|
9. BOUWKUNDE |
INDEX
HOME PAGE |
HOMO SAPIENS
Door de eeuwen heen hebben mensen zich afgevraagd waarin zij zich onderscheiden
van dieren. Meer in het bijzonder, wat de mens tot mens maakt. Deze
antropocentrische vraag gaat voorbij aan het probleem dat elke soort zich nu
eenmaal onderscheidt van alle andere soorten en dat het antwoord een universeel
karakter zou kunnen hebben. Maar dat is voor mensen vaak geen bevredigend
antwoord. Te meer daar de historische ontwikkeling heeft uitgewezen dat de mens
(als soort) in een zeer korte tijd (geologisch gezien) een heersende rol op
aarde is gaan spelen die zijn weerga niet kent. Bovendien zijn de meeste mensen
nu eenmaal meer in zichzelf geïnteresseerd dan in het totale universum.
Enkele kenmerkende eigenschappen var de mens kunnen we op een rijtje te
zetten:
- Cognitie. De mens heeft relatief grotere hersens dan dieren;
daarmee heeft de mens waarschijnlijk meer verstandelijke vermogens dan dieren
ook al weten we dat sommige diersoorten heel slim zijn; over de mate van
bewustzijn bij dieren kunnen we slechts gissen.
- Taal. De mens heeft een aangeboren gevoel voor grammatica en
daarmee taal kunnen ontwikkelen; vooral jonge kinderen kunnen zich een taal
makkelijk eigen maken, naarmate men ouder wordt kost het meer moeite; ook dieren
communiceren maar er is waarschijnlijk geen diersoort dat de subtiliteit en
complexiteit van de menselijke communicatie evenaart.
- Techniek. De mens loopt rechtop en heeft daarmee zijn handen
vrij om niet alleen te grijpen (opponeerbare duim) maar ook om gereedschappen te
maken; sommige diersoorten lopen ook rechtop en sommige diersoorten maken ook
gereedschappen maar geen van deze soorten kunnen tippen aan de vermogens van de
mens in dit opzicht.
- Moraliteit. De mens onderscheidt goed en kwaad; dit leidt vaak
tot conflicten tussen mensen omdat het onderscheid de basis legt voor een eigen
religie; dieren lijken geen morele overwegingen te kennen en er is niets in hun
gedrag dat wijst op een behoefte aan religie.
- Esthetiek. De mens verlangt naar schoonheid maar eigenlijk
weten we niets van dergelijke verlangens bij dieren; schoonheid is een cultureel
begrip en er bestaat geen bewijs dat puur natuur schoonheid ontbeert.
Afzonderlijke kenmerken zijn minder doorslaggevend dan hun combinatie. Wat de
mens tot mens maakt is juist de combinatie van de beschreven eigenschappen.
Vragen die je hierbij dient te beantwoorden zijn:
- Is men een mens als men beschikt over deze 5 eigenschappen? Hoort
bijvoorbeeld een naakte huid niet ook bij dit rijtje? Met andere woorden, is een
persoon met een zware vacht (door een mutatie) géén mens? In sommige kringen
staat ook de kleur van de huid te discussie.
- Is men géén mens als men (nog) niet beschikt over alle 5
eigenschappen? Bij een baby zijn bovengenoemde eigenschappen nog nauwelijks
ontwikkeld; is een baby daarom nog géén mens? En wanneer dan wel? En hoe zit het
wanneer iemand ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard of wanneer de hersenen niet
ontwikkeld zijn in het embryo, wel of geen mens?
Antwoorden op dergelijke vragen kunnen verstrekkende maatschappelijke gevolgen
hebben en het is onze verantwoordelijkheid (ook al zo’n menselijke eigenschap)
om daar over na te denken.
