6. GENEESKUNDE

INDEX
HOME PAGE

Geneeskunde kan worden opgevat als elk menselijk handelen dat erop is gericht kwalen en ziektes te bestrijden. Hoe die strijd wordt gevoerd hangt af van wat men weet (of veronderstelt) over het functioneren van het lichaam en over de oorzaken van de ziektes.


ONTWIKKELING VAN DE GENEESKUNDE
(Korte samenvatting van enkele punten uit het boek met dezelfde titel van P. Lewis & R. Margotta)

In de prehistorie werden ziektes toegeschreven aan demonen en boze geesten. Om te genezen moesten de demonen worden uitgedreven of de boze geesten gunstig gestemd worden door boetedoening of door offeren van bijvoorbeeld voedsel. Het was de taak van de medicijnman of priester om de juiste rituelen en ingrediŽnten vast te stellen.
Nog steeds spelen tovenaars en magiŽrs een voorname rol in de geneeskunde van sommige culturen, met name in Afrika. De rites die ze uitvoeren doen in onze ogen aan kwakzalverij denken, maar hun werk heeft toch betekenis voor de moderne geneeskunde omdat hun kennis is gebaseerd op eigenschappen van planten en dierlijke gifstoffen (bijvoorbeeld tegengiffen tegen slangenbeten en pijnstillers uit papaver).
Het zal je niet verbazen dat de medicijnman/priester/tovenaar overal grote maatschappelijke invloed heeft gehad en dat geneeskunde en religie eeuwen lang onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. In sommige culturen is dat trouwens nog steeds het geval. (bidden)

Door die sterke verbondenheid met de religie heeft de geneeskunde zich wereldwijd op verschillende manieren ontwikkeld.

De Sumerische geneeskunde (ca. 4000 v.Chr.) is gebaseerd op de astrologie. Men probeerde verbanden te zien tussen de bewegingen van de hemellichamen en de stoornissen in het menselijk lichaam. Deze benadering heeft eeuwen g stand gehouden Ook ten tijde van de AssyriŽrs en de BabyloniŽrs (ca. 2000 v.Chr.) speelden astrologie en astronomie (verschil?) een voorname rol in de opvattingen over lichamelijke kwalen. Daarnaast kreeg in deze culturen de empirische geneeskunde, gebaseerd op waarnemingen, steeds meer aandacht (voorbeeld?).
Ook bij de oude Egyptenaren (ca. 1500 v.Chr.) zijn het de priesters die zijn ingewijd in de medische kennis en velen zijn gespecialiseerd in ťťn bepaalde ziekte. Het historisch bewustzijn was groot en er ontstond een enorme variŽteit aan geneesmiddelen.
In diezelfde tijd hanteren de HebreeŽrs gezondheidswetten (zie Leviticus) die betrekking hebben op dieet en hygiŽne. Onreinheid was de grootste zonde. De joodse chirurgie staat beschreven in de talmoed. De Perzische geneeskunde (ca. 1000 v. Chr.) vertoont grote verwantschap aan de joodse en ligt ten grondslag aan de islamitische gezondheidsregels. In het oude India (ca. 1000 v.Chr.) werden veel ziekten toegeschreven aan een slecht evenwicht tussen de drie lichaamssappen lucht, slijm en gal. De behandeling van kwalen was gebaseerd op o.a. niezen, laxatie en aderlating. Er bestond een uitgebreide kennis van geneeskrachtige kruiden. Men was zeer bedreven in chirurgie; met name de plastische chirurgie werd veelvuldig uitgevoerd ter verfraaiing van het uiterlijk. Desondanks was de kennis van de anatomie in de hindoe geneeskunde gering (waarom?).
De traditionele Chinese geneeskunde (vanaf ca. 2600 v.Chr.) wordt beheerst door het yin-yang principe dat in alles aanwezig is. Yin vertegenwoordigt het vrouwelijke (zacht, koud, vochtig) en yang het mannelijke (hard, warm, droog). Ziekte wordt veroorzaakt door verstoring van het evenwicht tussen yin en yang in het lichaam. De meest typische Chinese behandeling was acupunctuur, waarbij op vitale plaatsen naalden in het lichaam werden gestoken om zo het verstoorde evenwicht tussen yin en yang te herstellen.

In de Griekse cultuur ontwikkelt de geneeskunde zich vanaf ca. 3000 v.Chr. zowel op oorspronkelijke wijze als onder invloed van bovengenoemde culturen. Daardoor ontstaat een nogal gevarieerd beeld. Geneeskunde wordt voor het eerst een wetenschap, gebaseerd op onderzoek. Zoals bij de meeste andere volkeren wordt bloed als een belangrijke levensfactor beschouwd en wordt ook hier aderlaten toegepast om kwalen te bestrijden. Daarnaast ontwikkelen zich gezondheidsopvattingen gebaseerd op een juiste balans tussen gezond en ongezond. Dit zou gerealiseerd kunnen worden door een juiste leefwijze en een gezonde omgeving.
Alcmaeon (ca. 500 v.Chr.) was de beroemdste arts van de Graeco-Italische school en hij postuleerde de mening dat gezond en ongezond als tegenpolen dienden te worden opgevat, net als warm-koud, droog-nat, zoet-zuur, enz. Verstoring in dit evenwicht zou kunnen liggen aan de aard van het individu, slechte voeding of voedingsgewoonten of aan omgevingsfactoren zoals klimaat.
De medische school van Kos heeft de 'vader van de geneeskunde' voortgebracht: Hippocrates. Hippocrates (460-377 v.Chr.) had een diepgaand begrip voor het menselijk lijden en stelde de arts in dienst van de patiŽnt. Hij voerde de beroepsethiek hoog in het vaandel en de Eed van Hippocrates wordt nog altijd in ere gehouden. Hippocrates was ook een zeer kundig arts en natuurfilosoof. Onder invloed van de 'vier elementen theorie' van Empedocles (500-430 v.Chr.) ontwikkelde hij de 'humorenleer'
Volgens de HUMORENLEER wordt ziekte veroorzaakt door een verstoorde balans tussen vier lichaamssappen en de overheersing van een van die sappen leidt tot een bepaalde aard van het individu:

SLIJM (flegma: koud & vochtig): FLEGMATISCH (onverstoorbaar, traag, nauwkeurig, nuchter, zwaar op de hand)
BLOED (sanguina: warm & vochtig): SANGUINISCH (uitbundig, zorgeloos, licht ontvlambaar, speels, onverstandig)
GELE GAL (colera: droog & warm): CHOLERISCH (scherp, snel, opvliegend, driftig, bitter, bemoeiziek)
ZWARTE GAL (melancholia: droog & koud): MELANCHOLISCH (zwartgallig, droefgeestig, zwaarmoedig, onrustig, introvert)

Genezing wordt verkregen door het verstoorde evenwicht tussen de vier humoren te hestellen. Dat kan bijvoorbeeld door middel van kuren of een bepaald dieet. Tot in de 18e eeuw nam de humorenleer (humorenfysiologie) binnen de geneeskunde een belangrijke plaats in.
Hippocrates publiceerde ook het boek 'Aforismen', een verzameling van oude gezegden en gangbare uitdrukkingen. Enkele daarvan geven een indruk van zijn ideeŽn:
* De natuur gaat haar eigen weg (over epidemieŽn); de natuur doet haar werk wel zonder dokters (over dieet); de natuur is de beste heelmeester.
* De ziekten die niet genezen kunnen worden door geneesmiddelen, kunnen dat wel door het mes en die niet door het mes genezen kunnen worden, kunnen dat wel door vuur, maar wat vuur niet genezen kan, moet ongeneeslijk geacht worden.
* In de operatiekamer zijn voor operaties vereist: de patiŽnt, de chirurg, zijn instrumenten en licht.


