8. MILIEUPROBLEMATIEK

INDEX
HOME PAGE


MENS EN MILIEU

De milieuproblematiek komt voort uit een ecologische verstoring. Dat wil zeggen dat het natuurlijk evenwicht tussen planten en dieren door menselijk ingrijpen uit balans raakt. De mens manipuleert de natuur (zie vorige hoofdstuk) met de bedoeling zijn overlevingskansen te vergroten. Dat heeft landbouw en veeteelt tot gevolg, maar gaandeweg ook steeds meer technologie en economisch gewin. De milieuproblematiek bestaat vandaag de dag vooral uit het dilemma tussen economische belangen en ecologische belangen. Het is aan de politiek om de keuzes te bepalen. Daarbij wordt in toenemende mate gesteund op natuurwetenschappelijke kennis en technologische innovaties.

Relatie tussen mens en milieu
Het milieu levert ons voedsel en zuurstof om te leven en grondstoffen om allerlei producten te maken. Daarnaast kunnen we ook genieten van de schoonheid van ons milieu.
Omgekeerd wordt het milieu door ons beÔnvloed doordat de mens ingrijpt in het milieu. De mens kan stoffen toevoegen aan het milieu of er stoffen aan onttrekken. De mens kan ook het milieu veranderen. Het toevoegen van stoffen kan leiden tot vervuiling Het onttrekken van stoffen kan leiden tot uitputting. Het milieu kan zodanig door de mens worden veranderd dat er sprake is van aantasting. De voornaamste oorzaken va de milieuproblemen zijn de enorme bevolkingstoename gekoppeld aan de levenswijze van de huidige mens.


WERELDWIJDE WISSELWERKING

Gaia Theorie
In de jaren zestig kreeg James Lovelock bij NASA de opdracht om de mogelijkheid van leven op Mars te onderzoeken. Lovelock meende dat de aanwezigheid van leven op Mars door de aanwezigheid van zuurstof kon worden vastgesteld. Op aarde zou bij de afwezigheid van leven de zuurstof worden gebonden door allerlei gesteentes aan het aardoppervlak. Lovelock veronderstelde dan ook dat er een chemisch bestaat tussen de gassen in de atmosfeer en de verbindingen in gesteentes. Daaruit leidde hij af dat de huidige samenstelling van de atmosfeer het resultaat was van het leven op aarde. Op grond hiervan formuleerde hij de Gaia-hypothese.
In de benadering van de Gaia-theorie kan de aarde worden verdeeld in sferen: de atmosfeer, hydrosfeer, lithosfeer en biosfeer. Deze sferen zijn onderdelen van hetzelfde regelsysteem. Dit systeem is zo ontwikkeld dat het zichzelf reguleert en verstoringen van het evenwicht opvangt. Het houdt zichzelf in stand door middel van terugkoppeling op ongeveer dezelfde wijze als de kamertemperatuur constant gehouden kan worden met behulp van een kachel en een thermostaat. De huidige atmosfeer bestaat uit 79% stikstof, 20 % zuurstof en 1% overige gassen, vooral edelgassen (argon, neon, enz.). Een heel klein deel wordt ingenomen door koolstofdioxide (0.04%), waterdamp en andere oxiden.
De hydrosfeer omvat al het water op het aardoppervlak: oceanen, rivieren, meren, maar ook gletsjers en poolijs.
De lithosfeer is het totaal aan vaste stoffen waaruit de aarde is opgebouwd. Dat is veruit de grootste massa van alle sferen, maar alleen het oppervlak is van belang. Daar bestaan de gesteentes vooral uit siliciumoxide (kwarts) en andere mineralen (gesteentes) die vaak geoxideerd zijn (bijvoorbeeld ijzeroxide). Sommige delen van het oppervlak bevatten veel koostofhoudende materialen zoals steenkool en aardolie.
De biosfeer tenslotte is het totaal aan leven op aarde.
De wisselwerking tussen de sferen wordt in belangrijke mate door de biosfeer gestuurd en kan men illustreren aan de hand van stoffenkringlopen.
Volgens de gaia-theorie houdt het systeem zichzelf binnen bepaalde grenzen in stand. Worden die grenzen overschreden dan kan het mis gaan. Lovelock heeft dit op speelse wijze trachten te illustreren met het voorbeeld over de denkbeeldige wereld 'daisyworld':
http://www.mountainman.com.au/gaia.html