Een voorname eigenschap van de menselijke soort die niet in bovenstaand rijtje
staat omdat hij bij uiteenlopende diersoorten ook voorkomt is het sociale
gedrag. De mens leeft in groepen die in grootte uiteenlopen van enkele families
tot gemeenschappen van vele duizenden individuen. De sociale structuur binnen de
groep is complex maar kent binnen elke gelaagdheid een duidelijke rangorde:
enkele geestelijke en/of fysieke leiders en vele vrijwillig ondergeschikten met
de nodige taakverdeling. Natuurlijk vinden er regelmatige verschuivingen binnen
elke laag en tussen de lagen plaats maar de structuur blijft bestaan. De basis
van de sociale structuur ligt waarschijnlijk in een combinatie van aanleg en
opvoeding. Van alle diersoorten hebben mensen veruit de meeste tijd nodig om
zich te ontwikkelen tot volwassen wezens. Pas 12 jaar na de geboorte zijn ze in
staat tot voortplanting, maar dan zijn ze nog lang niet tot lichamelijke en
geestelijke wasdom gekomen. De oorzaak van deze trage ontwikkeling wordt wel aan
neotenie of ‘vroeggeboorte’ geweten en het gevolg ervan is dat kinderen
erg afhankelijk zijn van hun oudere soortgenoten wat een stimulerend effect
heeft op de ontwikkeling van groepsgedrag. Aan de andere kant is het ook zo dat
ouderen de neiging hebben om zich te ontfermen over de jongeren en kwetsbaren,
zelfs van andere soorten.
ONTWIKKELING VAN DE BOUWKUNDE
Inleiding
(door J.J.Norwich in Geschiedenis van de bouwkunst, 1975)
De mens is niet altijd bouwer geweest. Toen hij van de jacht afhankelijk was om
in leven te blijven, leidde hij noodzakelijkerwijs een nomadenbestaan en stelde
hij zich tevreden met holen of geïmproviseerde schuilplaatsen in het bos. Maar
toen ontdekte hij, ongeveer 10 000 jaar geleden de geheimen van de landbouw.
Voor het eerst kon hij zich de weelde van vaste woonplaats veroorloven; en op
dat ogenblik werd de architectuur geboren.
De vroegste ontwikkeling verliep langzaam. De grondbeginselen van het bouwen
moesten met vallen en opstaan worden geleerd; men moest werktuigen uitvinden en
vervaardigen, materialen opsporen en vervoeren en technische vaardigheden
aanleren en ontwikkelen. Een aantal beschavingen slaagden er desalniettemin in
om moeizaam maar gestadig vooruit te komen omdat zij de problemen zoals die zich
aan hen voordeden, wisten op te lossen. Andere beschavingen werden soms eeuwen
in hun ontwikkeling belemmerd omdat een essentieel element onontdekt bleef: het
wiel, het smelten van ijzer of de boogconstructie van het gewelf.
Toch versnelde het tempo zich geleidelijk. De mens ontdekte dat hij een talent
had voor bouwen. Datzelfde instinct dat een kind ertoe aanzet om, soms nog voor
het kan lopen, het ene blok op het andere te stapelen, bracht de mens tot steeds
gedurfdere experimenten. Nieuwe uitdagingen lokten nieuwe oplossingen uit en
steeds groeide zijn kennis.
Ook zijn aspiraties groeiden. Het was niet meer voldoende een woonplaats te
hebben; hij begon zijn aandacht te verschuiven naar een graf waarin hij begraven
kon worden, een monument waardoor de herinnering aan hem levend zou blijven, een
paleis van waaruit men kon regeren, een heiligdom waarin men met zijn vrienden
de goden kon aanbidden.
Dergelijke gebouwen moesten, gezien hun doel,
gebouwd worden als permanente bouwwerken die tevens imponeerden. Zo maakte leem
plaats voor hout, hout voor baksteen, baksteen voor natuursteen en natuursteen
voor marmer. De uitvinding van de boogconstructie leidde tot de uitvinding van
het gewelf, de steunpilaar en de koepel.
