nog een keer wil uitleggen aan het domste jongetje van de klas gaat Meike verder. "Het gaat er mij niet om dat je andere vriendinnen hebt, Richard. Ik heb nooit van jou verlangd dat je het alleen met mij moest doen. En met dat domme haantjesgedrag heb ik ook kunnen leven. Dat is blijkbaar wat je nodig hebt. We hebben allemaal onze manieren om de dreigende ouderdom te bezweren. Als je jezelf een hele kerel vindt ben je het best te genieten. Ik profiteerde vrolijk mee van jouw promiscue gedrag. Je was altijd op je best na een verovering. Dan hoefde je niet zo nodig meteen klaar te komen en had je tijd voor mij en mijn orgasmes." In toenemende mate voelt hij zich ongemakkelijk. Dat hij zijn eigen seksleven mythologiseert is normaal, want daar is hij schrijver voor. Maar hij heeft er moeite mee, dat een ander er mee aan de loop gaat en het zonder franjes op tafel legt in een openbare ruimte, onder de oren van een meer dan belangstellende luisteraar. Geamuseerd zit Kas het hele gebeuren te volgen. "Dat dwangmatige rondneuken van jou maakte het ook voor mij makkelijker om me niet te veel alleen op jou te richten. Ik heb ook anderen gehad. Ook daarom maak ik jou op dit punt geen verwijten." Jezus. Alweer zo’n granaatontploffing. Oppassen, dat je weer niet zo stom je bek open houdt. Achter zijn rug, verdomme, is die meid gewoon haar gang gegaan. Terwijl hij dacht met de maagd Maria zelve te maken te hebben, onbevlekt en rein. Met wie zou ze het allemaal gedaan hebben? Mensen die hij kent? Die hem nu achter zijn rug zitten uit te maken voor cornuto? Jezus, wat een ellende. "Kijk niet zo stom, Richard. Zit nou niet meteen je kop suf te piekeren wie het allemaal geweest zijn." Kan ze ook al gedachten lezen? Wat is er met me aan de hand dat ik zo’n deerniswekkende sukkel ben geworden? "Waar maak je je in godsnaam druk over, Richard? Was het minder tussen jou en mij, omdat ik ook mijn plezier elders haalde?" Hou op, Meike, met die verdomde mannentaal. Je lijkt wel een kerel. Waar is het gevoel gebleven? Begrijp je dan niet dat het anders is, als er vreemde kerels hun lusten vieren op je prachtige lichaam? Dat de betovering, die zuiverheid aan barrels ligt? Mijn leven loopt op de klippen, verdomme! "Maar waar het nu wel om gaat, Richard, is het volgende: Ondanks al die malle gewoonten van je, hield ik van je, en was het leuk samen. Maar de laatste tijd is echt kut. Van een vrolijke vent ben je een tobber geworden. Vroeger leefde je, en schreef je erbij. Nu zit je de hele tijd te neuzelen over dat klotenboek van je. Het is helemaal niks meer. Voor mij is er helemaal geen lol meer aan. Zelfs een wilde nacht met een prachtmeid als Kas verneuk je." Ze moet lachen om haar onbedoelde woordspeling. "In jouw plaats had ik het wel geweten." Ze slaat haar armen om Kas. Kan het nog harder, denkt Richard gepijnigd. Het hele café kan ons horen. Welja, ga maar weer door met dat kleffe gezoen. Hallo! Iedereen zit naar ons te kijken. "Om een lang verhaal kort te maken: in een situatie als deze ben ik natuurlijk gevoeliger voor de attenties van anderen. Nou ja, dus: ik heb een ander gevonden."