Kringlopen
Planten gebruiken voor hun groei stoffen uit de atmosfeer en lithosfeer. Als planten afsterven vormen hun overblijfselen weer voedsel voor nieuwe planten. Maar als planten geoogst worden, verdwijnen deze voedingsstoffen uit het systeem en moet de boer zijn bodem bemesten. Soms zorgt de natuur dus zelf voor het aanvullen van stoffen (kringloop), soms moet de mens voor de instandhouding van die kringlopen zorgen.
Kringloop van koolstof
Koolstof (C) komt voor in de atmosfeer als CO2 (koolstofdioxide). Planten zetten met behulp van de fotosynthese CO2 en water om in glucose en zuurstof (O2). Planten gebruiken glucose vervolgens om allerlei andere noodzakelijke organische stoffen te maken. Dieren verkrijgen deze stoffen weer door planten op te eten (of andere dieren te eten). Als planten en dieren dood gaan worden hun overblijfselen (evenals hun uitwerpselen) verteerd door bacteriŽn en schimmels (reducenten) waardoor de organische stoffen weer geheel worden omgezet in koolstofdioxide en water (verbranding). Op deze wijze komt CO2 weer in de atmosfeer. Een deel van de organische resten is in het verleden omgezet in fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie) en in de lithosfeer gebleven. De huidige verbranding van fossiele brandstoffen zorgt ervoor dat die CO2 alsnog terug in de atmosfeer komt.
Het netto-resultaat van de koolstofkringloop is de omzetting van zonne-energie in warmte. Als zonnestralen op een zandvlakte vallen, gebeurt dat ook wel, maar zonder direct nut. Door de tussenstappen van fotosynthese en verbranding heeft leven zich ontwikkeld en uitgebreid binnen de biosfeer.
Kringloop van water
Voor de biosfeer is de beschikbaarheid van voldoende water (H2O) van groot belang. In de biosfeer is water een transportmiddel (bijvoorbeeld de sapstroom in planten; bloed) en de stofwisselingsreacties vinden plaats in een waterig milieu. Bovendien is water onmisbaar als grondstof van de fotosynthese.
Water is onevenwichtig verdeeld over de aarde. Sommige plaatsen hebben een tekort aan water omdat de verdamping er groter is dan de neerslag. Op andere plaatsen is de situatie eerder omgekeerd en kunnen overstromingen veel schade aanrichten. Uitgestrekte tropische regenwouden kunnen veel water bevatten terwijl de gewassen zelf de bodem vasthouden.
Kringloop van stikstof
Het grootste deel van de atmosfeer bestaat uit stikstof (N2). Sommige bacteriŽn kunnen deze vrije stikstof binden en omzetten in nitraat (NO3-). Andere organismen kunnen dat niet. Toch is stikstof een essentiŽle bouwsteen van eiwitten (in de vorm van amino-groep NH2). Planten verkrijgen stikstof om eiwitten te maken door nitraten uit de bodem op te nemen. Dieren verkrijgen hun eiwitten door planten en/of andere dieren te eten. Als planten en dieren doodgaan worden hun overblijfselen (evenals hun uitwerpselen) verteerd door rottingsbacteriŽn die de eiwitten eerst reduceren tot aminozuren en vervolgens tot ammoniak (NH3+). NitrietbacteriŽn zetten de ammoniak om in nitriet (NO2-) en nitraatbacteriŽn zetten de nitriet om in nitraat. Nitraat kan dan weer door planten als voedsel worden opgenomen.
Voor wat extra informatie over kringlopen (schema van koolstof- en stikstof kringloop) kun je terecht bij http://www.digischool.nl/bioplek/5ath/5ath(B2)_stw4_antw.html