De moderne reguliere geneeskunde is in belangrijke mate gebaseerd op natuurwetenschappelijk onderzoek. Dit in tegenstelling tot de alternatieve geneeskunde die veelal uitgaat van oude overleveringen en ideeŽn met een pseudo-wetenschappelijke basis.
De reguliere geneeskunde ontstaat ruwweg in de 17e eeuw. In diezelfde tijd maken de natuurwetenschappen een revolutionaire ontwikkeling door. In tegenstelling tot de eeuwen daarvoor - met name ten tijde van de grote Griekse natuurfilosofen - werd wetenschap niet meer uitsluitend gezien als het resultaat van redenatie (rationalisme). Ook de observatie werd erkend als een middel ter verkrijging van natuurwetenschappelijke kennis (empirisme). Bovendien schuwde de wetenschappelijke onderzoeker niet langer zijn handen te gebruiken (naast zijn hoofd) om experimenten uit te voeren. Daartoe werd men natuurlijk gestimuleerd door de vele nieuwe apparaten en instrumenten die in die tijd werden ontwikkeld, waardoor een zichzelf-versterkend-proces ontstond.
Alle geneeskunde staat uiteraard in dienst van de gezondheid en streeft ernaar ziekte te bestrijden. Over gezondheid bestaan evenwel verschillende opvattingen.


GEZONDHEID & ZIEKTE

Gezondheid

De hedendaagse reguliere opvatting over gezondheid is door de WHO gedefinieerd: Gezondheid is een toestand van lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden.
Vroegere opvattingen over gezondheid hadden veelal betrekking op de lichamelijke toestand waarbij gezondheid werd opgevat als een juiste verhouding tussen lichaamssappen. Daarbij werd bloed bij de meeste culturen als de voornaamste drager van levenskracht beschouwd. Ook bij andere opvattingen over gezondheid is er vaak sprake van een (verstoord) evenwicht, bijvoorbeeld tussen yin en yang of tussen het heden en het verleden.

Op grond van verschillende gezondheidsopvattingen kunnen ziektes verschillende oorzaken hebben. Uit het voorgaande blijkt dat de oorzaak vaak werd (wordt) gelegd bij een verkeerd evenwicht waardoor de balans gezond-ongezond doorslaat naar ongezond. In de Griekse oudheid werd al onderscheid gemaakt in sporadische ziektes die het gevolg konden zijn van een onjuiste leefwijze van een individu en epidemische ziektes waarbij een groter aantal mensen onder invloed van bijvoorbeeld een weersverandering aan dezelfde kwaal leed.

Het christelijk model
Voor de renaissance gaf het christelijk geloof in Europa richting aan het denken over gezondheid, ziekte en genezing. Ziekte was een goddelijke beproeving die de zieke de mogelijkheid gaf tot bespiegeling, contemplatie. Genezing lag in handen van God. De Christelijke leer legde het accent op de zielenheil. De ziel, want daar ging het om, moest gered worden. Het lichaam was een tijdelijk en vergankelijk omhulsel en menselijke tussenkomst bij ziekte was verzet tegen de wil van God. Gebruik van geneesmiddelen zoals kruiden was op zijn minst een heidens gebruik en in het ergste geval werd degene die dat deed, beschuldigd van hekserij en het bedrijven van zwarte magie.

Het medisch model
Nadat in de 17e eeuw de wetenschap een grote vlucht neemt, ontdekte men meer en meer over het functioneren van het lichaam. De werking van organen en orgaanstelsels begon duidelijk te worden. Het gevolg was dat men in de geneeskunde (heelkunde) de oorzaak van ziektes begon te zien als het gevolg van slecht functionerende organen en/of weefsels. Volgens dit medische model was iemand ziek als zijn lever bijvoorbeeld niet goed werkte: genees de lever en men geneest de patiŽnt. Binnen de geneeskunde ontwikkelden zich vele specialismen.

Het holistisch model
Het idee dat de geest invloed heeft op het lichaam wint steeds meer terrein. Daarnaast is elk mens uniek, zowel als individu als in relatie tot de omgeving. Ieder mens heeft zijn eigen lichamelijke, geestelijke en sociale kenmerken die van invloed zijn op het welzijn. De holistische visie (holos = geheel) waarop bovenstaande definitie van gezondheid is gedefinieerd, houdt rekening met psychische en sociale factoren naast de somatische (lichamelijke) in de diagnose en behandeling van ziektes.


Ziekte
Volgens de moderne reguliere geneeskunde kunnen de (lichamelijke) ziektes ruwweg volgens onderstaande indeling naar hun oorzaak worden onderverdeeld. Bovendien wordt in steeds bredere natuurwetenschappelijke kring verondersteld dat ook de psychische en sociale aandoeningen uiteindelijk een somatische basis hebben.
- Infectieziektes. Deze worden altijd veroorzaakt door een levend organisme, meestal een virus of bacterie maar ook vaak door parasitaire eukaryoten.
- AllergieŽn. De meest voorkomende is de overgevoeligheid voor huisstof (uitwerpselen van de mijt); de bekendste is wellicht hooikoorts (veroorzaakt door stuifmeel)
- Welvaartsziekten. Beter is de naam 'leefstijlziektes', kwalen die het gevolg zijn van bijvoorbeeld roken (30 000 doden/jaar), slechte voeding en eetgewoonten, stress, te weinig beweging en drugs. De voornaamste leefstijlziektes zijn de hart- en vaatziekten en kanker.
- Verworven afwijkingen. Bijvoorbeeld kwalen en kwetsuren die ontstaan door (verkeers)ongevallen en mishandeling.
- Aangeboren afwijkingen. Hieronder vallen erfelijke ziektes.
- Ouderdomsziekten. Deze zijn het gevolg van het bereiken van een veel hogere leeftijd dan in de menselijke evolutie gebruikelijk was. In het algemeen kan men stellen dat ze het gevolg zijn van slijtage op het niveau van weefsels, maar ook op het niveau van de chromosomen (telomeren). Voorbeelden zijn osteoporose, dementie en de ziekte van Altzheimer,


INFECTIEZIEKTES
Hieronder volgt een overzicht van infectieziekten waaraan veel mensen vandaag de dag lijden en/of in het verleden zijn overleden (uit ENCARTA):

Malaria of moeraskoorts, een vnl. tropische infectieziekte, veroorzaakt door eencelligen van het geslacht Plasmodium, overgebracht door malariamuggen (Anopheles).
Bij de mens komen vier vormen voor: malaria tertiana ( 'anderdaagse' of 'derdedaagse koorts'), vroeger ook in Europa voorkomend, evenals malaria quartana ( 'vierdedaagse koorts'), malaria tropica, de ernstigste, en malaria ovale.
De malariaparasiet komt na een steek door een besmette malariamug via het bloed in de lever en dringt later in een rode bloedcel. Telkens als uit uiteenvallende rode bloedcellen een nieuwe generatie jonge malariaparasieten vrijkomt, ontstaat een koortsaanval: bij malaria tertiana en ovale om de 48 uur, bij quartana om de 72 uur. Daartussen voelt de patiŽnt zich meestal goed. Na 6-30 koortsaanvallen verdwijnt de koorts, ook zonder behandeling, als gevolg van verworven immuniteit. Na maanden of jaren kan een recidief ontstaan. Bij malaria tropica is de koorts vaak continu en kunnen dodelijke complicaties optreden doordat er zoveel plasmodia ontstaan dat zij de kleine bloedvaten verstoppen.