Nog steeds die innige omhelzing. "Bedoel je," vraagt hij timide (het lijkt ongelooflijk, maar vandaag kan niets hem nog verbazen), "bedoel je dat Kas en jij…?" Een waanzinnige lachbui is het gevolg. Meike heeft moeite niet van haar stoel te vallen. Zijn gekwelde gezicht doet haar echter bedaren. Ze laat Kas los. "O, dat," zegt ze nuchter. "Nee hoor, Richard, dat is het niet. Meisjes onder elkaar doen dat soort dingen soms. Kas is een goede vriendin. Ik heb veel steun van haar gehad om de zaken op een rijtje te krijgen. Het was behoorlijk emotioneel allemaal. In het verleden heb ik wel eens wat geëxperimenteerd. Met vrouwen en zo. Het is wel lekker, hoor. Maar nee, ik heb een man ontmoet. Een heel zachtaardige, erudiete man, die erg open staat voor mijn gevoelens. Hij heeft me min of meer gevraagd de zijne te worden. Heel traditioneel eigenlijk. Ik ben wel toe aan een vaste relatie. En in bed gaat het ook goed. Hij is een verrassend goede minnaar, heel viriel, hoewel je dat aan zijn uiterlijk niet zou zeggen." Dromerig staart ze voor zich uit. Richard meent de stomme blik van verliefdheid duidelijk te herkennen. Dan staat ze op. "Nou Richard, dat is het dan. Leuk is natuurlijk anders, maar ik moest het je vertellen. Verder is er niets meer te zeggen. Ik heb nog een paar spullen bij jou liggen. Die kom ik wel halen, dat heeft geen haast. Nu ga ik maar, Richard. ik hoop dat het snel weer beter met je gaat." Zonder om te zien verlaat ze het café.
Verstard, als door een wrede harpij in een zoutzak veranderd, blijft hij zitten. Zijn ogen zijn troebel. Hij ziet niets meer. Verdomme! Dat moeten tranen zijn. Hij wist niet dat hij zo kon huilen. Hij hoeft er niet eens moeite voor te doen, het gaat vanzelf. En behoorlijk hard ook nog. Het loopt in straaltjes over zijn wangen. Zonder problemen kan hij het oplikken. Zoute troep. Die vreemde geluiden zullen ook wel van hemzelf afkomstig zijn. Hij lijkt wel een meid, om zo hardop een potje te grienen. De gedachte stemt hem niet vrolijker. Het einde van het menselijk ras is weer een stap naderbij gekomen. Hij voelt een arm om zijn schouder. Wie nu weer om hem te kwellen? Uit de stem die vlak naast zijn hoofd begint te praten leidt hij af dat het Kas is. Die is blijkbaar niet met Meike mee weggegaan. "Klote voor jou dat het zo is gelopen," hoort hij haar zeggen. Ze zegt het vriendelijk en troostend. Goed bedoeld, shit, maar wat heeft hij eraan? Meike is weg. Jezus, nog meer tranen. Houdt het nou nooit op? "Maar het kon niet anders. Er was geen houden meer aan. Zelden iemand gezien die het zo in haar kop kreeg. Stapelverliefd. Helemaal niks voor Meike. Zo ken ik haar niet. Altijd heel nuchter, je weet wel. Ze had het er ook zelf heel moeilijk mee. Ze vond het heel erg voor jou, en zo. Maar er was echt geen houden meer aan…. je zult je wel rot voelen."
Ze brengt hem een nieuwe whisky. Langzaam begint de wereld weer contouren te vertonen. Alles heeft echter een andere kleur aangenomen. Dingen en mensen hebben een sombere uitstraling gekregen, maar niemand lijkt het in de gaten te hebben. Iedereen is gewoon blijven doen wat hij al deed. Dat hij zowat het hele café heeft ondergegriend heeft evenmin enige commotie veroorzaakt. Ongevoelige klootzakken! Verdriet, man! Moet ik het voor jullie uitbeitelen op de muren van deze stinkkroeg? Hij heeft geen zin meer om te blijven. Hij wil naar huis. In bed gaan liggen en niet meer wakker worden.
