5. EVOLUTIE

INDEX
HOME PAGE

Evolutie kan worden opgevat als geleidelijke verandering van natuurlijke fenomenen. Die veranderingen hebben zich over een zeer lang tijdsbestek voltrokken en verlopen slechts langzaam. Evolutie is daarom niet direct waarneembaar en wordt in de vorm van een model (theorie) gepresenteerd. In tegenstelling tot de eerder besproken modellen hebben evolutietheorieŽn betrekking op ťťn groot onomkeerbaar (irreversibel) proces waarbij toevallige (onvoorspelbare) gebeurtenissen een belangrijke rol spelen.
De evolutie heeft vooral betrekking op de ontwikkeling van het leven, met name op het ontstaan van nieuwe soorten uit bestaande soorten, het uitsterven van soorten en het ontstaan van leven uit niet-leven. Maar ook op de ontwikkeling van de aarde, veranderingen in de aardkorst, het ontstaan van het zonnestelsel, melkwegstelsels en het heelal als geheel.


PANTA RHEI

De uitspraak panta rhei (alles stroomt) is afkomstig van Heraclitus, die daarmee verwees naar zijn parabel dat men nooit tweemaal dezelfde rivier kan oversteken. Bij herhaling zou immers al het water dat door de rivier stroomt vervangen zijn door nieuw water en daarmee de rivier wezenlijk hebben veranderd.

Heraclitus van Efeze (Gr.: Herakleitos) (ca. 625 - 575 v.C.), Grieks filosoof, is wellicht de meest boeiende, zeker de raadselachtigste van de Griekse filosofen. Hij was van aristocratische afkomst en trok zich vol afschuw van het onverstand van zijn medeburgers uit het politieke leven terug. Tot op zekere hoogte geÔnspireerd door Anaximander van Milete, zag Heraclitus de kosmos als bestaande uit elkaar bestrijdende tegenstellingen. Niet alleen de macrokosmos, maar ook de menselijke wereld.
Deze bewegende tegenstellingen of -delen zijn, daar zij uit elkaar voortkomen en op elkaar volgen (dag en nacht, leven en dood, honger en verzadiging, enz.), in de grond per paar een eenheid. Omdat deze eenheid overal terugkeert, is zij een universele 'noemer', waartoe alle verschijnselen te herleiden zijn en die zelf als actief, stuwend en rationeel beginsel het gebeuren in stand houdt.
Behalve eenheid ( 'alles is ťťn') noemt Heraclitus dit beginsel ook 'oorlog' (Gr.: půlemos; nl. die der tegendelen), en 'het Ene Wijze' (de intelligente ťťnheid die alles bestiert). Een andere naam ervoor is Vuur: de eeuwige kosmos is Vuur, deels opvlammend, deels uitdovend, maar zů, dat altijd ergens evenveel 'opvlamt' als elders 'uitdooft'.
Aarde wordt water, water vuur; tegelijk voltrekt zich elders hetzelfde proces in omgekeerde richting; de overgang van bijv. aarde in water wordt door een naar verhouding even grote omgekeerde overgang elders gecompenseerd. Hoewel de goddelijke wetmatigheid evident is, is zij voor de mens verborgen: Heraclitus maakt zich geen illusies.
Toch kan de mens begrijpen en haar bewust volgen (dat is wijsheid); onbewust doet hij dit reeds, lijfelijk opgenomen als hij is in de cyclus der tegendelen.
Heraclitus is een van de ontdekkers van de persoonlijkheid. Beroemd is zijn uitspraak: 'ik ben bij mijzelf te rade gegaan'. Dit is mogelijk omdat de kosmische processen zich op analoge wijze in de mens zelf voltrekken; de ziel speelt daarbij eenzelfde rol als het Vuur in de kosmos en beschikt over eigen, onuitputtelijke Logos.
Heraclitus was een eenling. Bewust en kritisch brak hij met de traditie. Directe leerlingen heeft hij niet gehad. Wel is zijn invloed ongelooflijk. Niet alleen Plato, die Heraclitus' leer te exclusief als leer van de eeuwige verandering interpreteerde, wat later samengevat werd in de spreuk panta rhei (= alles stroomt), maar ook Georg Wilhelm Friedrich Hegel ( 'er is geen zin van Heraclitus die ik niet in mijn Logik heb opgenomen') en met hem de marxisten hebben zich op hem beroepen.
Van zijn in een boek verzamelde, in intrigerende en aforistische stijl geschreven korte uitspraken is een gedeelte bewaard gebleven; het boek bevatte wat Heraclitus zijn 'eeuwig geldende uitleg' (logos) noemt. De beeldende uitdrukkingswijze bemoeilijkt de interpretatie: reeds in de oudheid droeg hij de bijnaam 'de duistere' (ho skoteinos). Uit: ENCARTA.