Bilharzia of schistosomiasis, een infectie met parasitair in de bloedvaten levende zuigwormen (trematoden) van het geslacht Schistosoma (vroeger Bilharzia geheten). Bij de mens komen drie soorten voor. Twee hiervan leven in de bloedvaten van de darm, de andere leeft in de bloedvaten van de blaas. Het aantal lijders aan de ziekte, vooral in Afrika, het Midden- en het Verre Oosten, wordt op ca. 200 miljoen geschat.
De volwassen wormen leven in kleine aderen; de eieren passeren de aderwand en worden dan met de urine of feces uitgescheiden. In water komen de larven uit. Zij zwemmen rond tot zij een bepaalde zoetwaterslak gevonden hebben. In de lever van de slak ontstaat uit een larve een groot aantal cercariae. De cercariae die de slak verlaten, bewegen door het water tot zij zich aan de huid van een mens kunnen hechten. Zij dringen binnen, gaan via het bloed naar de lever, worden daar geslachtsrijp en gaan dan gepaard naar blaas- resp. darmwand. De wormen hebben een levensduur van 5-30 jaar. Achtergebleven eieren in de wand van blaas of darm worden ingekapseld, waardoor op den duur aan dat orgaan ernstige schade ontstaat. Ook nieren en lever kunnen ernstig worden aangetast. De bestrijding is een langdurige en moeizame zaak.

Pest, een gevaarlijke infectieziekte veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis, die zich vroeger epidemisch over de gehele wereld uitbreidde (zie pandemie). Bij een epidemie in het midden van de 14de eeuw kwam een kwart van de Europese bevolking om. Tegenwoordig komt pest nog voor in China, India en delen van Afrika en Zuid-Amerika.
In sommige landen (het westen van de Verenigde Staten, Canada, ArgentiniŽ, Zuid-Afrika, Mantsjoerije) zijn veel in het wild levende knaagdieren geÔnfecteerd met de bacterie. Deze sylvatische pest kan de oorzaak zijn van incidentele pestgevallen bij de mens. De infectie wordt vnl. door de rattenvlo of pestvlo (Xenopsylla cheopsis) overgebracht.
Infectie veroorzaakt bij de mens meestal builen- of bubonenpest, met zwelling van een groep ontstoken lymfklieren en hoge koorts; de bubo kan veretteren en doorbreken; later ontstaat vaak longontsteking (secundaire longpest). Primaire longpest, vnl. in koudere streken, is longontsteking door inademing van pestbacteriŽn.

Tyfus of buiktyfus, besmettelijke ziekte veroorzaakt door de bacterie Salmonella typhi, die alleen bij de mens voorkomt. De bacteriŽn komen door de mond binnen. Zij verspreiden zich via de bloedbaan en veroorzaken koorts, bewustzijnsstoringen en daarna aandoeningen van het maagdarmstelsel (m.n. ernstige diarree). Besmetting heeft plaats via bacteriŽn bevattende ontlasting van een patiŽnt of drager. Besmetting via drinkwater is mogelijk. De incubatietijd is meestal ca. 10 dagen.

Cholera, een acute, besmettelijke darmziekte, veroorzaakt door de bacterie Vibrio cholerae, een kommavormige bacterie in 1883 ontdekt door Robert Koch, en Vibrio el-tor. De bakermat van de door Vibrio cholerae veroorzaakte cholera is de Gangesdelta. Vanuit deze haard heeft de ziekte zich herhaaldelijk naar andere landen in AziŽ en andere werelddelen, met name Europa, verbreid. In Nederland kwam voor het laatst in 1909 een (kleine) epidemie voor; in BelgiŽ was de laatste kleine epidemie in 1896 (1100 doden).
Een door Vibrio el-tor veroorzaakte epidemie heeft zich sinds 1961 vanuit Sulawesi (Celebes) over Zuidoost-AziŽ, India, het Midden-Oosten en Afrika verbreid. In 1970 hebben zich in West-Europa, o.a. Engeland, enkele importgevallen van cholera voorgedaan.
De besmetting met cholerabacteriŽn wordt meestal overgebracht doordat zieken of bacillendragers met hun ontlasting drinkwater verontreinigen, maar kan ook door rechtstreeks contact tussen zieken en gezonden of indirect via geÔnfecteerd voedsel tot stand komen. De incubatieperiode bedraagt meestal enkele dagen. De voornaamste verschijnselen zijn hevige diarree en heftig braken. In de zwaarste gevallen overlijdt de patiŽnt reeds na enkele uren door het vochtverlies. Vele zieken herstellen echter bij goede behandeling. Door massavaccinatie (zie inenting) kan uitbreiding van een epidemie worden tegengegaan.

Pokken, een besmettelijke, door het variolavirus verwekte ziekte. De ziekte is door het intensieve 'uitroeiingsprogramma' van de Wereldgezondheidsorganisatie officieel sinds 8 mei 1980 volledig uitgeroeid. Door verwante virussen worden pokken veroorzaakt bij o.a. koeien (zie koepokken), schapen, vogels en insecten.

Verkoudheid of neusverkoudheid, een acute, oppervlakkige ontsteking van het slijmvlies van de bovenste luchtwegen.
Een verband tussen blootstaan aan plotselinge temperatuurdalingen en het uitbreken van de ziekte is onmiskenbaar, maar nog niet geheel opgehelderd. VerkoudheidsepidemieŽn (zie epidemie) breiden zich niet geleidelijk uit, zoals influenza, maar breken overal in het land tegelijkertijd uit bij dalingen van de luchttemperatuur.
Verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus en begint meestal met keelpijn en zwelling van het neusslijmvlies, waardoor niesprikkels en afscheiding van waterig, later slijmig vocht ontstaan. Reuk en smaak zijn min of meer gestoord. Soms is er een lichte temperatuurverhoging, bij jonge kinderen wel eens flinke koorts. Na enkele dagen verminderen de verschijnselen en gewoonlijk is het herstel na 1 ŗ 2 weken volledig. Het beschadigde slijmvlies heeft minder weerstand tegen infecties met bacteriŽn. Niet zelden treden complicaties op, zoals bijholte- of (bij kinderen) middenoorontsteking.
Verkoudheidsvirussen zijn bijna altijd aanwezig en brengen pas ziekte teweeg als de gastheer (mede) door afkoeling niet voldoende weerstand meer biedt. Afdoende maatregelen ter voorkoming zijn nog niet mogelijk. Gebruik van een forse dosis vitamine C kan van nut zijn.

Influenza of griep in eigenlijke zin, een besmettelijke aandoening van de luchtwegen, veroorzaakt door een myxovirus en overgebracht door middel van druppeltjes bij hoesten of niezen. De ziekte begint twee tot drie dagen na de besmetting met pijn in rug en ledematen, koorts, hoofdpijn en een algemeen gevoel van moeheid, en duurt doorgaans minder dan een week. Complicaties, zoals longontsteking, ontstaan door een bijkomende bacteriŽle infectie en - zelden - door het virus zelf. Van de grote epidemieŽn is vooral berucht de Spaanse griep uit de jaren 1918-1919, die 25 miljoen slachtoffers eiste. De Aziatische griep (A-griep) van 1957 verliep milder, de spoedig daarop volgende Hongkonggriep (1968) maakte vooral slachtoffers in Noord-Amerika. De oorzaak van het ontstaan van deze wereldwijde epidemieŽn is het feit dat het influenzavirus voortdurend verandert. Na ca. 40 jaar is het influenzavirus zodanig veranderd dat nog maar zeer weinig mensen resistent zijn tegen het virus. Om de 40 jaar is er dus een nieuwe, grote epidemie te verwachten.

AIDS (afk. van: Eng. Acquired Immune Deficiency Syndrome), een door het HIV (een virus) veroorzaakte ziekte waarbij het immuunsysteem (zie immuniteit [geneeskunde]) ernstig verzwakt is. Deze ziekte, die voor het eerst in 1981 in de Verenigde Staten is beschreven, heeft als verschijnselen koorts, zwellingen van de lymfklieren, nachtzweten en plotseling gewichtsverlies. Later ontstaat een grote vatbaarheid voor infectieziekten en kan een vorm van kanker (het Kaposisarcoom) ontstaan. Uiteindelijk leidt aids tot de dood.
Aids is besmettelijk. De grootste kans op besmetting loopt men bij bloed-bloed- en sperma-bloedcontacten. Het meest risicovol zijn onbeschermd anaal geslachtsverkeer en het gebruik van reeds eerder gebruikte, niet goed schoongemaakte injectienaalden. In sommige landen, waar niet (goed) getest bloed gebruikt wordt voor bloedtransfusies, is ook dat een besmettingsbron.