Intussen was de architect kunstenaar geworden. Hij had geleerd dat de schoonheid
die schilders en beeldhouwers, stukadoors en mozaïekleggers schiepen – hoe
schitterend zijn bouwwerk na voltooiing ook verfraaiden – in de grond van de
zaak slechts versiering was en aan de oppervlakte bleef. Hij besefte dat de
kunstenaars zijn grondstructuur uitsluitend als ondergrond of, in het gunstigste
geval, als geraamte gebruikten voor hun eigen virtuositeit. Ware
architectonische schoonheid was iets heel anders en heel wat abstracter. Als
deze bestond, moest zij eigen zijn aan de lijnen en verhoudingen en het
perspectief van het bouwwerk zelf; dat moest aan het gevoelige oog een
innerlijke logica onthullen waarin elk afzonderlijk detail in zijn eigen
speciale verhouding stond tot elk ander detail en tot het geheel.
Deze innerlijke logica was tot op zekere hoogte wiskundig, maar … niet helemaal.
De Grieken uit de 5e eeuw voor Christus die de wetten van de bouwkundige
harmonie beter begrepen dan welk volk voor of na hun tijd ook, wisten dat het
menselijk oog niet alleen feilbaar is maar ook beïnvloed kon worden; om de beste
resultaten te bereiken, moest een architect leren hier rekening mee te houden en
het uit te buiten. Vandaar de uitvinding van de entasis: een door de
Grieken toegepaste bouwstijl om hun zuilen opzettelijk in het midden iets naar
buiten te laten buigen, om het optisch bedrog dat een rechte lijn gebogen doet
lijken, te neutraliseren – een foefje dat zoveel succes bleek te hebben dat het
weldra ook op horizontale vlakken werd toegepast. Als men hun meest grootse
monument, het Parthenon, aan een onderzoek onderwerpt, zal men ontdekken dat er
praktisch nergens in het gebouw een rechte lijn is.
Maar ook al is architectuur kunst, zij is uiteraard ook doelmatig. Het is niet
voldoende dat een architect een prachtig bouwwerk ontwerpt zoals een schilder
een schilderij maakt of een componist een symfonie, maar zijn werk moet tevens
beantwoorden aan het doel waarvoor het ontworpen is. Als dat niet gebeurt, als
hij voor een ogenblik esthetische overwegingen veel zwaarder laat wegen dan
praktische, zodat zijn bouwwerk niet aan het doel beantwoordt, dan blijft het
ook als architectonisch werk in gebreke. Er bestaat geen grote bouwkunst die
niet tevens functionele architectuur is.
Waarschijnlijk is dit functionele aspect er de oorzaak van dat architectuur de
minst gewaardeerde van alle kunstvormen is; dit plus het feit dat er te veel
architectuur is. Omdat het een levensbehoefte voor ons is, zien wij het
voortdurend om ons heen en omdat we het overal om ons heen zien, zijn wij
geneigd het helemaal niet te zien. Wij vinden het vanzelfsprekend en ons
bewustzijn reageert er anders op dan wanneer wij tegenover een schilderij of
beeldhouwwerk komen te staan. Vaak is dat, jammer genoeg, maar goed ook. Maar
weinig mensen hebben het geluk om in echt mooie steden te wonen zoals Venetië,
Praag of Punjab; voor diegenen die gedwongen zijn hun leven te slijten in een
omgeving met gebouwen die variëren van middelmatig tot afgrijselijk is een
zekere afstomping van het esthetisch gevoel gezien de omstandigheden even
heilzaam als onvermijdelijk. Dat betekent evenwel niet dat we niet in staat zijn
dat gevoel opnieuw te scherpen.
Natuurlijk vallen de grote bouwwerken van de wereld onder een enigszins andere
categorie. Het gevaar dat men die niet zou opmerken is klein, vooral als
men vele kilometers gereisd heeft om hen te zien. Maar terwijl zij
waarschijnlijk veilig voor het nageslacht bewaard zullen blijven – dat hoopt men
althans – is het merendeel van die andere bouwwerken voortdurend in gevaar. Als
men wil dat zij in stand gehouden worden, moet men ervoor vechten; en omdat
bouwwerken niet alleen het eigendom zijn van hen die erin wonen en werken maar
daarentegen ons gezamenlijk architectonisch erfdeel, valt het behoud ervan onder
de verantwoordelijkheid van ieder van ons. Te veel van dit erfdeel is
onherroepelijk verloren gegaan in de vorige eeuw. Wij moeten allen vechten om te
redden wat er nog over is, zolang er nog iets te redden valt.