"Wat zie jij er beroerd uit." Kas schrikt als ze hem recht in zijn gezicht kijkt. "Kom, ik breng je naar huis." Als een klein kind dat naar bedje moet laat hij zich meevoeren, door donkere straten vol spotzucht en venijn. Thuisgekomen lachen de muren hem uit. Hij slaat zijn handen voor zijn oren. Dit is erger dan de ergste dronkenschap. Wezenloos zijgt hij neer in een stoel, recht tegenover de teddybeer die hem dubbelzinnig toelacht. Als het baasje vertrokken is, mompelt hij in zichzelf, blijf jij mij niet zitten uitlachen. Hij pakt de teddybeer op en smijt het beest in het zijkamertje tussen de afgedankte spullen. Even denkt hij erover om er zelf tussen te gaan liggen, maar een eerste sprankje overlevingsdrang begint in hem wakker te worden. Verdomme, fluistert hij, als hij naar de kamer sloft. Terug in de kamer ziet hij dat Kas zich heeft uitgekleed. "Ik blijf vannacht maar hier, Richard, want ik wil je in deze toestand niet alleen laten. Ik ben bang dat je gekke dingen gaat doen." Dat is nergens voor nodig. Ga rustig weg als je wilt. De woorden liggen in zijn mond. Maar dat zeg je niet tegen een naakte vrouw. Kleine borsten, inderdaad, met een piercing door de linker tepel, op het hart. Zijn hart is gebroken. Vreemd dat het toch plotseling sneller gaat slaan. En donker schaamhaar. Toch apart voor zo’n helblonde meid. Dan is ze de kamer uit om een douche te nemen. Dat doet ze altijd voor ze naar bed gaat. Je slaapt beter met een fris lichaam. En of hij na haar hetzelfde wil doen. Hij zal merken dat hij ervan opknapt.
"Waarom doe je dit voor me," vraagt hij als hij naast haar in bed ligt. Hij bedoelt: maak mij niet wijs dat een vrouw geïnteresseerd is in een wanhopige sukkel met liefdesverdriet. Verlangend naar straf wacht hij op een antwoord vol medelijden, opoffering en naastenliefde. In plaats daarvan trekt ze hem tegen zich aan en streelt hem over zijn hoofd en zijn rug. Het voelt lekker. Helemaal niet zielig. Een wonderbaarlijke meid, die Kas, denkt hij. Lijkt nergens mee te zitten. En dat voor die leeftijd. Hoe oud zou ze zijn? Ergens tussen twintig en vijfentwintig. Wat een zelfvertrouwen. Ze begint over zichzelf te vertellen. Ze lijkt te begrijpen dat hij geen zin heeft in zijn verdriet te blijven rondwentelen, dat hij behoefte heeft aan afleiding. Haar hele levensgeschiedenis volgt, onnadrukkelijk, haast terloops verteld, terwijl ze hem blijft strelen. Als klein kind is ze met haar vader en moeder uit Chili naar Nederland gekomen, gevlucht voor het regime. Een hele nare situatie, waar ze maar weinig van begreep, maar die indirect haar leven heeft getekend. Voor haar vader was het verschrikkelijk. Zelf een democraat, en een tegenstander van Pinochet. Maar uit een rijke familie. Zijn broer was minister, was verantwoordelijk voor het moorden. Haar vader werd verscheurd door het conflict tussen loyaliteit aan zijn familie en zijn democratische idealen. Hij was geen man voor gewapend verzet, integendeel, maar door zijn protesten bracht hij zijn leven en dat van zijn gezin in gevaar. Bijna werd hij gearresteerd, maar door tussenkomst van zijn broer bleef hij gespaard en werd hem de mogelijkheid gegeven met vrouw en kind naar Nederland te vluchten. Het was voor hem een verschrikkelijke nederlaag, die hij nooit te boven kwam. Hij werd verteerd door de vreselijke waarheid, dat hij door een moordenaarshand was gered. Dat vrienden van hem door dezelfde hand waren omgebracht. Hij kon niet met zichzelf in het reine komen, kon niet meer zijn vrienden onder ogen komen. Na een paar jaar pleegde hij zelfmoord, maar hij was al dood toen hij Chili verliet. Met haar moeder bleef ze alleen achter. Alleen in een vreemd land, daar word je sterk van, als je hebt besloten te overleven. Ze hadden het gered. Haar moeder was jong, veel jonger dan haar vader, en sterk van karakter. Ze had zich uit een eenvoudige familie op eigen kracht opgewerkt tot docent aan de universiteit, waar ze haar man had leren kennen. Kas had het karakter van haar moeder. Ze miste de gevoeligheid, de artistieke inslag van haar vader, maar haar moeder had haar het vermogen geschonken zich overal te handhaven. Het was goed met haar gegaan, ook nadat haar moeder naar Chili was teruggekeerd. Ze was nu een Hollandse. Ze had haar verleden achter zich gelaten. Ze had haar haar kortgeknipt en geblondeerd. Het was trouwens voor een Latijns Amerikaanse nooit erg donker geweest, als klein meisje was ze zelfs min of meer blond. Haar naam had ze eveneens aangepast. Kas. Kort en krachtig. Ook dat onderstreepte haar onafhankelijkheid.