Kinderziektes zijn infecties waartegen jonge mensen na besmetting immuniteit ontwikkelen. Ze worden dan als kind eenmaal ziek en ontwikkelen voldoende afweer door middel van specifieke T-geheugencellen en B-geheugencellen (zie afweer). Een voorbeeld van zo'n kinderziekte is waterpokken (virus).
In Nederland worden de meeste kinderen tegen een aantal kinderziekten ingeŽnt (vaccinatie). Er worden dan een aantal ziektekiemen ingespoten zodat de specifieke afweer wordt geactiveerd en je lichaam antistoffen gaat maken. Een aantal ziekten komt daarom niet veel meer voor, zoals difterie (bacterie), kinkhoest (bacterie), tetanus (bacterie), polio (virus), bof (virus) en mazelen (virus). In 1992 zijn er weer een aantal gevallen van polio geregistreerd. Er zijn namelijk altijd mensen die zichzelf en hun kinderen vanwege geloofsovertuiging niet alten vaccineren. Die mensen leven vaak in kleine dorpen bij elkaar wat het besmettingsgevaar verhoogt.

Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) zijn infectieziekten waarbij besmetting vooral plaatsvindt bij seksueel contact. De meest voorkomende geslachtsziekte in Nederland is chlamydia en daarnaast gonorroe en syfilis, allemaal veroorzaakt door bacteriŽn en dus goed te behandelen met antibiotica zoals penicillinekuur. Wil je geslachtsziekten voorkomen dan zijn een goede hygiŽne en veilige seks van groot belang. Steeds vrijen met dezelfde persoon (als die et ook alleen met jou doet) en het gebruiken van een condoom maken de kans op besmetting klein. Als je een infectie hebt opgelopen, moet je altijd naar de huisarts gaan. Blijven rondlopen met een geslachtsziekte vormt niet alleen voor je eigen gezondheid een gevaar maar ook voor die van een ander.
In het rijtje van geslachtsziekten neemt AIDS een bijzondere plaats in omdat aids ongeneeslijk en uiteindelijk dodelijk is. Het HIV (humaan immuundeficiŽntie virus) verstoort het immuunsysteem en breekt het af doordat HIV de T-lymfocyten aantast. Wel maakt het lichaam nog antistoffen tegen HIV, maar omdat het virus zich langere tijd kan schuilhouden in de T-cellen kunnen de antistoffen het virus niet uitschakelen. Allerlei infectieziekten zoals longontsteking, darminfectie en vormen van huidkanker krijgen dan een kans. Ze worden dan namelijk niet of onvoldoende door het afweersysteem bestreden. Via een bloedtest kan worden aangetoond of antistoffen tegen HIV in het lichaam aanwezig zijn. Iemand bij wie dat het geval is noemt men seropositief. Er is een groot verschil tussen iemand die seropositief is en een AIDS-patiŽnt. De laatste is ziek en heeft ťťn of meer infectieziekten. Iemand die seropositief is, merkt daar nets van. Bij meer dan 50% van de seropositieven wordt het HIV na langere tijd actief, soms pas na vele jaren (inubatietijd). Wie eenmaal seropositief is, blijft dat altijd en kan een ander besmetten met HIV.

Alle infectieziekten kennen een incubatietijd:
De incubatietijd is de tijd die verloopt vanaf het moment van besmetting tot het vertonen van ziekteverschijnselen.
Bij veel infectieziekten is de incubatietijd niet langer dan enkele dagen, bij AIDS kan de incubatietijd, zeker onder invloed van aidsremmers, tientallen jaren bedragen.


AANGEBOREN AANDOENINGEN
Bij wijze van voorbeeld wordt hier een erfelijke aandoening beschreven die bekend staat onder de naam sikkelcel anemie:

Sikkelcelanemie, erfelijke vorm van bloedarmoede waarbij de rode bloedcellen (zie bloed) de vorm van een sikkel hebben. De ziekte wordt veroorzaakt door een afwijkend hemoglobine in de rode bloedcel. Aanwezigheid van dit afwijkende hemoglobine geeft bescherming tegen infectie met malaria. Hierdoor komt sikkelcelanemie voornamelijk voor bij personen uit gebieden waar eeuwenlang malaria heeft geheerst, met name dus bij het negroÔde ras.
Zoals bij veel erfelijke ziektes wordt de ernst van sikkelcelanemie mede bepaald door het feit of beide ouders aan de ziekte hebben geleden. Bij ernstige sikkelcelanemie kunnen de kleine bloedvaten verstopt raken waardoor allerlei weefsels zuurstofgebrek krijgen en afsterven. Dit gaat vaak gepaard met koorts en pijn. Bij mannen kan priapisme (een continue, pijnlijke erectie) ontstaan als de bloedvaten van de penis verstopt raken.
Zie ook: http://www.teleac.nl/pagina.jsp?n=71297


ALLERGIE
Een allergie is een overgevoeligheid voor een bepaalde stof. De meest voorkomende allergieŽn zijn die voor huisstof (uitwerpselen van de huismijt), stuifmeel (hooikoorts) en diverse voedingsmiddelen (chocola, aardbijen). Stoffen die een allergie veroorzaken noemen we allergenen.
Bij allergische reacties speelt de humorale afweer de belangrijkste rol. Receptoreiwitten op de T- en B-lymfocyten herkennen de allergenen als lichaamsvreemde antigenen. B-lymfocyten ontwikkelen zich onder invloed van cytokinen uit de T-helpercellen tot plasmacellen. De plasmacellen produceren verschillende typen antistof tegen het allergeen. Sommige van deze antistoffen hechten zich aan een bepaald type witte bloedcellen, de mestcellen. De mestcel wordt daarbij gevoelig gemaakt (gesensibiliseerd) voor het allergeen.
Wanneer gesensibiliseerde mestcellen opnieuw in aanraking komen met het allergeen gaan deze allerlei stoffen afgeven, waaronder histamine. Histamine veroorzaakt onder andere verwijding van de poriŽn in de haarvaten waardoor er meer weefselvloeistof wordt gevormd. Daardoor zwellen de slijmvliezen op. Ook veroorzaakt histamine ontstekingsreacties waardoor irritaties van weefsels ontstaan. Histamine heeft ook invloed op het samentrekken van spierweefsel, bijvoorbeeld in de wand van de bronchiolen, waardoor benauwdheid kan ontstaan (astma).
AllergieŽn kunnen bestreden worden met anthistaminica. Deze medicijnen gaan de werking van histamine tegen; ze voorkomen dat histamine vrijkomt. Ook kan het helpen om de patiŽnt in sterke mate met het allergeen in contact te brengen. Met een dergelijke hyposensibilisatie ontwikkelt de patiŽnt meer weerstand tegen het allergeen. Ook kan een allergiepatiŽnt proberen het contact met het allergeen juist zoveel mogelijk te vermijden. Zo wordt via de media belangstellenden op de hoogte gehouden van (on)gunstige weersomstandigheden voor hooikoortspatiŽnten.
Voor de belangstellenden: http://allergie.pagina.nl



HET AFWEERSYSTEEM
(Uit artikel van Jan Vandeputte, ziekenhuishygiŽnist AZ St. Jozef , getiteld 'Het menselijk afweersysteem')