Klassieke bouwstijlen
(uit Repetitorium voor de geschiedenis der bouwkunst door J.J.
Vriend, 1987)
Egyptische bouwkunst
Tijd:
5000-100 v.Chr. Bloeitijd ca 2500 v.Chr. en
ca 1500 v.Chr.
Plaats:
Nijldal (Memphis en Thebe)
Cultuur
De Egyptenaar gelooft in de onsterfelijkheid van
de ziel (‘Ka’). Het lichaam van de overledene werd zo lang mogelijk in stand
gehouden d.m.v. mummificatie. De graven dienden ter bescherming van de mummie en
als woning van de ziel. De bouwkunst ontwikkelde zich uit de grafbouw:
achtereenvolgens grafkuil (in woestijnzand), mastaba (massief stenen bouwwerk),
piramide (veredelde mastaba, konongsgraf). Het centraal gezag wordt gevormd door
de Farao (alleenheerser en opperperiester)
Materialen:
Baksteen van in de zon gebakken leem vermengd
met strohaksel. Zandsteen en kalksteen, graniet en hout (schaars).
Onvergankelijk bedoelde bouwwerken werden van graniet gebouwd. Woningen e.d. van
hout en leem.
Technieken:
Stapeltechnieken (cement is er nog niet):
zware stenen zuilen en balken met nauwelijks ruimteontwikkeling (tempels met
dicht opeen geplaatste zuilen; piramiden). Hefboom werd waarschijnlijk al
toegepast.
Ontdekking wiel: ca 1500 v.Chr. Heeft mogelijk
aanleiding gegeven tot ontwikkeling van takeltechnieken.
Ontdekking blaasbalg/hete lucht oven betrekkelijk kort
voor onze jaartelling): van belang voor het winnen van ijzer uit ijzererts (hoge
smelttemperatuur van ijzer maakt de blaasbalg noodzakelijk)
Bouwwerken:
mastaba’s: rechthoekige sarcofaag op grote diepte
onder mastaba (bank).
Piramiden: vierkante terrassen met schuine kant:
trappiramiden (Saqqara, 3000); knikpiramide (Dasjoer, 3000); later gladde wanden
(Cheops, 2850)
Mesopotamische bouwkunst
Tijd:
3000-500 v.Chr.
Plaats:
Babylonië en Assyrië. Gebied tussen
Eufraat en Tigris tot aan Middellandse zee
Culturen:
Sumeriërs, Assyriërs, Babyloniërs, Joden,
Perzen
Materialen:
In de zon gebakken kleistenen in tegelvorm
met daarop versieringen van kalksteen en albast of een laag glazuur. Hout kwam
in deze streken vrijwel niet voor en moest worden geïmporteerd. Voor glazuur
dient zand als grondstof.
Aan de oppervlakte verschijnend aardolie leverde bitumen / asfalt dat werd
gebruikt om plateaus en daken waterdicht te maken.
Technieken:
Stapeltechnieken (cement was er nog niet).
Ontwikkeling van platte ronde steen t.b.v. het pottenbakken (draaischijf) is
eerste aanzet geweest tot ontwikkeling draaideur (scharnier) en later tot wiel.
Boogbouw werd toegepast (600) door stapelingen van platte stenen: daarmee konden
poorten en kleine overkoepelingen gebouwd worden.