VIDEO "PLATENTECTONIEK"
Schollentektoniek of platentektoniek theorie die de grote geologische en geofysische verschijnselen verklaart uit de onderlinge bewegingen van een aantal vaste platen of schollen van de aardkorst. Dit zijn stukken van de lithosfeer (de buitenste laag van de aardbol, met een dikte van ongeveer 100 km) die worden begrensd door de oceanische riftzones of slenken en door de aardbevingsgordels. Sommige platen bevatten zowel vastelanden als stukken oceaanbodem; andere bestaan alleen uit oceaanbodem. De lithosfeerplaten kunnen in horizontale richting verschoven worden doordat de onderliggende laag in de aardmantel, de asthenosfeer, minder hard is en lang zame bewegingen toelaat. Zo worden bijv. de beide Amerika's ten opzichte van Europa en Afrika naar het westen verschoven met een snelheid van ongeveer 1 of 2 cm per jaar; de vastelanden die deel uitmaken van deze schollen, worden daarbij meegenomen als op een transportband. Men is het er nog niet over eens of de drijvende kracht van de plaatbewegingen alleen te danken is aan temperatuurverschillen in de aardmantel en daardoor aan opstijgende materiestromingen onder de middenoceanische ruggen, of ook aan het actief omlaagzakken in de aardmantel van de door afkoeling gemetamorfoseerde (en daardoor zwaardere) lithosfeer in de zgn. subductiezones (Benioffzones). Ook is het nog onzeker of de drijvende krachten te danken zijn aan een opstijgende beweging onder de totale lengte van de oceaanruggen die zich door de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan en de Grote Oceaan slingeren, of dat de krachten plaatselijk optreden. De schollentektoniek heeft het mogelijk gemaakt een aantal geofysische, geologische en biologische verschijnselen in onderlinge samenhang te verklaren. Uit: ENCARTA 98

DIVERSITEIT

Het verschijnsel biodiversiteit heeft betrekking op de enormeverscheidenheidin de natuur en werd geÔntroduceerd door de bioloog E.O. Wilson. De verscheidenheid is niet willekeurig maar het resultaat van een complexe ordening waarin overeenkomst een cruciale rol speelt. Overeenkomst en verscheidenheid vormen de twee peilers van de biodiversiteit.
Binnen de verscheidenheid kan de overeenkomst worden gedefinieerd op verschillende niveaus.

De populatie
Een populatie is een groep organismen waartussen daadwerkelijk erfelijk materiaal kan worden uitgewisseld. Een soort kan bestaan uit meerdere populaties die onderling geen of weinig contact hebben. Binnen de populatie bestaat wel veel subtiele variatie in erfelijke kenmerken. Die potentiŽle verscheidenheid is een voorwaarde voor evolutionaire ontwikkeling.

De soort
De soort is een groep organismen die onderling ruchtbare nakomelingen kunnen verwekken. Tussen de exemplaren die tot een soort worden gerekend bestaat grote overeenkomst die op grote verwantschap wijst. Soorten worden steeds aangeduid met ten minste twee namen: eerst de geslachtsnaam altijd gevolgd door de soortsnaam en soms nog gevolgd door de naam van de variatie of ondersoort. Uit de naamgeving kan de mate van verwantschap worden afgeleid [zoals die door de betreffende onderzoekers wordt verondersteld!]: men hoeft slechts te kijken naar de soortsnaam (de tweede naam) om te weten of het om gelijke of verschillende soorten gaat.
Equus caballus en Equus zebra behoren beide tot hetzelfde geslacht(Equus) maar tot verschillende soorten paard (caballus) en zebra. Paard en zebra kunnen wel worden gekruist maar de nakomelingen zijn steriel en kunnen zich niet verder voortplanten. Hetzelfde geldt voor leeuw (Tigris leo) en tijger(Tigris tigris), maar niet voor hond (Canis domesticus) en kat(Felis domesticus).