Immunologie en de lymfoÔde organen

Al eeuwen geleden legden nieuwsgierige natuuronderzoekers en genezers de basis voor de immunologie, de wetenschap die zich bezighoudt met de afweer van mens en dier tegen vreemde organismen (bacteriŽn, virussen, lichaamsvreemde cellen of delen daarvan) en moleculen (bijvoorbeeld van metalen).
Thucydides beschreef al in de Griekse oudheid dat, als de stad Athene geplaagd werd door de pest, de zieken en stervenden geen enkele vorm van verpleging zouden hebben als er geen mensen waren die al eerder zelf door de pest waren getroffen en ervan waren genezen. Toen al wist men dat niemand de ziekte een tweede keer kreeg.
Kwam dit beschermende effect nu alleen bij de pest voor ? Nee, zeker niet. Gedurende de middeleeuwen teisterden rampzalige pokkenepidemieŽn (Variola) regelmatig grote delen van de Europese bevolking. Zij die ze overleefden, droegen de rest van hun leven de littekens ervan, maar... een nieuwe epidemie had geen vat meer op hen. Deze zeer opvallende ongevoeligheid, immuniteit, hield duidelijke verband met het herstel van de vroegere infectie.
Deze actief verworven immuniteit was dus al in de zestiende eeuw een duidelijk herkend fenomeen. (Passief verworven immuniteit hebben pasgeborenen van de moeder.) Dit leidde tot bewuste pogingen tot immunisatie - het niet vatbaar maken voor een bepaalde ziekte, kunstmatig verworven immuniteit - op een moment dat noch de aard van de ziekte, noch de aard van het immunisatieproces begrepen werd.
Verschillende personen lieten zich in die periode dan ook besmetten met het etterende materiaal van milde pokkengevallen (variolatie), in de hoop dat dit contact hen zou beschermen tegen latere, fatale aanvallen van de ziekte. Algauw bleek echter dat deze vorm van inenting bijna even gevaarlijk was als het oplopen van de ziekte door een epidemie. Daarom stopte men er snel mee. Het duurde tot 1798 voordat een wetenschappelijke basis voor deze vorm van immuniteit werd gelegd. Jenner, een Engelse plattelandsarts, zag tijdens een pokkenepidemie dat de patiŽnten in zijn praktijk die koepokken hadden doorgemaakt, niet meer werden getroffen door de pokken. Na veel onderzoek slaagde hij erin mensen immuun te maken tegen pokken door hen te besmetten met materiaal afkomstig van koepokken. Dit was het begin van de vaccinatie (vacca is het Latijn voor koe). De werking van vaccinatie berust erop dat koepokkenvirus minder virulent (agressief in zijn ziekteverwekkend vermogen) is dan het virus dat menselijke pokken veroorzaakt. Toch hebben beide virussen zoveel met elkaar gemeen dat de afweer die ontstaat na besmetting met het koepokkenvirus ook tegen het menselijke pokkenvirus is gericht.
Na deze bevindingen duurde het toch nog bijna een eeuw voordat het principe van de vaccinatie wat meer gestalte kreeg. Dit was vooral te danken aan het werk van Louis Pasteur. Deze Franse chemicus en bacterioloog, een van de grootste onderzoekers van de negentiende eeuw en grondlegger van de biochemie en de moderne bacteriologie, bestudeerde in 1879 kippencholera. Hij had de ziekteverwekkende bacterie in zuivere kweek gebracht, toen zijn werk werd onderbroken door de zomervakantie. Tot zijn teleurstelling vond Pasteur bij zijn terugkeer dat de kweken die gedurende de zomer bewaard waren hun ziekteverwekkende vermogen hadden verloren. Omdat Pasteur een zuinig man was, bewaarde hij deze kippen voor latere experimenten. Hij slaagde er daarna in een nieuwe zuivere stam van kippencholerabacteriŽn te kweken en besmette onder andere zijn gespaarde kippen met deze nieuwe stam. Tot zijn grote verbazing kregen deze kippen geen cholera meer, terwijl de kippen die niet tevoren ingeŽnt waren zeer ernstig ziek werden. Pasteur had lang geloofd dat koepokken een milde vorm van pokken was. Nu begreep hij dat hij een perfecte parallel gevonden had in zijn avirulente en virulente stammen van kippencholerabacteriŽn. De verzwakte, avirulente cholerastam had immuniteit voor cholera bewerkstelligd.
Zo werd de wetenschappelijke basis van vaccinatie ontdekt: men moest het ziekteverwekkende organisme in zuivere kweek brengen en het laten groeien onder omstandigheden die verlies van virulentie zouden bewerkstelligen. Vervolgens kon men het inenten bij gezonde personen, die daarna beschermd waren tegen de virulente vorm. Al heel snel bleek dat men bacteriestammen op verschillende manieren kan verzwakken. Binnen enkele jaren kende men verzwakte stammen van de verwekkers van miltvuur, wondroos en rabiŽs (hondsdolheid). Ter ere van Jenner's ontdekking stelde Pasteur voor de term vaccinatie te gebruiken voor alle handelingen waarbij mensen of dieren worden ingeŽnt met gedode of verzwakte micro-organismen, met als doel weerstand op te wekken tegen de ziekten die deze micro-organismen veroorzaken.

De ontdekking van antistoffen
De ontdekking van antistoffen leidde een tweede serie in van belangrijke vondsten die hebben bijgedragen tot het begrijpen van de immuunreacties. Ze vonden in dezelfde tijd plaats als de ontdekkingen van Pasteur en dat moet zeker niet als een toeval gezien worden. Eerst voor tetanus, en later ook voor difterie, werd ontdekt dat proefdieren die in contact waren geweest met deze ziekten in hun serum een stof hadden die bescherming bood tegen een nieuwe aanval van deze ziekten. Het bewijs voor het bestaan daarvan kon worden geleverd door serum van geÔnfecteerde dieren in te spuiten bij niet-geÔnfecteerde dieren. Deze laatste kregen na besmetting de ziekte niet. Dit bewees dat het serum een beschermende factor tegen de ziekte bevatte. Deze beschermende factoren werden antistoffen (antilichamen) genoemd en bij verder onderzoek bleek dat deze zeer specifiek werken.
Serum van een dier dat met difterie was besmet en dit had overleefd, kon alleen tegen difterie bescherming bieden en niet tegen andere ziekten, zoals bijvoorbeeld tetanus. Zo ontdekte men de zogenaamde humorale immuniteit, de immuniteit door de antilichamen in de lichaamsvloeistof (Humor).
Pas in de twintigste eeuw zou meer bekend worden over de werking en de structuur van deze antilichamen. Het bleken eiwitten te zijn, behorende tot de ?-globulinefractie van de bloedeiwitten. Deze immuunglobulines (Ig) kan men op hun beurt weer onderverdelen in IgG, IgA, IgD en IgE. Door hun speciale moleculaire structuur herkennen antilichamen lichaamsvreemde cellen of stoffen waarmee ze in aanraking komen, de zogenaamde antigenen. Door daarmee een interactie aan te gaan, kunnen antilichamen bijvoorbeeld bacteriŽn laten samenklonteren (agglutineren) of toxische stoffen neutraliseren.
BacteriŽn kunnen ook opzwellen en later barsten (lyseren) door de werking van een ander immunologisch systeem, het zogenaamde complementsysteem. Dit is een complex van eiwitten die geactiveerd worden na contact tussen antigenen en antilichamen. Als de verschillende complementfactoren zich in een bepaalde volgorde gebonden hebben aan het antigeen-antilichaamcomplex, zal een beschadiging optreden van de celmembraan. Daardoor barst de cel tenslotte en loopt leeg.
In 1882 ontdekte Metchnikov dat in larven van de zeester beweeglijke cellen aanwezig waren, die zich onder andere begaven naar in de huid aangebrachte splinters. Door de ontdekking van deze cellen, de zogenaamde fagocyten of macrofagen, werd een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontdekking van de zogeheten niet-specifieke cellulaire immuniteit.
Hoe was nu de stand van zaken in de immunologie rond 1900? In elk geval was duidelijk dat in de membranen van ziekteverwekkende bacteriŽn en virussen bepaalde structuren zaten (antigenen) die aanleiding konden geven tot de vorming specifieke antilichamen. Ook scheidden deze ziekteverwekkers soms toxische stoffen af, die als antigenen konden functioneren. De daartegen geproduceerde antilichamen konden vervolgens die bacteriŽn doen samenklonteren of openbarsten, of de toxische stoffen neutraliseren. Daarnaast was bekend dat er een vorm van niet-specifieke cellulaire immuniteit bestond, waarbij beweeglijke cellen met fagocyterende eigenschappen een rol speelden.