Bouwwerken:
Gemeenschapsgevoel leidt tot stadsmuren
(veiligheid; Jericho)) en behoefte aan centraal gezag leidt tot bouwen van
paleizen en tempels (Gilgamesh, Nebukadnezar;). Binnen een door muren met
borstweringen en vestingtorens omgeven nederzetting lag op een verhoging het
complex van heiligdom en paleis. Het heiligdom was de ziggurat: sacrale
trapvormige piramide met een omloop die geleidelijk naar de top voerde (toren
van Babel). Soms ook bestaande uit terrassen (rechthoekig) met lange stenen
trappen bereikbaar en opgetrokken uit baksteen (buitenzijde geglazuurd), aan
binnenzijde opgebouwd uit lagen riet en ongebakken bakstenen en bedekt met
bitumen.
Griekse bouwkunst
Tijd:
Aegeïsche periode 3000-1100 v.Chr.
(Pelasken).
Helleense periode 700-300 v.Chr. (klassiek =
voorbeeldig, onovertrefbaar).
Hellenistische bouwkunst ca 338-146 v.Chr. (Alexander de
Grote).
Plaats:
Gebied rond de Aegeïsche zee (Grieken)
met voornaamste centra: Kreta (Mycenae) en Peloponnesus (Athene onder
Pericles).
Cultuur:
Gedecentraliseerd bestuur: democratische
stadstaten. De Grieken omvatten verschillende grote stammen zoals de Doriërs, de
Ioniërs en Aeoliërs. Zij drongen vanuit het noorden langzaam door in het Griekse
schiereiland. Door overbevolking ontstond expansie. Er werden koloniën gesticht
(Sicilië, Zuid-Italië, westkust Klein-Azië).
Het godendom was uitgebreid en zetelde vooral op de Olympus. Goden waren
onsterfelijk, maar werden evenals mensen beheerst door het noodlot (Fatum).
Materialen:
Aanvankelijk hout (vrijwel geheel verloren
gegaan), later zandsteen, marmer en stucwerk dat veelkleurig werd bewerkt.
Technieken:
Vanaf ca. 1100 v.Chr: ijzertijd; stapelen van
stenen (nog geen echt metselwerk). Wiskunde is voornaamste tak van wetenschap,
praktisch vooral van belang voor landmeting, oorlogsvoering en bouwkunde.
Beelhouwkunst neemt grote vlucht; tempels vormden een schrijn voor het rijk
bewerkte godenbeeld dat erin werd opgesteld. De entasis wordt ontwikkeld (zie
hieronder)
Bouwwerken:
Op Kreta vooral paleizen die
herhaaldelijk verwoest zijn, waarschijnlijk door vloedgolven. Een paleis werd
opgetrokken uit een groot aantal willekeurig geplaatste vertrekken rondom een
centrale binnenplaats en werd later labyrint genoemd. In de Dorische tijd
werden zware versterkingen (muren, forten) gebouwd en werd het megaron
(rechthoekig gebouw met voorportaal) ontwikkeld (aanvankelijk uit hout
opgetrokken).
Tempels waren woonplaatsen van goden en moesten indrukwekkende
uitstraling hebben. Daartoe gaf men de zuilen een enigszins gebolde vorm om het
optische bedrog dat een rechte zuil in het midden dunner wordt, weg te nemen.
Men noemt deze convexe uitzetting entasis.
Later ook veel openbare gebouwen (badhuizen, theaters, agora’s of marktpleinen
en gymnasia).
Romeinse bouwkunst
Tijd:
753 v.Chr. (stichting Rome) – 395 n.Chr.
(splitsing West en Oost Romeinse rijk). Bloeitijd ca 30 v.Chr. – 180 n.Chr.
Plaats:
Appenijnse schiereiland (Italië) met invloed tot
ver in westelijk Europa en Midden- en Oost Afrika.
Cultuur:
Keizerrijk met grote expansiedrift. Voor de
bouwkunst voor5al van belang zijn de eerste keizer Augustus en latere keizers
Vespasianus, Trajanus en Hadrianus. Aanvankelijk grote invloed van de Grieken.
Goden zijn onzichtbare geesten, maar verder lijkt de
godsdienst in veel opzichten op die van de Grieken.