BEVOLKINGSGROEI EN VOEDSELPRODUCTIE

Bevolkingsgroei
Thomas Robert Malthus ontwikkelde een bevolkingstheorie die hij publiceerde in Essay on the principle of population as it affects the future improvement of society (1798). Volgens deze theorie neemt de bevolkingsgroei jaarlijks met een vast percentage toe (exponentieel) terwijl de voedselproductie elk jaar hooguit met dezelfde hoeveelheid toeneemt (lineair). Malthus' uitgangspunt is dus dat de bevolkingstoename sneller gaat dan de toename in voedselproductie. Zijn theorie was gebaseerd op de schrijnende situatie in Engeland aan het begin van da industriŽle revolutie. Arbeiders werken tegen ontstellend lage beloningen 12-14 uur per dag; kinderarbeid is normaal (5-jarigen werken al in de mijnen in Wales); door schaarste stijgen de voedselprijzen dus honger is een normaal verschijnsel onder de uitgebuite bevolking.
De voedselproductie heeft zich gelukkig anders ontwikkeld dan Malthus had voorspeld. Vooral dank zij de ontwikkeling van kunstmest en pesticiden (groene revolutie) heeft zij een enorme vlucht doorgemaakt en de globale voedselproductie was in de 20e eeuw over het algemeen voldoende om de wereldbevolking van voldoende voedsel te voorzien. Toch zijn een miljard mensen chronisch ondervoed. Tweehonderd miljoen kinderen onder de vijf jaar krijgen onvoldoende te eten. Er is wel genoeg voedsel maar het komt vaak niet daar waar het nodig is. Oorzaken zijn onder meer een slechte infrastructuur, bureaucratie en oorlog.
Natuurlijk speelt de bevolkingsgroei ook een rol. In een aantal landen vermeerdert de bevolkingsgroei zeer snel. In landen als Kenia, Zimbabwe en Ghana waar een verdubbeling van de bevolking in ongeveer 20 jaar wordt verwacht, is het hongerprobleem het grootst. Geboortebeperking druist in die landen ook in tegen de traditie van grote gezinnen. Toch lijkt er wereldwijd een daling van de bevolkingsgroei op te treden. Verwacht wordt dat de wereldbevolking van 6 miljard in 2000 zich op10 miljard mensen in 2100 stabiliseert. Het jaar 2100 ligt nog ver weg zodat het moeilijk is een prognose te geven die over lange termijn standhoudt. Maar zeker is dat er de komende 25 jaar wel 3 miljard meer monden te voeden zijn.

Gevolgen van kringloopverstoring voor de landbouw
Voor de landbouw zijn de hierboven genoemde kringlopen essentieel.
Planten hebben voldoende water nodig. In droge gebieden kan irrigatie een oplossing bieden. Er wordt dan water verspreid over een uitgestrekt oppervlak zodat door de verdamping veel water direct in de atmosfeer terechtkomt in plaats van in de biosfeer. Het benodigde water moet soms uit andere gebieden worden aangevoerd. Dat kan tot conflicten en zelfs oorlog leiden. Bovendien is in ontwikkelingslanden waar vaak een tekort aan beschikbaar water is een dergelijk schaars artikel ook duur. Verderop komen ook de gevolgen van overmatige neerslag aan de orde.
Planten hebben voldoende stikstof nodig. Tijdens het herhaaldelijk oogsten van plantaardig materiaal worden de eiwithoudende (en dus stikstofhoudende) stoffen aan het land onttrokken. De bodem verschraalt en bemesting is noodzakelijk. Dat kan met organische mest afkomstig uit de bioindustrie of met kunstmest. Goedkope kunstmest wordt vaak in ontwikkelingslanden toegepast waar soms gewassen worden verbouwd die als veevoeders worden geŽxporteerd naar het Westen. In het In onze contreien wordt met behulp van deze veevoeders de bioindustrie uitgebreid en ontstaat er een Boeren hebben in afgelopen decennia veel van deze mest uitgereden over hun land (zonder dat de planten het echt nodig hadden) Het gevolg was dat de bodem en het oppervlaktewater sterk verrijkt werden met stikstof. Dit proces noemt men eutrofiŽring. In de sloten en meren kan eutrofiŽring ertoe leiden dat sommige algen en blauwwieren zich snel vermeerderen (algenbloei). Ze doen dit vooral dicht bij het oppervlak omdat ze ook zonlicht nodig hebben. Het gevolg is dat planten in dieper water onvoldoende licht krijgen en afsterven. Daardoor zal er in dieper water minder zuurstof geproduceerd worden en na verloop van tijd verdwijnt alle beschikbare zuurstof uit het water waardoor de meeste organismen sterven. Er ontstaat een stinkende sloot of poel waarin anaerobe bacteriŽn zich sterk vermeerderen en gassen als methaan en zwavelwaterstof produceren.