Een bijzonder meisje, vindt hij. Aparte levensgeschiedenis. Daar zit een verhaal in. Het gemak, waarmee ze de dingen doet. Verbazingwekkend. De totale afwezigheid van elke pose. Uitzonderlijk. Vredig ligt hij in haar armen te luisteren. Zijn eigen ellende is naar de achtergrond verdrongen. Een lichamelijk welbevinden begint zich in hem te nestelen. Hij draait zijn gezicht naar het hare. Hij voelt de sterke drang haar te kussen. Het is een gevoel dat zich buiten zijn wil om manifesteert. Zij ontvangt zijn aandacht met een ongedwongen vanzelfsprekendheid, beantwoordt de kus met de intimiteit van een jarenlange liefdesband. Wat zoent ze lekker! Het doet hem smaken naar meer. Met een lome souplesse laat ze zich op haar zij rollen, zodat hij zijn lichaam tegen het hare kan drukken. Een lang en zwijgend wisselen van kussen vindt plaats, een dialoog van bedoelingen, vragen en antwoorden. Belangstellend begint hij de rest van haar lichaam te verkennen. Het is zacht en stevig, atletisch en vrouwelijk. Kas laat alle aandacht tevreden op haar neerdalen. Dan duwt ze zijn hoofd omlaag, zodat hij met zijn mond haar borsten kan betasten. De tepel met de piercing belandt tussen zijn lippen. Hoe zou dat voelen, vraagt hij zich af. Wat voor sensatie geeft een doorboorde tepel. Wat is de kleur van de pijn? Of voel je het na verloop van tijd niet meer, is het zelfs een plezierige gewaarwording? Zou de tepel gebloed hebben, toen ze werd doorboord? Hij stelt zich de grote sterke hand voor, die het kille metaal vastberaden door het vlees drijft. Heeft ze kreten geslaakt? Welden er tranen? En nu, wat is het effect van zijn tanden? Wat als hij haar borst in zijn mond laat verdwijnen en op de tepel zuigt. Wat als zijn lippen spelen met het ringetje? Hij wil haar geen pijn doen. Hij voelt zich vreedzaam en vriendelijk. Kas duwt zijn hoofd steviger op zijn borst, zo hard, dat hij bijna geen adem kan halen. Ze trekt aan zijn haar, vertelt hem woordeloos wat de bedoeling van het spel is. Het wordt hem duidelijk wat ze wil. Ongebruikelijke sensatie! Hij zuigt, trekt en knabbelt. De geluiden die ze maakt illustreren een toenemende opwinding. Aanstekelijk, dat kreunen. Stimulerend. Mijn god! Wat een rijk arsenaal aan ingehouden geil gekreun. Wat een tonaliteit aan hitsig hijgen. Zijn hand glijdt over haar platte buik, door het smalle streepje schaamhaar. Ook dat wordt onderdeel van zijn experiment. Hij windt het om zijn vingers en trekt eraan. Ritmisch. Ritmisch kreunen. Ritmisch terugtrekken. Ritmisch verzet.
Haar vagina lokt. Plotseling voelt hij een diep verlangen naar haar vagina. Zijn hand gaat tussen haar benen, voelt de vochtigheid en vindt de opening. De vagina, bron van het leven. Vrouwelijke essentie. Nieuw verlangen. Onbegrijpelijk. Lokkend. Troostend. Zacht verkennen zijn vingers de omtrek, de plooien, de diepte, de warmte. Hij legt zijn hoofd op haar buik om dicht bij haar vagina te zijn. Hij ruikt de eigenaardige geur, de geur van onschuld en verdorvenheid. Hij voelt een onbekend verlangen in haar vagina af te dalen, in haar binnen te gaan. Geen coïtus, geen opgewonden verstijven, geen drang tot de daad, maar daadwerkelijk helemaal in haar binnentreden, in haar opgaan, verdwijnen. Een kinderlijk verlangen naar warmte en bescherming. Met zijn hoofd tussen haar benen, zijn neus in de vochtigheid van haar vlees valt hij in slaap. Zijn laatste gewaarwording is haar hand die zacht zijn haren streelt.