Honden kunnen zeer uiteenlopende eigenschappen vertonen, ze behoren allemaal tot dezelfde soort. Een deense dog en een pekinees kunnen nog altijd vruchtbare nakomelingen verwekken (al zal men hierbij wel een handje moeten helpen, met kunstmatige inseminatie of k.i.)

EVOLUTIETHEORIEňN

Lamarck

Lamarck, Jean-Baptiste, voluit Jean-Baptiste Pierre Antoine de Monet, chevalier de (Bazentin, PicardiŽ, 1 aug. 1744 - Parijs 18 dec. 1829), Frans bioloog, was aanvankelijk officier, maar wijdde zich later geheel aan de studie van medicijnen en natuurwetenschappen. Hij kreeg in 1788 een functie aan de Jardin du Roi en werd in 1793 hoogleraar in de leer van de ongewervelde dieren aan de Jardin des Plantes te Parijs. Lamarck was de eerste die een scherp onderscheid maakte tussen ongewervelde en gewervelde dieren. Hij werd bijzonder bekend door zijn theorie over het geleidelijk uit elkaar ontstaan van de soorten (zie evolutietheorie). Hoewel Lamarck zijn theorie baseerde op veronderstellingen die later grotendeels onjuist bleken te zijn, komt hem de eer toe als eerste het denkbeeld van een geleidelijke evolutie te hebben ontwikkeld. Uit: ENCARTA 98
Lamarck's tendence progressive de la nature is een niet-wetenschappelijke intuÔtieve aanname die door veel mensen wordt aangehangen. Belangrijk bezwaar tegen deze opvatting luidt: Hoe is het desondanks mogelijk dat er vandaag de dag nog altijd simpele (niet-complexe; primitieve) organismen bestaan? Lamarck verklaarde dat door een voortschreidende generatio spotaneate veronderstellen.
Zijn (onjuiste) idee dat tijdens het leven ontwikkelde eigenschappen kunnen worden overgedragen op de nakomelingen wordt in menig biologie leerboek belachelijk gemaakt, maar daarmee wordt deze invloedrijke denker tekort gedaan.

Darwin
Darwin, Charles Robert (Shrewsbury 12 febr. 1809 - Down 16 maart 1882), Engels natuuronderzoeker, studeerde aanvankelijk medicijnen te Edinburgh, later theologie te Cambridge.
Darwin is de stichter van de moderne evolutietheorie: de theorie dat alle soorten planten en dieren zich uit voorgaande vormen hebben ontwikkeld, dat een evolutie heeft plaatsgehad.
De evolutiegedachten van zijn grootvader Erasmus Darwin betekenden aanvankelijk niets voor hem, omdat diens ideeŽn speculatief waren. Zijn waarnemingen tijdens een reis om de wereld als jong natuuronderzoeker met het oorlogsschip "Beagle" (1831-1836) leidden echter tot een ommekeer in zijn opvattingen. Zij betroffen drie gebieden: a. de waarnemingen van de fauna van de GalŠpagoseilanden, waar hij had geconstateerd dat verschillende soorten vinken van eiland tot eiland iets van elkaar verschillen en dat iedere soort aangepast was aan haar specifieke milieufactoren; b. de waarneming in Zuid-Amerika dat sommige soorten uit een levensgemeenschap vervangen kunnen worden door andere soorten die, hoewel gelijk in levensgewoonten, daar toch morfologisch van verschillen; c. de vondsten van fossiele overblijfselen van grote, met beenplaten bedekte, op gordeldieren gelijkende vormen. Uitgaande van de werkhypothese dat soorten evolueren en uit elkaar ontstaan, begon Darwin toen al zijn waarnemingen te toetsen om zijn nieuwe theorie meer bewijskracht te geven.
In 1842 gaf Darwin vorm aan zijn gedachten in een korte schets, welke hij in 1844 uitbreidde tot een essay. Deze werden echter geen van beide gepubliceerd. Ten slotte overreedden Charles Lyell en Hooker hem zijn werk te publiceren. Ondertussen was Alfred Russel Wallace (1823-1913) begonnen hetzelfde vraagstuk te onderzoeken. Begin 1858 werkte Wallace op de Molukken en schreef van daar zijn theorie aan Darwin. Uit zijn conclusie bleek dat hij, onafhankelijk van Darwin, tot dezelfde oplossing was gekomen. Hun gezamenlijke verklaring werd op 1 juli 1858 voor de "Linnean Society of London" voorgelezen en op 1 augustus van dat jaar gepubliceerd. Darwin schreef vervolgens zijn bewijsmateriaal neer in zijn boek "On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life", dat op 24 nov. 1859 verscheen.
De theorie is in wezen gebaseerd op vier uitgangspunten, die later bleken juist te zijn: 1. alle individuen binnen ťťn soort vertonen toevallige variaties in alle kenmerken en eigenschappen; 2. alle organismen produceren veel meer voortplantingscellen dan er ooit volwassen nakomelingen zullen ontstaan; 3. het aantal individuen binnen een soort blijft min of meer constant "(the average numbers of a species)"; 4. derhalve moet er in de strijd om het bestaan "(struggle for existence, struggle for life)" een hoge sterfte optreden.
Hieruit trok Darwin drie conclusies: 1. sommige variaties zullen in de strijd om het bestaan een grotere overlevingskans hebben dan andere "(survival of the fittest)", en de ouders van de volgende generatie zullen op natuurlijke wijze geselecteerd worden uit die individuen welke het meest doeltreffend zijn aangepast aan hun milieu "(natural selection)"; 2. de erfelijkheid draagt er zorg voor dat de nakomelingen op hun ouders lijken; 3. daardoor zal de verkregen verbeterde aanpassing behouden blijven.
Aanvankelijk durfde Darwin de consequenties van zijn theorie wat betreft de afstamming van de mens niet te publiceren. Dit gebeurde pas in 1871, toen "The descent of man" verscheen. Dit boek leverde hem nog meer vijanden op dan hij al had sinds zijn publicatie On the origin of species" in 1859.
Uit: ENCARTA '98