Oorzaken vermindering wereldvoedselproductie
Door de groene revolutie steeg de globale landbouwproductie enorm. Gewasverbetering, kunstmest, irrigatie en pesticiden zorgden in de 20e eeuw voor een geweldige stijging in de opbrengst van onder andere graan en rijst. De laatste jaren gaat het minder goed. In 1996 was de wereldvoedselproductie gedaald tot het niveau van 1984. Er is nu een dramatische stijging van het aantal chronisch ondervoeden.
Voor de vermindering va de wereldvoedselproductie zijn verschillende oorzaken aan te wijzen.
In Zuid AziŽ is steeds meer sprake van verzilting.Door het streven naar een steeds grotere voedselproductie met behulp van relatief goedkope kunstmest heeft er overbemesting plaats gevonden. Door te lage waterafvoer en hoge verdamping blijft er veel kunstmest in de bodem achter. Gewassen als rijst en tarwe kunnen daar niet goed tegen. Op satellietfoto's is te zien dat in India, Pakistan en de Filippijnen de verzilting zich uitbreidt.
Als de plantengroei verdwijnt door houtkap van bossen of overbegrazing van weiden dan droogt de aarde uit. Het gevolg is erosie.
Halverwege de vorige eeuw heeft dit in de VS geleid tot enorme stofstormen waarbij veel vruchtbare grond is afgevoerd. Het meeste stof verdwijnt in zee. Men vermoedt dat door winderosie per jaar 400 miljoen ton Afrikaanse aarde in de Atlantische Oceaan waait.
In veel arme landen is men op zoek naar nieuwe landbouwgronden. Daarvoor moet vaak bos gekapt worden. Als dit op hellingen gebeurt kan neerslag de vruchtbare bovenlaag losweken en wegspoelen. Door deze watererosie komt veel aarde in zee terecht.
Door erosie, overbeweiding en slechte landbouwmethoden wordt jaarlijks een gebied van ca. 200 000 km2 ongeschikt voor voedselproductie. Vooral in de tropen is een vruchtbare bovenlaag snel weggespoeld.
Ook kunnen door een klimaatverandering veel vruchtbare gebieden verdwijnen. De laatste decennia verplaats de regenval zich meer naar de polen. Woestijngebieden breiden zich gestaag uit. De Sahara wordt jaarlijks ca. 13 000 km2 groter. De oorzaak hiervan is de wereldwijde opwarming waarover verderop meer.
De achteruitgang van de wereldvoedselproductie heeft ook economische en politieke oorzaken. De agrarische productie in Europa is in de 20e eeuw sterk gegroeid. Niet alleen door heffingen op invoer maar ook door het systeem van exportsubsidies. Daardoor waren de boeren in staat hun producten elders in de wereld aan te bieden tegen lage prijzen. Boeren uit vooral Afrikaanse en Latijns Amerikaanselanden konden daar niet tegenop: de kunstmest was niet meer te betalen uit de verkoop van hun producten. In die landen daalde de voedselproductie daardoor drastisch. De recente afschaffing van de exportsubsidies leidt niet onmiddellijk tot een verhoging van de voedselproductie. Na tientallen jaren waarin de landbouwproductie is verwaarloosd, lukt het niet om net zo efficiŽnt te produceren als in Europa.