De volgende morgen wordt hij verkwikt wakker, met zijn hoofd gewoon op het kussen. Vaag zweeft in zijn brein een gevoel van tragiek, maar het houdt zich op de achtergrond. Kas is al opgestaan. Gekleed in niet meer dan een kleine kanten zwarte beha drentelt ze rond het bed. Blijkbaar wil ze weten hoe het met hem gaat. Hij slaat haar met welgevallen gade. Hij slaat haar gade met veel meer dan welgevallen. Dit is opwindender dan pure naaktheid. Wat een uitdagende volgorde van aankleden: eerst een beha waar je dwars doorheen kijkt en daarna stoppen. Een vertrouwd gevoel wordt in hem wakker. Alleen de volledige vanzelfsprekendheid van haar aanstootgevend gedrag houdt hem in toom. Hij pakt haar arm als ze zich over hem heen buigt en trekt haar het bed op. Ze valt dwars over hem heen en voelt zijn opwinding. "Yeah! Bad boy’s back in town," zegt ze kalm, terwijl ze zich tegen hem aandrukt en hem met haar hele lichaam zoent. Hij verwondert zich wederom over de mate waarin ze de situatie beheerst. Die kalme natuurlijke controle. Al even kalm maakt ze zich los uit zijn klemmende omhelzing en gaat naast hem op bed zitten. "Nu even niet," zegt ze. Het hoeft geen nadere uitleg. Zonder enig misnoegen legt hij zich bij haar beslissing neer.
"Waarom ben je je Kas gaan noemen?" vraagt hij. "Dat is toch geen meisjesnaam? Kaspar, of zo. Dat is toch niet je bedoeling, om een jongetje te zijn. Daar merk ik tenminste niks van." Hij voelt de heftige drang het jongetje weer in zijn armen te nemen, het hoogstpersoonlijk in een meisje om te toveren. Een god lijkt echter zijn daden te remmen en al zijn energie naar zijn geslacht te leiden, zodat de rest van zijn lijf slap en krachteloos blijft liggen. Ze slaat haar handen voor haar borsten en drukt ze plat. "Had je me liever zo?" vraagt ze. Hijgend van opwinding schudt hij zijn hoofd. "Ik noem me geen Kas. Zo heet ik. Het heeft niets met Kaspar te maken. Heb ik je al verteld, dat mijn vader hoogleraar klassieke cultuur was aan de Universiteit van Santiago? Een echte Aeschylos-fanaat. Dus toen ik in een soort stuitligging geboren werd, en ik dus wel de mythologische gave van de helderziendheid moest bezitten, wilde hij dat ik Kassandra ging heten, de priesteres die de ondergang van Troje voorspelde, maar niet werd geloofd. Mijn moeder vond het een vreselijke naam. Veel te dramatisch voor een klein meisje, zei ze altijd. Dus ze noemde me altijd anders, onschuldig. Toen ik vijftien was, of zo, en ik mezelf van haar wilde losmaken, ging ik me noemen, zoals zij me nooit had genoemd: Kas. En een korte naam is ook wel lekker makkelijk."