Van grote invloed op het tot stand komen van Darwin's evolutietheorie waren de boeken van Lyell Principles of geology en Malthus' Essay on the principles of population Malthus verdedigt daarin de later 'Wet van Malthus' genoemde stelling dat de mensen arm zijn en blijven doordat de bevolking de neiging heeft iedere 25 jaar te verdubbelen (volgens een meetkundige reeks), terwijl de bestaansmiddelen volgens een rekenkundige reeks toenemen. Door seksuele onthouding, oorlogen, hongersnood en rampen wordt de bevolking voortdurend teruggebracht tot het niveau dat door de bestaansmiddelen mogelijk wordt gemaakt, maar het levenspeil van de grote massa komt op deze wijze nooit boven het minimum uit. Deze zeer pessimistische visie op de economische vooruitgang heeft in de 19de eeuw veel invloed gehad maar bleek later ongegrond.
Centraal in de evolutietheorie van Darwin staat de natuurlijke selectie dat door anderen (niet door Darwin) is verwoord als 'survival of the fittest'. Dat hebben sommigen aangegrepen als een wetenschappelijke onderbouwing en daarmee legitimering van hun raciale ideeŽn



SOCIAAL DARWINISME

In de 19e eeuw bestond er een behoefte om mensentypen en rassen te onderscheiden die op verschillede manieren vorm werd gegeven. Wetenschappers uit verschillende disciplines hielden zich hiermee bezig. In de 20e eeuw beriepen zij zich vaak op het darwinistisch beginsel (recht van de sterkste).BR>
Spencer
Spencer, Herbert (Derby 27 april 1820 - Brighton 8 dec. 1903), Brits wijsgeer en socioloog, was enige tijd werkzaam bij de spoorwegen en wijdde zich daarna aan de journalistiek en publicistische arbeid. In zijn eerste boek, "Social statics" (1850), verdedigde hij een evolutieleer die enige gelijkenis vertoont met de later door Darwin gepubliceerde evolutietheorie. In 1857 ontwierp Spencer het plan voor een serie boeken waarin het begrip evolutie langs inductieve weg op alle wetenschappen zou worden toegepast. In het kader van dit project deed hij onder het algemene hoofd "A system of synthetic philosophy" werken verschijnen over biologie, psychologie, sociologie en ethiek, voorafgegaan door de "First principles "(1862). In het middelpunt van al deze uitgebreide studies staat de wet van de evolutie, die Spencer formuleert als een integratie van materie en daarmee samengaande spreiding van beweging, gedurende welke materie overgaat van een onbepaalde onsamenhangende homogeniteit tot een bepaalde samenhangende heterogeniteit.
In het laatste kwart van de 19de eeuw was Spencer een van de invloedrijkste denkers ter wereld. Zijn filosofische ideeŽn raakten echter door de tijd achterhaald. Van blijvender betekenis is zijn invloed op de sociale wetenschappen geweest. Hij geldt als de belangrijkste vertegenwoordiger van het evolutionisme in deze wetenschappen (het sociaal darwinisme). Hij voerde de begrippen structuur en functie in, die ruime toepassing hebben gevonden in de moderne sociologie. Durkheim en anderen werkten zijn thema van de sociale evolutie - de voortschrijdende differentiatie in de samenleving doet de onderlinge afhankelijkheid van de mensen toenemen, hetgeen eenheid en saamhorigheid tot stand brengt - verder uit.. Uit: ENCARTA '98