WERELDWIJDE OPWARMING

Sinds de industriŽle revolutie is de temperatuur op aarde toegenomen met ongeveer 0,5o C per eeuw. Deze Global Warming heeft tot gevolg dat water in zeeŽn uitzet en dat gletsjers en poolkappen smelten. Het niveau van het zeewater stijgt met (voorlopig) 0,5 cm per jaar.
Ook vindt er een duidelijk waarneembare verandering plaats op het gebied van flora en fauna. Zo schuift jaarlijks de vegetatie wat verder op naar het Noorden en keren trekvogels steeds eerder terug naar hun broedgebieden.
Vermoedelijk zal de temperatuurstijging verder doorzetten. Misschien moeten er maatregelen genomen worden. Die maatregelen kunnen bestaan uit het bouwen van dammen en verhogen van dijken. Het is wellicht zinniger te proberen de oorzaken van de temperatuurstijging tegen te gaan. Er is haast bij omdat de aarde met haar klimaat een traag systeem is. Van de maatregelen die we nu nemen, merken we pas over tientallen jaren de effecten. Vandaar dat we eerst een speurtocht ondernemen naar mogelijke oorzaken van de temperatuurstijging.

Broeikaseffect
Het oppervlak van een planeet wordt verwarmd door ongeveer de helft van de invallende zonnestraling, voornamelijk uit het deel van het spectrum waar het zichtbare licht toe behoort. De temperatuur van het oppervlak stijgt en gaat zelf warmtestraling (met langere golflengtes) uitzenden (zoals op het strand waar op een zomerse dag de hitte je tegemoet straalt). Bij afwezigheid van een atmosfeer verdwijnt die warmtestraling weer in het heelal. Als er een atmosfeer aanwezig is zoals op aarde, kunnen broeikasgassen (koolstofdioxide, waterdamp, methaan) veel warmtestraling tegenhouden. Net als in een broeikas is daardoor de temperatuur op aarde een stuk hoger zijn. Zonder die gassen zou de temperatuur op aarde gemiddeld 33o C lager zijn. De planeet Venus heeft een dichte atmosfeer (veel koolstofdioxide) en een gesloten wolkendek. Hierdoor is er op Venus een uitermate sterk broeikaseffect en de temperatuur op het oppervlak van Venus bedraagt daardoor gemiddeld wel 450o C.
Voor meer over het broeikaseffect:
http://www.klimaatsverandering.tk/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Broeikaseffect
http://www.klimaat.be/nl/broeikasEffect.html

Versterkt broeikaseffect
Wellicht heeft Global Warming iets te maken met broeikasgassen. Uit metingen blijkt dat de concentratie aan koolstofdioxide in de atmosfeer elk jaar met 0,5% toeneemt. Een voor de hand liggende verklaring is de toenemende verbranding van fossiele brandstoffen.
De toename van de koolstofdioxide concentratie in de atmosfeer kan ook andere oorzaken hebben.
In China liggen in een groot gebied kolen vrijwel aan de oppervlakte. Komt de temperatuur in zo'n kolenlaag boven een bepaalde temperatuur (bijvoorbeeld onder invloed van zonnestraling) dan treedt in enkele maanden een langzaam smeulen op waardoor de temperatuur oploopt naar 280o C. Bij dit zogenaamde vlampunt vliegt de steenkool in brand. De koolstofdioxide van deze branden is goed voor ca. 3% van de globale CO2 -uitstoot door fossiele brandstoffen.
De geweldige bevolkingsgroei in de niet-geÔndustrialiseerde landen vraagt om veel voedsel en dus landbouwgronden. Vandaar dat op grote schaal bossen worden gekapt en hout wordt verbrand om land geschikt te maken voor de voedselproductie. Hierbij komt zowel veel stof en roet als koolstofdioxide vrij.
De laatste decennia is de concentratie van methaan in de atmosfeer sterk toegenomen. De oorzaken liggen vooral bij de landbouw en veeteelt. In de bodem van rijstvelden vindt op grote schaal anaŽrobe vergisting plaats waarbij methaan ontstaat. Tijdens de groene revolutie in Zuidoost-AziŽ schoot de productie van rijst ťn van methaan omhoog. Verder zijn de vlaaien en scheten van herkauwers goed voor 15% van de wereldproductie aan methaan.