Het huidige immuniteitsconcept
Een volgende serie ontdekkingen zou uiteindelijk onze huidige kennis van immuniteit bepalen. De belangrijkste ervan was wel, dat als men bij zeer jonge dieren de thymus (zwezerik) verwijderde, ze daardoor gewicht verloren, langzamer groeiden, verzwakten en in 50 tot 70 percent van de gevallen doodgingen. Later bleek dit allemaal vermeden te kunnen worden door bij het proefdier opnieuw thymusweefsel te implanteren, bijvoorbeeld in de buikholte. Het inspuiten van weefselextracten van de thymus had hetzelfde effect. Tevens bleek dat na het wegnemen van de thymus (thymectomie) de proefdieren gevoelig werden voor schimmel en virusinfecties en in mindere mate ook voor enkele bacteriŽle infecties. In experimentele situaties konden de dieren bovendien transplantaten minder goed afstoten en kregen ze meer tumoren. Uiteindelijk bleek na veel onderzoek dat door thymectomie het aantal lymfocyten (een bepaald type witte bloedcel) in het bloed sterk afnam. Omdat dit verdwijnen het gevolg was van het wegnemen van de thymus noemde men deze groep lymfocyten T-lymfocyten. De vorm van afweer die door deze cellen werd uitgeoefend, kwam tenslotte bekend te staan als specifieke cellulaire immuniteit. Bij deze vorm van immuniteit spelen antilichamen geen directe rol.
In dezelfde periode leidden experimenten bij kippen tot een beter begrip van de humorale immuniteit. Het bleek dat wanneer bij jonge kippen de bursa van Fabricius, een lymfoÔd orgaan gelegen aan de einddarm bij de kip, werd weggehaald (bursectomie), de betrokken dieren gevoelig werden voor ernstige bacteriŽle infecties. Tegelijk kon worden aangetoond dat er geen antilichamen tegen deze bacteriŽn werden gevormd. Tenslotte bleek ook hier dat een deel van de lymfocyten uit het bloed verdwenen was en omdat deze lymfocyten van de bursa afhankelijk waren, werden ze B-lymfocyten genoemd.
De bestudering van de gevolgen van thymectomie en bursectomie leidde dus tot het herkennen van twee soorten lymfocyten, T-lymfocyten en B-lymfocyten. De eerste zijn verantwoordelijk voor de cellulaire immuniteit , de laatste voor de humorale immuniteit.
Op basis van deze gegevens was het mogelijk te komen tot een immuniteitsconcept bij verschillende diersoorten. Analoog hieraan heeft men een identiek concept voor de mens kunnen maken. Uit latere experimenten bleek dat de T- en B-lymfocyten uiteindelijk een zelfde voorlopercel bezitten (de lymfoÔde stamcel) die, evenals de stamcellen waaruit de witte en rode bloedlichaampjes ontstaan, afkomstig is uit het beenmerg en in de embryonale fase voornamelijk ut de foetale lever.
Hoewel de cellulaire immuniteit en de humorale immuniteit twee verschillende immunologische mechanismen representeren, die elk verantwoordelijk zijn voor een bepaalde vorm van afweer tegen micro-organismen, lichaamsvreemde stoffen en cellen, is het toch niet zo dat beide systemen volledig onafhankelijk van elkaar kunnen opereren. Dit blijkt onder andere uit de thymectomie-experimenten, waarbij gevonden werd (maar aanvankelijk niet op de juiste waarde geschat) dat er ook een kleine afname was in de productie van antilichamen. Dit kon later worden verklaard door aan te tonen dat sommige T-lymfocyten (hoewel ze zelf geen antilichamen vormen) wel een rol spelen bij de inductie van de antilichaamvorming door B-lymfocyten. Deze lymfocyten, de zogenaamde T-helpercellen, reguleren de vorming van antilichamen. Aan de andere kant zijn er ook de T-suppressorcellen, die de vorming van antilichamen onder bepaalde omstandigheden kunnen onderdrukken. Er is dus duidelijk sprake van een interactie tussen beide immuniteitssystemen.



ONTWIKKELING GENEESKUNDE (vervolg)

Men kan tijdens de geschiedenis van de geneeskunde verschillende ontwikkelingslijnen onderscheiden die samenhangen met de deskundigheid van de personen in kwestie:
* Artsen ; zij zijn allereerst verantwoordelijk voor het verlenen van zorg en het stellen van een diagnose
* Filosofen; zij ontwikkelen theorieŽn / opvattingen over natuurlijke fenomenen in het algemeen
* Chirurgen; zij specialiseren zich in anatomische kennis en vaardigheden met scherp gereedschap; aanvankelijk geringe status (vergelijk met een kapper)
* Wetenschappers; zij leveren nieuw kennis en technieken aan die de geneeskunde verder vooruit helpen

Grieken
Hippocrates (ca 400 v.Chr.) [Arts] ontwikkelt de humorenleer (zie hierboven). Hij wordt nog steeds beschouwd als deVader van de geneeskunde en was de belangrijkste leermeester op Kos. Hij behandelt zijn patiŽnten volgens het principe Curantur contraria contrariis

Romeinen
Galenus (ca 150 n.Chr.) [Chirurg / arts] was lijfarts van de Romeinse keizers. Zijn grote maar soms foutieve anatomische kennis zal tot de renaissance onbetwist blijven. Dat komt vooral door zijn opvatting dat God niet dobbelt en dat er samenhang is tussen oorzaak en gevolg. (De Romein Galenus gelooft in ťťn God en dat levert hem veel aanhang bij Joden en Christenen die later in Europa hun invloed zullen doen gelden.
Galenus was ook filosofisch ingesteld. Hij introduceert de drie geesten die een verklaring moetren geven voor het verschijnsel 'leven':
- spiritis animalis (zetelt in de hersenen / zorgt voor waarneming en beweging)
- spiritis vitalis (zetelt in het hart / regelt de temperatuur)
- spiritis naturalis (zetelt in de lever / regelt de stofwisseling)
Het hart produceert volgens Galenus warmte om een organisme in leven te houden. De ingeademde pneuma koelt de hartvlammen, anders zouden deze zichzelf verbruiken en uit gaan.

Moren
De Arabische cultuur (ca 800 - 1200 n.Chr.) strekt zich uit vanuit PerziŽ over grote delen van Afrika en AziŽ tot in Europa waar het een belangrijk centrum heeft in Cordoba (Spanje). Deze cultuur brengt menig geleerde met uitgebreide medische kennis voort, waaronder al-Rhazes (860 -932). Hij schrijft de Canon waarin leerstellingen zijn opgenomen over ziekten, regels voor hygiŽne, lijsten van medicamenten, beschrijvingen van ziektes en de bereiding van geneesmiddelen. Een poging om een duidelijk verband te leggen tussen de biologische kennis en medische opvattingen van respectievelijk Aristoteles en Galenus lukt hem niet. In de Arabische cultuur is veel aandacht voor de eigenschappen van minerale stoffen en daar wordt veel mee geŽxperimenteerd. Deze al-chimie leidt tot de ontwikkeling van geneesmiddelen (farmacologie) en zal veel Europese onderzoekers inspireren tot de alchemie, de voorloper van de moderne scheikunde.