Lombroso
Lombroso, Cesare (Verona 6 nov. 1835 - Turijn 9 okt. 1909), Italiaans psychiater en criminoloog, hoogleraar in de psychiatrie te Pavia (1867) en Turijn (1876), kreeg grote bekendheid door een studie over de criminele mens, waarin hij de idee van het criminele type en de idee van de geboren misdadiger ontwikkelde (Lombrosotype).
In zijn theorie behoort een crimineel tot een mensensoort die duidelijk onderscheiden kan worden van niet-criminelen. Misdadigers vertonen tal van afwijkingen, zowel uiterlijk (achteroverhellend voorhoofd, vooruitstaande jukbeenderen, asymmetrische gelaatsuitdrukking e.a.) als psychologisch (zwakke zintuiglijke gevoeligheid, lage gevoelsdrempel voor pijn, wispelturigheid e.a.). Ter verklaring van zijn criminele type voerde Lombroso verschillende theorieŽn aan, die elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen; zoals de theorie dat de misdadiger een terugkeer is van de mens naar zijn oorspronkelijke staat (atavisme) en de theorie die ervan uitgaat dat de lichamelijke en psychische ontwikkeling van de misdadiger in een vroegtijdig stadium tot stilstand is gekomen. Daarnaast gebruikte hij nog psychiatrische verklaringen.
Hoewel zijn opvattingen niet houdbaar gebleken zijn, heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd tot de ontwikkeling van de criminologie, omdat hij de noodzaak van systematisch onderzoek bepleitte. Sommige van zijn gezichtspunten zijn later in psychologische en psychiatrische richtingen in de criminologie uitgewerkt. Uit: ENCARTA '98


Lysenko
Lysenko, Trofim Denisovitsj (Karlovka [Poltava Oblast], Oekraine, 30 sept. 1898 - Moskou 20 nov. 1976), Russisch landbouwkundige en bioloog, op beide terreinen autodidact, trok in 1921 de aandacht met onderzoekingen over o.a. vernalisatie. Lysenko's vooral op de resultaten van de plantenveredelaar Ivan Vladimirovitsj Mitsjoerin (1855-1935) gebaseerde theorieŽn hielden in, dat de erfelijke aanleg van een organisme door het milieu veranderd kan worden. Zij bezorgden hem bij tijden grote politieke invloed (hetgeen voor vele Russische critici van zijn theorieŽn levensgevaarlijk bleek te zijn), afgewisseld door perioden waarin hij in ongenade was. Zijn theorieŽn sloten aan bij de marxistische ideologie (onder invloed van Lysenko werd de theorie van de twee [biologische] wetenschappen uitgewerkt: er zouden een - goede - 'proletarische' wetenschap en een - slechte - 'burgerlijke' wetenschap bestaan), maar anderzijds belemmerde de toepassing ervan de rationele selectie in landbouw en veeteelt en de beoefening van de erfelijkheidsleer, die daar de wetenschappelijke grondslag voor moet leveren, ernstig.
Na de dood van Stalin nam de invloed van Lysenko, sedert 1938 voorzitter van de Lenin Academie voor Landbouwwetenschappen, snel af. In 1956 werd hij van deze functie ontheven. Op 27 jan. 1965 werd hij ontslagen als hoofd van het Instituut voor Genetica te Moskou. Uit: ENCARTA '98