Materialen:
Toegepast werden baksteen, beton (!) en
natuursteen (marmer, travertin). In de buurt van Rome werd puzzolaanaarde
gevonden die, vermengd met steengruis, hydraulische eigenschappen vertoonde en
een uiterst hard betonmengsel opleverde. Voor de bekleding werd marmer of stuc
gebruikt.
Technieken:
Gebruikt werden zowel de tongewelven als de
koepelgewelven en de kruisgewelven. Het antieke kruisgewelf is ontstaan als de
doorsnijding van twee tongewelven. Dit zijn gewelven gebouwd op formelen met
gebruik van gemetselde ribben waartussen gietbeton werd gestort. Ook werden
cassettengewelven toegepast. Hierbij werd gebruik gemaakt van metselstenen van 3
– 4 cm dik om een binnen- en buitenwand op te richten waartussen beton werd
gestort. Ook breuksteen (‘rustiekwerk’) werd toegepast.
Bouwwerken:
Tempels lijken op de Griekse, maar met
een portiek vóór de cella terwijl het geheel is geplaatst op een hoog piëdestal
(Pantheon).
Basilieken of koningszalen dienden voor handel,
bestuur of rechtspraak (Ulpia; Trier).
Termen waren een soort badhuizen met vele
vertrekken voor sportbeoefening en conversatie (alleen nog bouwvallen;
termenmuseum te Heerlen).
In theater (halfcirkelvormig), amfitheater
(cirkel- of ovaalvormig) en circus (rechthoekig!) vonden volksspelen
plaats zoals worstelwedstrijden en dierengevechten (Colosseum).
Het forum of marktplein werd gaandeweg ook voor
feesten en volksvergaderingen gebruikt (Forum Romanum).
Talloos waren de paleizen voor de keizers en
stadsbestuurders en ook veel buitenverblijven of villa’s waarvan vrijwel
niets bewaard is gebleven.
Bij de opgravingen van Pompeï en Hercalanum werd veel
informatie gevonden over de bouw van woonhuizen.
Er zijn maar weinig grafwerken (mausoleum van
Hadrianus).
Overblijfselen van triomfbogen en
stadspoorten zijn talrijker (Bogen van Septimus Severus, van Titus, van
Tiberius, van Constantijn; Porta Nigra te Trier).
Ter herinnering aan overwinningen werden er
gedenkzuilen opgericht. De zuil van Trajanus is 27 m hoog en kan via treden
in de schacht worden beklommen.
Aquaducten dienden voor watertransport en werden
opgenomen in vestingwerken (Porta Maggiore; Pont du Gard).
VASTSTELLEN VAN TIJD EN PLAATS
Hoe laat is het?
Van oudsher worden tijdsbepalingen verricht aan de hand van hemellichamen. Met
behulp van de stand van de zon en maan kon en kan men de seizoenen onderscheiden
en het moment van de dag bepalen. Kalenders kwamen tot stand door nauwkeurige
registraties van de zonnecyclus en de maancyclus. Voor het vaststellen van het
uur van de dag gebruikte men aanvankelijk het eenvoudigste meetinstrument ooit,
namelijk de gnomon.
De gnomon of zonnewijzer is niets meer dan een verticale stok en een horizontale
windroos waarop de schaduw van de stok valt als de zon schijnt. Bij zonsopgang
valt de schaduw in tegenovergestelde richting en is erg lang. Naarmate de tijd
voortschrijdt verandert de richting en lengte van de schaduw. Door regelmatig de
afgebeelde schaduw over te tekenen ontstaat er een lijnenpatroon in de windroos
zoals hiernaast. Elke lijn geeft een bepaald tijdstip van de dag aan.
Waar ben ik?