Zonneactiviteit
Af en toe vindt aan er het oppervlak van de zon een geweldige uitbarsting plaats. Elektrisch geladen deeltjes worden met grote snelheid de ruimte in geslingerd. Deze zonnewind heeft invloed op onze atmosfeer.
Drie Deense onderzoekers (Eigel Friis-Christensen, Knud Lassen en Henrik Svensmark) hebben een correlatie aangetoond tussen de duur van een cyclus in de zonneactiviteit en de gemiddelde temperatuur op aarde. Ze vonden dat de globale temperatuur bij korte cycli daalt en bij lange cycli stijgt. In 1997 kwamen de drie Denen met de volgende verklaring. Overal vanuit de kosmos wordt onze atmosfeer gebombardeerd door kosmische straling (protonen en alfadeeltjes) waardoor wolken worden gevormd. Een sterke zonnewind blaast deze kosmische straling weg. Er komen minder wolken en de weg is vrij voor de zonnestraling naar het oppervlak waardoor de globale temperatuur stijgt.
Toch roept deze theorie twijfels op. Waardoor is er de laatste jaren meer bewolking terwijl de zon juist actiever is? Wat weegt zwaarder, het tegenhouden van invallende zonnestraling (afkoeling) of het tegenhouden van teruggekaatste warmtestraling (broeikas)?
Voor meer informatie over zonnewind: http://www.oma.be/BIRA-IASB/Public/Research/SolWind/SolWind.nl.html

Andere oorzaken Global Warming
Roet- en stofdeeltjes in de atmosfeer kunnen wereldwijd invallend zonlicht tegenhouden waardoor de gemiddelde temperatuur op aarde daalt. Roet- en stofdeeltjes komen in de atmosfeer als gevolg van vulkaanuitbarstingen en uitlaatgassen van fabrieken en verkeer. Het aantal en de intensiteit van vulkaanuitbarstingen is mogelijk de vorige eeuw afgenomen waardoor er een vermindering van stofuitstoot in de atmosfeer heeft plaatsgevonden. Door het bestrijden van luchtverontreiniging die ontstaat bij fabrieken en verkeer is de afgelopen decennia de uitstoot aan roet- en stofdeeltjes door menselijk handelen sterk teruggelopen. Deze afname van Global Dimming kan bijdragen aan de wereldwijde opwarming.
Uit het verleden zijn talloze periodieke fluctuaties bekend die niet altijd een eenduidige oorzaak hoeven te hebben. Ook een bepaalde combinatie van factoren kan een toevallige fluctuatie tot gevolg hebben waardoor er momenteel een (tijdelijke) temperatuurstijging plaatsvindt.
De terugkaatsing van zonlicht (albedo) door een sterk reflecterend oppervlak (zand, ijs) kan lokaal voor een extra opwarming van de atmosfeer zorgen waardoor het gebied sterker verwarmd wordt. De jaarlijkse uitbreiding van de Sahara wordt hierdoor veroorzaakt. Men vermoedt dat ook grote sneeuw- en ijsvlaktes hierdoor sneller smelten waardoor de netto-temperatuur stijgt.
Meer over Global Dimming: http://www.kennislink.nl/web/show?id=129162&print=true