Biologisme
biologisme of biomorfisme, wijsgerige opvatting die de mens in zijn totaliteit, ook als geestelijk, sociaal en historisch bepaald wezen, zuiver biologisch tracht te verklaren met uitsluiting van ieder geestelijk principe en waarbij factoren van erfelijkheid en milieu een centrale plaats innemen. Uit: ENCARTA'98

Nationaal-socialisme
Het nationaal-socialisme is geen uit ťťn centrale doctrine ontwikkelde ideologie, maar veeleer een combinatie van verschillende, deels conservatieve, deels radicale strevingen, waarvan de betekenis in haar onderlinge verhouding steeds aan wisseling onderhevig is geweest. Vereniging van nationalisme en socialisme was het doel en nationalisme stond daarbij voorop. Het nationaal-socialisme was in zoverre socialistisch, dat het een overwegende staatsinvloed op het gehele economische en maatschappelijke leven vestigde. Privť-bezit van de productiemiddelen bleef gehandhaafd, maar de ondernemers werden van staatswege gebonden in het richten van hun productie en in de besteding van de winsten - dit alles niet meer dan nodig werd geacht in het belang van de economische oorlogsvoorbereiding. Bestrijding van het communisme en het internationaal georiŽnteerde socialisme ging hand in hand met bestrijding van het liberalisme en de parlementaire democratie. In wezen was het nationaal-socialisme dan ook een bundeling van anti-ideologieŽn, een protest tegen de burgerlijke samenleving en tegen oudere niet-nationalistische revolutionaire bewegingen. Het agressieve anti-karakter van het nationaal-socialisme appelleerde zowel aan door de Eerste Wereldoorlog ontwortelde soldaten als aan kleine middenstanders en anderen die zich in de naoorlogse chaos sociaal, economisch of cultureel bedreigd voelden. Wat deze sociaal heterogene groepen verbond was de gemeenschappelijke frustratie over de verloren Eerste Wereldoorlog en het opgelegde Vredesverdrag van Versailles, waaruit een voor talrijke Duitsers onaanvaardbare Republiek van Weimar was voortgekomen. Een extreem nationalistische machtspolitiek, zoals gepropageerd werd door de nationaal-socialisten of nazi's, leek hen een oplossing te bieden.
Het nationalisme van de nazi's bouwde voort op romantisch-nationalistische stromingen uit de 19de eeuw en de biologische rassentheorieŽn van H.S. Chamberlain en De Gobineau. Het volk werd gezien als een op banden des bloeds gebaseerde mythische eenheid, onverbrekelijk verbonden met het land: Blut und Boden. In het aangebrachte onderscheid tussen hogere en lagere rassen werd het Arische ras als het enige cultuurscheppende beschouwd. De historische zending van Duitsland was het dit ras tot overheersing te brengen. In Der Mythus des 20. Jahrhunderts trachtte Alfred Rosenberg deze ideeŽn tot een filosofisch stelsel te ontwikkelen. Gebaseerd op een versimpelde uitleg van Darwins Survival of the fittest predikte het nationaal-socialisme een rassenstrijd tussen ‹bermenschen en Untermenschen, tussen AriŽrs en niet-AriŽrs, waarvan het 'joodse ras' de laagste vertegenwoordiger was. Een fel antisemitisme werd vanaf het begin aangehangen en zou een voorbode blijken van de tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgevoerde fysieke uitroeiing van ca. 6 miljoen joden. De invloed van het antisemitisme op het buitenlandse beleid van de nazi's na hun machtsovername in 1933 was evenwel vrij gering, zij het dat buitenlandse vijanden zeer vaak 'joods' of 'verjoodst' werden genoemd. De buitenlandse politiek van de nazi's richtte zich aanvankelijk op de vereniging van alle Duitsers in ťťn rijk. Later streefde men in bondgenootschap met het 'Latijnse' ItaliŽ en het 'Mongoolse' Japan naar de verdeling van de wereld in levensruimten en de onderwerping van tot vazalstaten bestemde gebieden.
Een ander centraal punt in het nationaal-socialisme was het leidersprincipe, wat duidelijk tot uitdrukking kwam in de term Der FŁhrer, waarmee het eenhoofdig leiderschap werd geaccentueerd. Voorts werden lagere besturen niet gekozen, maar van bovenaf benoemd. Het nationaal-socialisme nam als symbool het hakenkruis. De partijvlag was een rood veld met, in een witte cirkel, een zwart hakenkruis. Uit: ENCARTA '98