Europese ontwikkelingen
De eerste medische school in Europa is die van Salerno in het huidige ItaliŽ (10e - 13e eeuw). De medische uitgangspunten in die tijd zijn vooral gebaseerd op de ideeŽn van Hippocrates en Galenus (humorenleer). Diagnoses worden gebaseerd op de uiterlijke kenmerken van bloed, sputum en urine. Aan de hand van kenmerkende eigenschappen van urine kan bijvoorbeeld vrij eenvoudig de diagnose worden gesteld of de patiŽnt een ontsteking heeft (troebel neerslag) of diabetis heeft (zoete smaak). De behandeling is nog steeds volgens het principe Curantur contraria contrariis (sinds Hippocrates).

Er komen geleidelijk aan ook universiteiten in Europa. Dat zijn wetenschappelijke centra waar meerdere disciplines worden beoefend. Dus naast geneeskunde ook wiskunde, astronomie, filosofie en andere wetenschappen.De eerste universiteit is die van Bologna (11e eeuw). Hier werd ook het eerste anatomisch theater gebouwd dat als replica is terug te vinden in het Boerhave-museum in Leiden.

In Parijs wordt de School voor Chirurgie opgericht. Dat levert een voorname verbetering aan de status van de arts/chirurg versus de barbier/chirurgijn. Die verdiende in die tijd niet alleen geld met knippen en scheren maar ook met het verwijderen van abcessen en met aderlatingen. Vooral de collectieve aderlating-orgies in badhuizen wekten verzet bij autoriteiten en bleken besmettingshaarden van ziektes. Deze ontwikkeling leidde er toe dat dergelijke praktijken geleidelijk verdwenen.

Eťn van de beroemdste geneeskundigen uit de 16e eeuw was Paracelsus (Philippus Aureolus Teophrastus Bombastus von Hohenheim, 1493-1541). Hij was een Zwitsers geneeskundige, natuurfilosoof en alchemist, promoveerde in 1515 te Ferrara en werkte enkele jaren als arts in Salzburg, als chirurg te Straatsburg (1526) en als hoogleraar te Basel (1527-1528). Zijn kritiek op de leer van Galenus en de Arabische geneeskunde riep zoveel weerstand op dat hij in 1529 Basel moest verlaten en vervolgens rondzwierf door heel Europa, tot de aartsbisschop van Salzburg hem in 1540 onderdak verschafte.
Paracelsus verwierp de humorenleer en voerde de chemische trias (de elementen kwik, zwavel en zout) in, waarmee hij de grondlegger werd van de iatrochemie. Hij trachtte ook specifieke geneesmiddelen te vinden tegen ziekten en in de geschiedenis van de geneeskunde is hij belangrijk, omdat hij de stoot gaf tot de ontwikkeling van de farmaceutische chemie. Stoffen die hij introduceerde voor medisch gebruik, waren o.m. kwik, zwavel, laudanum (niet de tinctura opii crocata van later, maar een vast preparaat dat wellicht opium bevatte) en ijzer. In zijn medische werken schreef hij vnl. over (de behandeling van) syfilis, chirurgie en wondbehandeling, beroepsziekten van ijzersmelters en mijnwerkers, een leer van de ziekteoorzaken en over geneeskrachtige bronnen. Uitgaande van de natuurgeneeskracht hanteerde hij de homeopathie als therapie. Paracelsus had geniale intuÔties en grote ervaring, maar was vaak zeer verward. Zijn beste werk is Liber paramixum. Hierin verkondigt hij zijn bewering: "Alle dingen zijn giftig en er is niets dat geen gif bevat, alleen de dosis zorgt ervoor dat iets niet giftig is".

De meest invloedrijke universiteit in Europa wordt die van Padua (het Harvard van de Renaissance) met als beroemdste hoogleraar ongetwijfeld Galileo GalileÔ.
Voor de geneeskunde zijn de volgende professoren aan de universiteit van Padua het vermelden waard:
Vesalius (1514-1563) was Vlaming van geboorte en had een zeer grondige kennis van de anatomie ontwikkeld. Nadat het ethische verbod om lijken te ontleden geleidelijk door kunstenaars steeds vaker geschonden was (Leonardo da Vinci), krijgt Vesalius de gelegenheid om een zeer gedetailleerde anatomische atlas samen te stellen. Hij wijst op de fouten van Galenus maar wordt aanvankelijk verguisd. Omdat hij zich slecht op zijn gemak voelt tussen de aanhangers van Galenus in Padua neemt hij ontslag en wordt lijfarts aan het Spaanse hof. Maar Vesalius had wel een ommekeer in de anatomische opvattingen ingeluid.
Harvey (1587-1657) was aanvankelijk arts aan het Engelse hof met een grote belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek van het menselijk lichaam. Hij toont aan dat de bloedcirculatie in ťťn richting verloopt. Hij is een volgeling van de filosoof Descartes (mechanisisme) en legt de basis voor de bio-anatomie. Harvey verbetert het inzicht in de menselijke fysiologie en de Galenus' opvattingen over 'levenskrachten' worden definitief verworpen.

Technische ontwikkelingen
Dat de bloedcirculatie in ťťn richting verloopt, had Harvey experimenteel aangetoond. Hij kon echter zelf niet zien dat er sprake is van een gesloten bloedsomloop. Deze veronderstelling kon pas worden bevestigd toen door technologische ontwikkelingen Malpighi (1628-1694) in staat was met behulp van optische hulpmiddelen de kleine haarvaatjes waar te nemen.
Dergelijke optische hulpmiddelen vormden de basis voor de uitvinding van de microscoop door de Delftse lakenhandelaar Van Leeuwenhoek (1632-1723) die weliswaar geen wetenschappelijke publicaties in een vreemde taal kon lezen, maar zelf wel heel wat brieven schreef om zijn ontdekkingen te promoten. Uiteindelijk kreeg hij de verdiende erkenning door zijn benoeming als lid van de Royal Society in 1680.
Door zijn ontdekkingen van onder meer trilhaardiertjes in water, bacteriŽn in tandplaque en de functie van zaadcellen wordt hij wel beschouwd als de 'vader van de microbiologie'.

Opkomst arts moderne stijl
De Engelsman Sydenham (1624-1701) was zeer begaan met zijn patiŽnten en had veel aandacht voor de symptomen van het verloop van ziekten. Hij stond sceptisch tegenover de natuurwetenschappen maar maakte verstandig gebruik van geneesmiddelen, vooral van natuurproducten (kinine).
De Leidenaar Boerhave (1668-1738) werd wereldwijd vermaard door zijn hippocratische werkwijze: de arts hoort aan het bed van de patiŽnt (en ook bij de lijkschouwing). Hij verwachtte dit ook van zijn studenten en bezocht dagelijks met hen de zieken zodat zij de symptomen niet uit boekjes leerden maar uit de praktijk.
Hoewel Boerhave zelf nooit uit Nederland is weggeweest kwamen zijn studenten uit alle uithoeken van de wereld. Zijn roem was zo groot dat hij vanuit China een keer een brief ontving die eenvoudigweg geadresseerd was aan dr Boerhave, Europa.

Wetenschappelijke vooruitgang
Morgani (1682-1771) was hoogleraar in Padua en wordt beschouwd als de grondlegger van de wetenschappelijke pathologische anatomie (lichamelijke vormveranderingen bij ziektes)
Lavoisier (1743-1793) wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne scheikunde en hij was bovendien een uitstekend fysioloog. Hij toonde aan dat de ademhaling het verbrandingsproces dient waarbij zuurstof gebruikt wordt en koolstofdioxide ontstaat. Met een vernuftig experiment toonde hij aan dat bij verbranding geen materiaal verdwijnt maar dat de stof zich verbindt met zuurstof. Volgens Lavoisier was die brandbare stof in de mens het bloed zelf.