Ook om onze positie op aarde vast te stellen, worden van oudsher hemellichamen
gebruikt. Dat de aarde een bol is was al lang voor onze jaartelling bekend en
Eratosthenes had zelfs al vrij nauwkeurig berekend hoe groot de omtrek van de
aarde moest zijn. Als je eenmaal kaarten hebt waarop de contouren van landen en
oceanen zijn getekend kun je met behulp van coördinaten de exacte posities
aangeven. Met de coördinaten kun je de breedte en lengte op de bol aflezen. De
breedtegraad kan worden afgeleid uit de poolshoogte. De ‘hoogte’ van de
poolster, die altijd in het noorden staat, kan worden uitgedrukt door de hoek j
(zie tekening) tussen de ster en de horizon. Deze hoek, ook wel elevatie
genoemd, is gelijk aan de breedtegraad waar men zich bevindt. Op de evenaar valt
de poolster samen met de horizon en is de elevatie 0o , bij ons bedraagt ze ca.
52 o en op de Noordpool, waar de poolster recht boven je hoofd (in het
zenith) staat is de elevatie 90 o .
De lengtegraad bepalen is lastiger. Eerst moet er een referentie
(0-meridiaan) worden afgesproken. Op alle punten van deze meridiaan is het even
laat. Ten oosten ervan is het later en ten westen ervan is het vroeger. Elke
graad komt overeen met 4 minuten (etmaal / 360o oftewel 1440 / 360o). Als je
weet hoeveel later (of vroeger) het is ten opzichte van de 0-meridiaan kun je de
lengtegraad berekenen. Je hebt dus een uurwerk nodig om je positie te
bepalen.
De mens is lange tijd afhankelijk geweest van mechanische uurwerken. Het
slingeruurwerk is gevoelig voor schommeling en dus onbruikbaar op een schip. En
juist op schepen is het bepalen van de lengtegraad wenselijk.
VIDEO LONGITUDE
In 1714 werd door de Britse regering een prijsvraag uitgeschreven om de
navigatie op zee aanmerkelijk te verbeteren. Hoewel het geen probleem was om de
breedtegraad vast te stellen (aan de hand van de stand van bijvoorbeeld de zon
of poolster) was men niet in staat om hetzelfde met de lengtegraad te doen.
Daardoor raakten schepen nogal eens verdwaald op zee waardoor velen stierven aan
gebreksziekten of strandden schepen op onverwachte klippen.
Een praktische en bruikbare oplossing om de lengtegraad met een nauwkeurigheid
binnen een halve graad te kunnen bepalen, zou worden beloond met 20 000 pond,
een gigantische beloning voor die tijd. Een commissie bestaande uit
vertegenwoordigers van de wetenschap, de marine en het parlement werd
samengesteld (Board of Longitude) om de inzendingen te beoordelen. Uit de vele
absurde ideeën en dwaze voorstellen die werden ingediend, kreeg men de indruk
dat het probleem onoplosbaar was. De uitdrukking finding the longitude
werd al spoedig synoniem aan stapelmesjokke.
John Harrison was van huis uit timmerman zonder wetenschappelijke en academische
vorming. Met behulp van zijn wiskundig inzicht en talent voor het oplossen van
mechanische problemen bouwde hij als twintigjarige in 1713 een volledig houten
klok die tot op de dag van vandaag nauwkeurig de juiste tijd aangeeft. Hij was
het die, samen met zijn zoon William, een klok ontwierp die ook op een schip
bruikbaar zou zijn. Na een eenvoudige berekening kon met behulp van deze klok de
juiste tijd worden bepaalden daarmee de lengtegraad worden vastgesteld zodat de
positie op zee niet meer tot verrassingen behoefde te leiden.
De wetenschappers in de Board of Longitude hadden echter hun zinnen gezet op een
astronoom als prijswinnaar en pas na veel geharrewar en tussenkomst van de
koning persoonlijk ontving Harrison kort voor zijn dood de prijs die hij
verdiende. De klokken die hij bouwde zijn nog steeds intact en kunnen worden
bewonderd in het maritieme museum in Greenwich.
Voor meer info, raadpleeg
http://wwp.greenwichmeantime.com/clocks-watches/watch/watches/harrison/
http://www.nmm.ac.uk/server.php?show=conWebDoc.355&navId=005001001