Meer info:



WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIE: EEN ESTAFETTE

Het product van wetenschappelijk onderzoek is de publicatie van dat onderzoek in een wetenschappelijk tijdschrift. Iedereen die belangstelt in dat onderzoek kan zo kennis nemen van de stand van zaken. In de meeste publicatie wordt precies uiteengezet hoe men te werk is gegaan, welke resultaten er geboekt zijn en welke conclusies daaruit kunnen worden getrokken. Zo wordt het 'stokje' doorgegeven aan een volgende onderzoeksgroep.
Hieronder wordt dat proces gesimuleerd aan de hand van een paleontologisch onderzoek naar de evolutie van het paard.


EVOLUTIE VAN HET PAARD
Onderzoeksgroep 1: Beantwoorden van vragen als uitgangspunten onderzoek

Wat is een paleontoloog?
Een Paleontoloog is iemand die fossiele resten van levende wezens bestudeert. Paleontologen reconstrueren de geschiedenis van het leven.
Wat is een fossiel?
Fossielen zijn versteende restanten van levende wezens / overblijfselen van lang geleden gestorven organismen.
Waardoor blijven botten en kiezen beter bewaard dan huid en haren?
Botten en kiezen bestaan grotendeels uit kalkzouten. Haren en huid bestaan uit eiwitmoleculen (keratine). Eiwitten vergaan / worden afgebroken; kalkzouten niet.
Wat heeft de lengte van de rij kiezen te maken met het soort voedsel?
Hoe taaier het voedsel of hoe steviger de celwanden, des te meer moet het voedsel in de bek worden vermaald. Dus des te langer/groter moet het kauwoppervlak zijn. Grassen hebben taaiere celwanden dan boombladeren of bladeren van kruiden. Aan de lengte van de rij kiezen (in verhouding tot de lichaamsgrootte) kun je bij planteneters iets afleiden omtrent het soort voedsel.
Beschrijf vier kiesvormen met bijbehorend voedsel.
Knobbelkiezen: vruchten. Spitse in elkaar grijpende kiezen: insecten of vissen. Knipkiezen: vlees. Plooikiezen: grassen.
Waardoor loop je op ťťn teen sneller dan op de hele voet?
Op ťťn teen loop je sneller dan op de hele voet door de verlenging van het been en doordat er minder wrijving is met het grondoppervlak.
Waardoor loop je met relatieve lange benen sneller dan met kortere benen?
Met lange benen loop je sneller dan met korte omdat de pas bij eenzelfde spierbeweging bovenaan het been groter wordt.

DEZE INFORMATIE VORMT DE BASIS VOOR ONDERZOEKSGROEP 2

Onderzoeksgroep 2: Voorbereiden gegevens over fossielen
Onderzoeksgroep 1 heeft de uitgangspunten duidelijk gemaakt. Nu wordt er een assenstelsel gemaakt met horizontaal de tijd (3 mm = 1 miljoen jaar) en verticaal de tandenrijlengte in cm. Gebruik onderstaand overzicht voor de geologische tijdperken bij de horizontale as.
Eoceen 55 miljoen jaar geleden
Oligoceen 38 miljoen jaar geleden
Mioceen 26 miljoen jaar geleden
Plioceen 7 miljoen jaar geleden
Pleistoceen 2 500 000 jaar geleden
Holoceen 10 000 jaar geleden
Verschillende tijdperken kunnen worden verdeeld in onder-, midden- en boven-periode.
Paardachtigen hebben zich ontwikkeld op de drie noordelijke continenten, maar deze werelddelen hebben niet altijd op dezelfde manier verdeeld gelegen.
Hieronder worden die verdelingen beschreven in willekeurige volgorde:
* In het onder-miceen was EuraziŽ (Europa en AziŽ vormden een geheel) verbonden met Amerika via een landengte (de huidige Beringstraat). De Atlantische oceaan scheidt Amerika van het westen van EuraziŽ.
* In het boven-eoceen en onder-oligoceen was Europa vrijwel gescheiden van AziŽ. De Beringstraat was gesloten. De Atlantische oceaan scheidde Amerika van Europa.
* In het onder-eoceen was Europa geheel gescheiden van AziŽ door de Turgaistraat. AziŽ en Amerika waren verbonden via de Bering-landengte en Amerika was verbonden met Europa via Groenland.
* In 1492 n.Chr. was Amerika gescheiden van EuraziŽ door de Beringstraat in het westen en de Atlantische oceaan in het oosten.
* In het pleistoceen was de situatie hetzelfde als in het onder-mioceen.
* In het boven-mioceen was de situatie hetzelfde als in het onder-mioceen.