"Bezit je echt de gave van de helderziendheid?" De god lijkt, nu het verhaal van de oorsprong verteld is, zijn blokkade te hebben opgegeven. Als een mythologische held legt hij haar in een machtige beweging onder zich open. "Vertel me dan eens of dit de laatste keer is dat wij elkaar treffen in dit leven. Dan zal ik nu handelen om het afscheid onvergetelijk te maken." Beheerst dringt hij aan. Hij duwt de deur van haar schoot op een kier. Ze lijkt geen bezwaar te maken tegen zijn binnenkomst. Met twinkelende ogen en een stem die de plechtige klank heeft van profetieën antwoordt ze: "In de cirkels die het verhaal van jouw leven gaat maken zul je me talloze malen tegenkomen." Opgelucht haalt hij adem. Gelukkig! Ze heeft klaarblijkelijk niet de bedoeling straks de deur uit te lopen en hem nooit meer te zien. Voorzichtig duwt hij de deur wat verder open. Hij is nu half binnen. Nog een klein stukje verder en het feest kan beginnen. "Er zullen vele dagen volgen om je boom te planten, mijn Agamemnon," fluistert ze, met nog steeds diezelfde plechtige stem. Dan wringt ze zich verbazingwekkend handig onder hem vandaan. "Maar nu moet ik gaan." Ze gebruikt weer haar normale stem, en ze moet er bij lachen. Waarschijnlijk omdat ik weer zo’n rare, teleurgestelde bek trek, denkt hij. "Sorry hoor, maar ik heb over een paar minuten een werkgroep, waar ik echt bij moet zijn." Met een verbazingwekkende snelheid kleedt ze zich aan en verdwijnt ze. "Hou je taai, hè," roept ze nog, voor ze de deur achter zich dichttrekt.
Als ze weg is, komt de onrust weer in hem boven. Eerst is er de seksuele honger naar warm, zacht vrouwenvlees. Hij had zo graag. Shit! Hij was er bijna. Hij was zowat al binnen. Een beweging was genoeg geweest. In zijn hete gedachten volvoert hij de daad. Hij komt snel en heftig. Dan komt het knagende verdriet op, het verlies van Meike, de problemen met zijn boek. Hij weet weer hoe hij zich gisteren voelde, hoe hij door Kas uit de shit moest worden getrokken. Nu zij weg is komt de wanhoop weer binnen. Waarom is het zo gelopen? Hoe moet het nu verder? Leuke meid hoor, Kas. Fantastische meid, zelfs. Ze had hem fantastisch opgevangen, echt door een dieptepunt heengetrokken. Hij was voor haar charmes gevallen. Hij had haar bijna geneukt. Het zou ongetwijfeld fantastisch zijn geweest. Ze zat echt nergens mee, die meid. Maar Jezus, Meike was weg. Meike had haar kont nog niet gekeerd of hij lag alweer met een ander te rollebollen. En waarom? Puur verdriet. Gebrek aan karakter. Slappe lul ben je, Richard, om te denken dat je pik alle problemen wel oplost. Welbeschouwd was zijn leven nog steeds een zooitje. En had hij nou geprobeerd er een beetje orde in aan te brengen? De boel wat op te ruimen? Nee hoor, meteen een complicatie erbij. Weer iets om je zorgen over te maken. Kas komt en gaat als het haar uitkomt, zo reëel moet je toch wel zijn. En ga ik dan zitten wachten op haar komst? Ga ik me zitten opvreten van ellende als ze wegblijft?
De deprimerende gedachten razen in sneltreinvaart door zijn brein. Tevergeefs probeert hij ze te stoppen. Ze zit niet op me te wachten. Ik beteken echt niets. Een grappig detail. Oudere schrijver die met zijn neus in haar kut in slaap valt. Verdomme! Ik ben echt veel ouder. Ik ben gek op jonge vrouwen. Meike is ook een stuk jonger dan ik, een jaar of vijftien. Maar Kas, die is zo jong. Ik ben minstens twee keer zo oud als zij. Voor haar ben ik een ouwe lul. Ik kan haar vader zijn. De gedachte, dat hij haar vader kan zijn neemt bezit van hem. Het begint een obsessieve werkelijkheid aan te nemen. Kas. Kassandra. Die naam. Waarom doet die naam plotseling zo onheilspellend aan? Hij voelt mee met de moeder, die het kleine meisje geen Kassandra wilde noemen, die dat te dramatisch vond. Maar wat dan? Hoe heette Kas toen ze jong moest vluchten uit Chili? Hij realiseert zich met een schok, dat het Sandra moet zijn geweest. Jezus Christus! Hoe was het ook al weer? Een laatste schip heeft de hoofdstad verlaten. Na een lange tocht vol gevaren loopt het de veilige haven binnen. De schrijver staat op de kade. Dan ontwaart hij aan de reling een geliefde gestalte, rank en slank. Het weelderige donkere haar wuift in de milde bries. Tegen zich aan gedrukt houdt zij haar kleine dochter. Een blond meisje! Zijn verhaal! Maar dit is geen verhaal, dit is werkelijkheid. Dit kan toch niet waar zijn? Hoe lang was het geleden, de ontmoeting met Rosita. Hoe oud zou de dochter nu zijn, de kleine Sandra van weleer? Drieëntwintig? Hoe oud is Kas? Kassandra! Die heeft toch dezelfde leeftijd! Mijn god, wat is er aan de hand?