TOEKOMSTSCENARIO'S

Enkele van de gevolgen van Global Warming zijn al merkbaar, andere kunnen in meer of mindere mate worden verwacht. Wetenschappers baseren hun voorspellingen altijd op modellen en die modellen zijn gebaseerd op grote hoeveelheden gegevens over de afgelopen periode. Modellen waarmee de atmosfeer beken wordt zijn vaak compartiment-modellen. Chemische reactievergelijkingen en vergelijkingen met relevante grootheden geven een benadering van de werkelijkheid in een compartiment. De uitwisseling van energie en materie met naburige compartimenten maakt het allemaal erg gecompliceerd. Met behulp van krachtige computers worden allerlei wiskundige berekeningen gemaakt. Daarmee kan bijvoorbeeld worden uitgerekend hoeveel centimeter de zeespiegel stijgt als de temperatuur van de oceanen gemiddeld met ťťn graad toeneemt. De wiskundige modellen die gebruikt worden bestaan uit een groot aantal wiskundige formules die verbanden aangeven tussen zo veel mogelijk factoren die van invloed kunnen zijn op de toekomstige ontwikkeling. In het algemeen geldt dat hoe meer factoren in het model zijn verwerkt, hoe betrouwbaarder de voorspellingen van het model zijn. Op dit punt zijn er echter grote verschillen tussen de modellen die door verschillende onderzoeksgroepen zijn gemaakt. In het ene model worden factoren meegenomen die in een ander mode buiten beschouwing zijn gelaten. Of men kent aan dezelfde factor een heel verschillend gewicht toe. Deze verschillen vloeien vaak voort uit wat men precies wil aantonen. Als gevolg hiervan lopen de voorspellingen van verschillende modellen sterk uiteen. Voor politici die bijvoorbeeld moeten besluiten of ze bepaalde maatregelen gaan nemen om de uitstoot van koolstofdioxide te verminderen is dit problematisch. Ze kunnen de wetenschappelijke discussie over de verschillen tussen de modellen lang niet altijd volgen. Als gevolg kiezen ze soms de voorspelling die hen het beste uitkomt. Bijvoorbeeld omdat de maatregelen dan het goedkoopst zijn.
De toekomstige gevolgen van Global Warming worden in de verschillende scenario's op uiteenlopende wijze benadrukt. Over het algemeen worden klimatologische verstoringen verwacht die gepaard gaan met heftiger weer (zware stormen). Vruchtbare landbouwgebieden zullen verloren gaan doordat plaatselijk grote droogte zal ontstaan terwijl andere gebieden zullen worden getroffen door overstromingen als gevolg van overmatige neerslag. De voedselproductie zal daardoor verder afnemen.
Sommige scenario's wijzen op de positieve terugkoppeling waarbij Global Warming bijdraagt aan het versterkt broeikaseffect en zo de gemiddelde temperatuur op aarde nog verder omhoog jaagt. Dit gebeurt onder meer doordat er meer koolstofdioxide in de atmosfeer komt als de oceanen opwarmen. In de hydrosfeer is nogal wat koolstofdioxide opgelost. Er bestaat een evenwicht tussen de concentratie koolstofdioxide in de hydrosfeer en die in de atmosfeer. Stijgt de concentratie in de atmosfeer dan stijgt die ook in de hydrosfeer. De oceanen vormen daarmee een soort buffer die grote toevoer van extra koolstofdioxide naar de atmosfeer afremt. Stijgt de temperatuur, dan neemt de oplosbaarheid van koolstofdioxide in water af en komt vanuit de hydrosfeer extra koolstofdioxide in de atmosfeer. Bovendien zullen door het stijgen van de zeespiegel uitgestrekte koraalriffen afsterven. In het afbraakproces daarvan komt koolstofdioxide vrij.
Ook de opwarming van de permafrost kan ernstige gevolgen hebben. Het permanent bevroren organisch materiaal in de bodem van grote gebieden in Alaska, Canada en SiberiŽ zal na smelten worden verteerd door anaŽrobe bacteriŽn. Daarbij zullen enorme hoeveelheden methaan in de atmosfeer komen.
Andere scenario's leggen de nadruk op de negatieve terugkoppeling waarbij Global Warming uiteindelijk juist een sterke afkoeling tot gevolg heeft. In toonaangevende bladen als Nature en Science voeren oceanografen een discussie of door een temperatuurstijging op aarde de Golfstroom langzamer gaat. Dan zou het in onze streken meer dan enkele graden kouder worden. De golfstroom wordt in stand gehouden door de balans tussen zout en zoet water in de oceanen. Door temperatuurstijging smelten gletsjers en poolijs waardoor het gehalte zoet water toeneemt. Een effect daarvan kan zijn dat de 'motor' die de golfstroom onderhoudt het laat afweten. Gebieden op aarde zullen een geheel ander klimaat krijgen met beduidend hogere of lagere temperatuur en andere neerslaghoeveelheden.
Voor meer informatie over klimaatsverandering kun je de volgende sites raadplegen:
http://www.geocities.com/gijsvangestel/klimaat3.html
http://www.kennislink.nl/web/show?id=3235
http://aps.vlaanderen.be/statistiek/nieuws/milieu/2001-02_klimaat.htm
http://www.novatv.nl/index.cfm?fuseaction=videoaudio.details&reportage_id=136