Maar ook bloeitijd van de kwakzalverij
Mesmer (1734-1815) moet een charismatische persoonlijkheid zijn geweest. Hij paste handoplegging toe als magnetische therapie en maakte gebruik van de astrologie om inzicht te krijgen ziekte en genezing. Ondanks het feit dat hij door wetenschappers onder leiding van Lavosier van bedrog wordt beschuldigd, blijven zijn bewonderaars in hem geloven.
Hahnemann (1755-1843) kan worden beschouwd als de grondlegger van de homeopathie. De therapie is duidelijk geÔnspireerd door de opvattingen van Paracelsus, namelijk dat de dosis bepalend is voor de mate van giftigheid. Hahneman verkondigt de opvatting dat de ziekte bestreden kan worden met de ziekteverwekker zelf - Curantur similia similibus , mits deze toegediende ziekteverwekker maar voldoende verdund wordt.


VIDEO: "And the band played on"
De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van onderzoeksjournalist Randy Shilts met als onderwerp de uitbraak van de AIDS epidemie in begin jaren tachtig in de VS. Zie voor een indringend commentaar http://www.fumento.com/shilts.html
Verschillende kwesties hebben een effectief bestrijden van de ziekte aanvankelijk jaren opgeschort, zoals de ontoereikende financiŽle ondersteuning door de homofobe regering Reagan, het weigeren van de homobeweging om verworven vrijheden (badhuizen) op te geven, het weigeren van de bloedbanken om miljoenen uit te geven aan bloedonderzoeken en de controverse tussen de wetenschappers Bob Gallo en Luc Montagnier.

AIDS: de geschiedenis van een ziekte
Voor een overzicht van de historische ontwikkeling van AIDS en HIV kan men de volgende sites raadplegen:
http://www.wvac.nl/hiv/wat_is_hiv.doc
http://www.hivnet.org/Hivnieuws/HistorischOverzicht.htm
http://www.gezondeliefde.nl/21jaar.html


ALTERNATIEVE GENEESWIJZEN

Naast de reguliere geneeswijze die is gebaseerd op natuurwetenschappelijke gronden bestaat er een scala aan alternatieve opvattingen over ziekte en genezing. Sommige opvattingen wortelen in het verleden of zijn sterk cultuurgebonden, andere zijn het product van creatieve geesten en hebben vaak niets anders tot doel dan winstbejag. Enkele voorbeelden van het eerste type zijn het acupunctuur en vooroudergeesten terwijl voorbeelden van het tweede type gezocht moeten worden bij de manuele therapie (handoplegging) en iriscopie.

Acupunctuur
Acupunctuur is in China een duizenden jaren oude vorm van geneeskunst. Westerse medici vermoeden dat door het inbrengen van zeer dunne naalden op bepaalde plaatsen in het lichaam de pijnregulerende centra in de hersenen gestimuleerd worden. Door de naalden, als ze op de juiste plaatsen zijn ingebracht, te bewegen, zou de afscheiding van lichaamseigen pijnstillers - de zogeheten endorfinen - kunnen worden bewerkstelligd. Een variant is acupressuur, die gebaseerd is op het op de juiste plaatsen drukken met de vingers.
http://www.skepsis.nl/acupunctuur.html

Wedergeboorte
Hindoes en boeddhisten gaan uit van cycli van geboorte, leven, dood en wedergeboorte (reÔncarnatie). De omstandigheden van de wedergeboorte, zoals de gezondheid, worden bepaald door het karma, verzameld in het vorige leven. Karma is de som van de daden uit eerdere levens. Als men gelooft dat het leven afhangt van daden uit een eerder bestaan, heeft dat ongetwijfeld invloed op de wijze waarop het leven ervaren wordt. Leven, dood, gezondheid en ziekte zullen in een ander perspectief gezien worden dan wanneer iemand maar ťťn leven denkt te hebben.
http://www.skepsis.nl/karma.html

Homeopathie
De homeopathische behandeling hanteert het principe dat de kwaal kan worden bestreden met de oorzaak ervan: de homeopathie bestrijdt het gelijke met het gelijke, en tracht zo het zelfgenezende vermogen van het lichaam te stimuleren. Bovendien besteedt ze aandacht aan 'het individu in zijn totaliteit'. Reken daarbij dat homeopathische middelen bekend staan om hun onschadelijkheid, en je begrijpt waarom veel mensen vallen voor de charme van deze alternatieve geneeskunde. Maar schijn bedriegt. Als we de beginselen van de homeopathie onder de loep nemen, dan blijkt dat ze weinig of niets met wetenschap te maken hebben. Integendeel, deze zogenaamde geneeskunde is in strijd met onze huidige wetenschappelijke en medische kennis. Homeopathie kan soms helpen, maar meer dan een placebo-effect hoeven we er niet achter te zoeken. Eveneens opmerkelijk is dat heel wat homeopathische middelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, in wezen niets met homeopathie te maken hebben. Het adagium 'baat het niet, het schaadt ook niet' gaat dus zeker niet altijd op.
http://www.skepsis.nl/eoshomeo.html

Placebo effect
Placebo's zijn medicijnen die eigenlijk geen echte werkzaamheid bezitten, maar die worden voorgeschreven voor een bepaalde ziekte in de overtuiging dat ze heilzaam zullen zijn. Zowel dokter als patiŽnt denken dan ze zullen werken. Soms worden deze medicijnen toegediend in een wetenschappelijk experiment in vergelijking met echte medicijnen om het effect van het werkelijke medicijn te vergelijken met het niet werkzame medicijn. Alle medicijnen, werkzame of onwerkzame, hebben een placebo-effect in de orde van grootte van 25-30%. Wil een medicijn als werkzaam worden geclassificeerd dan moet het dus duidelijk beter werken dan het placebo.
Uit recent hersenonderzoek is vast komen te staan dat, wat we altijd al wisten, ook werkelijk zo is. Veel medicijnen en zeker de oudere medicijnen, waarvan we nu weten dat ze nauwelijks enig effect hebben, werken wel degelijk doordat er in onze hersenen verwachtingspatronen worden geschapen, die vooruit lopen op een gunstig effect. Dat zorgt ervoor dat er een effect optreedt wat we het placebo-effect noemen. Hierdoor gaat er een genezende werking van uit, omdat onze perceptie van ziek zijn gunstig wordt beÔnvloed.
http://www.skepsis.nl/placebo-effect.html

Dubbelblind onderzoek
Een dubbelblind onderzoek is een vorm van onderzoek van geneesmiddelen of behandelwijzen waarbij noch de patiŽnt, noch de onderzoeker weet welke van twee met elkaar te vergelijken opties is toegepast. (Bijvoorbeeld een te onderzoeken geneesmiddel en een placebo, of een te onderzoeken geneesmiddel vergeleken met een al bekend geneesmiddel.) Hierdoor wordt de invloed van bewuste, maar vooral ook die van onbewuste meningen en verwachtingen van patiŽnt en onderzoeker over de uitkomst geminimaliseerd. Het blijkt namelijk dat die sterke invloed op het resultaat hebben. Pas als de uitkomsten en beoordelingen van de toestand vastliggen wordt de code verbroken en wordt duidelijk of de behandeling wel of geen effect had.
Voor geneesmiddelonderzoek is eigenlijk dubbelblind onderzoek de enige nog acceptabele standaard voor het bepalen van de werkzaamheid van een bepaald middel. Vaak is dubbelblind onderzoek niet mogelijk, bv. bij het verrichten van operaties is het ethisch lastig om wel een snee te maken en dicht te hechten maar vervolgens niets te doen. Toch is dit wel eens gedaan, soms met verrassende resultaten; vele gangbare operaties hebben nooit hun nut in een goed onderzoek bewezen.
http://www.skepsis.nl/bidden.html