Als een bezetene begint hij te graaien in de ordelijke stapels van zijn verhaal. Al gauw liggen de vellen papier overal verspreid over de vloer. Zijn angstig vermoeden neemt met de minuut concretere vormen aan. Natuurlijk! Niet alles klopt letterlijk, maar de waarheid verplettert de verschillen in detail. Wat maakt het uit, dat de vader van Kas hoogleraar was en geen meedogenloos politicus. Het was zo lang geleden. Je vergeet dingen. Maar haar oom dan, de bloeddorstige minister. Zie je wel dat het klopt! In essentie klopt het. Alle aanwijzingen wijzen in de richting van dezelfde verschrikkelijke waarheid. Het is hetzelfde. Het maakt geen verschil. Hoe kan je je dochter niet herkennen als ze voor je staat. Jarenlang leeft ze pal onder je neus en je weet het niet. Dan komt ze je leven binnen en je wilt met haar naar bed. Dronkenschap redt je van de ergste zonde die bestaat. Je kruipt door het oog van de naald, maar deze vingerwijzing gods weiger je te begrijpen. Een nieuwe kans op verlossing. In een situatie van loutering komt ze als een engel naar je toe. Alles wat je hoeft te doen is haar in je armen te sluiten en haar als je dochter te erkennen. Maar je bent te vervuld van eigen verdriet om de boodschap te ontvangen. Je wilt haar bezitten als een hoer, maar de goede god houd je tegen. Denk aan de schoot, waaruit zij is voortgekomen, roept hij je toe. Maar je bent doof voor alle vermaningen. Als de duivel de volgende morgen de overhand krijgt, grijpt god wederom in. Talrijke vingerwijzingen geeft hij. Hij wil slechts, dat je je ogen opent. Maar alleen de verlokkingen van het vlees hebben je aandacht. Door de onschuld van je dochter word je gespaard. Ze neemt afscheid voordat jij je goddeloze daad kunt verrichten. Ze wijst je de weg naar verlossing. Ze vertelt je talloze dingen die je de waarheid kunnen doen ontdekken. Maar jij bent blind en doof. Verlekkerd voltrek je alsnog de verschrikkelijke zonde, verkracht je haar onschuld, vergrijp je jezelf aan haar beeld, bezoedel je de mooiste en puurste relatie die een man kan hebben, de relatie met zijn dochter. Smerig beest. Onwaardige klootzak.
Koude rillingen lopen over zijn rug. De omvang van zijn schuld vult alle hoeken van zijn bestaan. Een doffe pijn dringt zijn hoofd binnen. Hij verliest de controle over zijn lichaam. Hij wil het uitschreeuwen, maar hij kan geen geluid meer voortbrengen. Dit is mijn straf, denkt hij. Ik heb het puurste in mijn leven verkwanseld. Voor mij is er geen hoop meer. Waarom zou ik verder leven. Ik word uit elkaar getrokken door monsters. Hete ijzers worden mijn lichaam in gedreven. Laat alles zwart worden. Laat het ophouden.
Geuren. Nieuwe sensaties. Een nieuw bestaan zonder kleur en geluid. Ziet zo de eeuwigheid eruit? Een bestaan dat uit geuren bestaat? Geuren die je in je vorige bestaan voor vanzelfsprekend hield, waaraan je geen aandacht besteedde? Een rijkdom aan verborgen boodschappen. Subtiel. Subliem gefilterd. Een universum aan nieuwe ervaringen, waaraan je roerloos, inert, deelgenoot wordt. Niets doen en in alles delen. Is dit de kern van de eeuwigheid? Is er een verhouding met het vorige leven? Ruiken wat ook toen geroken kon worden? Herkenning? Ja, herkenning. Herinnering. Aandacht. Dit ken ik. Dit weet ik. Ik kan het benoemen. Het is… Het is de geur van koffie.