DE TWEE GEZICHTEN VAN OZON

Ozon (O3) is een sterk oxiderende stof. Het tast celmembranen aan en veroorzaakt ontstekingen van het longweefsel. Mensen met aandoeningen aan de luchtwegen hebben snel last van ozon. Planten gaan onder invloed van ozon dood doordat onder invloed van oxidatie de celwanden stukgaan. Door hoge ozonconcentraties in de zomer blijkt de oogst van tarwe met 8% af te nemen.
Troposfeer
Dicht bij het aardoppervlak zijn hoge concentraties ozon dus ongewenst. Desondanks kunnen hier betrekkelijk hoge concentraties ozon ontstaan uit 'smog'. Dat is een chemische coctail van koolwaterstoffen en stikstofoxiden. Zonlicht dat door deze smog gaat, doet vervolgens ozon ontstaan. Stikstofoxide (uitlaatgassen) is daarbij een katalysator. Dat wil zeggen dat stikstofoxide de vorming van ozon (uit o.a. zuurstof) versnelt zonder daarbij zelf verbruikt te worden. Maatregelen die de uitstoot van stikstofoxiden tegengaan, beperken de vorming van ozon in de troposfeer.
Lage concentraties ozon in de troposfeer zijn juist weer nuttig. Dat komt omdat ozon een 'schoonmaakmiddel' kan maken dat veel stoffen afbreekt totdat ze oplosbaar in water zijn. Met regen komen ze naar beneden en de atmosfeer is weer schoongewassen.
Stratosfeer
Ongeveer 90% van alle ozon bevindt zich in de stratosfeer tussen 10 en 20 km boven het aardoppervlak. Onder invloed van UV-straling wordt daar zuurstof omgezet in ozon. Maar ook het omgekeerde gebeurt: met behulp van UV-straling wordt uit ozon weer zuurstof gevormd. Zuurstof en ozon bevinden zich in een soort kringloop (evenwicht). Een gevolg daarvan is dat in de stratosfeer de temperatuur hoger is dan in aangrenzende lagen. Een ander gevolg is dat een deel van de UV-straling uitgefilterd wordt. Gelukkig maar, want te sterke UV-straling beschadigd het DNA in de biosfeer.
In de jaren 80 constateerde men dat het gehalte van de ozon boven de Zuidpool met 50% was afgenomen. Er werd van een ozongat gesproken. Dit ozongat vormt een ernstige bedreiging voor de voedselketen in de zuidelijke wateren. Plankton is het uitgangspunt van de voedselketen. Ditzelfde plankton is erg gevoelig voor UV-straling en zal daardoor beschadigd worden of naar grotere diepten migreren waar die straling niet doordringt. De noodzakelijke straling die nodig is voor de fotosynthese ontbreekt daar echter ook. Het gevolg is een massale afname van het plankton en daarmee een voedselbron voor talloze andere organismen.
In onze omgeving is de laatste jaren de hoeveelheid UV-straling met 7% per jaar toegenomen. De gevolgen beperken zich tot de huid: meer verbranding, snellere veroudering en grotere kans op huidkanker.
Nobelprijswinnaar Paul Crutzen heeft aangetoond dat er in de stratosfeer twee stoffen verantwoordelijk zijn voor de afbraak van ozon, namelijk stikstofoxides en chlooroxides. Stikstofoxides zijn vooral afkomstig uit de rookgassen van vliegtuigen. Chlooroxides ontstaan onder invloed van UV-straling uit CFK's die gebruikt worden in koelinstallaties (en vroeger als drijfgassen in spuitbussen). Deze stoffen functioneren als katalysator. Er wordt dus in het afbraakproces van ozon niets van deze stoffen verbruikt. Eťn molecuul stikstofoxide of chlooroxide kan duizenden moleculen ozon aan de kringloop van ozon en zuurstof onttrekken. De verwachting is dat bij de huidige daling van de concentratie CFK's in de stratosfeer het oorspronkelijke ozon niveau zich tegen het einde van deze eeuw heeft hersteld.