Beantwoorden van vragen:
Wat zijn geologische tijdperken?
Geologische tijdperken zijn eenheden met bepaalde kenmerkende overeenkomsten in fossielsamenstelling in de tijdsrekening van de aardkorst
Waarom heet het oudste deel van een tijdperk 'onder' en het jongste 'boven'?
De jongste gesteenten liggen normaal "boven", de oudere "onder"
In welk tijdperk leven wij en het moderne paard?
Wij en het moderne paard leven in het Holoceen
Hoelang duren de genoemde tijdperken en hoeveel mm is dat op de horizontale as?
Holoceen duurt 10.000 jaar; 0.03 mm
Pleistoceen duurt 2.490 000 jaar; 7.5 mm
Plioceen duurt 4.500 000 jaar; 13,5 mm
Mioceen duurt 19 000 000 jaar; 57 mm
Oligoceen duurt 12 000 000 jaar; 36 mm
Eoceen duurt 17 000 000 jaar; 51 mm
Welke zee scheidt wanneer AziŽ van Europa?
Van Onder Eoceen tot Onder Oligoceen wordt Europa van AziŽ gescheiden door de Turgaistraat.
Wanneer en op welke twee manieren kunnen zoogdieren tussen Europa en Amerika migreren?
Zoogdieren kunnen tussen Europa en Amerika migreren volgens de tabel:
Tijdperk Via
Holoceen (tot 1492 n. hr.) Niet
Pleistoceen Beringlandengte
Mioceen Beringlandengte
Boven Oligoceen Beringlandengte
Onder Oligoceen Niet
Boven Eoceen Niet
Onder Eoceen "Groenland"

Hoe ziet het assenstelsel er uit (verdeling van tijdperken op de horizontale as)?
DEZE INFORMATIE VORMT DE BASIS VOOR ONDERZOEKSGROEP 3

Onderzoeksgroep 3: Verband lengte kiezenrij en ouderdom
In de tabel staan gegevens over de fossielen die in het assenstelsel kunnen worden opgenomen. Bij ieder punt wordt het nummer van het paardenfossiel vermeld. Voor Amerika en Europa worden verschillende kleuren gebruikt. Komen de fossielen in beide werelddelen voor dan krijgen ze een derde kleur.
Nr naam Tijdperk kiezenrij Tenen continent 1 Equus Holoceen 20 cm 1 Eur / Am
2 Equus Pleistoceen 18 cm 1 Eur / Am
3 Equus Holoceen 19 cm 1 Eur
4 Equus Boven plioceen 19 cm 1 Am
5 Neohipparion Midden plioceen 13 cm 3 Am
6 Nannippus Onder pleistoceen 11 cm 3 Am
7 Nannippus Midden plioceen 11 cm 3 Am
8 Pliohippus Midden plioceen 16 cm 1 Am
9 Pliohippus Onder plioceen 16 cm 1 Am
10 Megahippus Boven mioceen 22 cm 3 Am
11 Hipparion Midden plioceen 12 cm 3 Eur
12 Hipparion Boven mioceen 12 cm 3 Eur / Am
13 Calippus Boven mioceen 9 cm 3 Am
14 Hypohippus Midden mioceen 14 cm 3 Am
15 Merychippus Boven mioceen 13 cm 3 Am
16 Merychippus Midden mioceen 10 cm 3 Am
17 Archeohippus Midden mioceen 7 cm 3 Am
18 Anchitherium Midden mioceen 12 cm 3 Am
19 Anchiterium Onder mioceen 11 cm 3 Am / Eur
20 Parahippus Onder mioceen 10 cm 3 Am
21 Miohippus Onder mioceen 8 cm 3 Am
22 Miohippus Boven oligoceen 8 cm 3 Am
23 Mesohippus Midden oligoceen 7 cm 3 Am
24 Mesohippus Onder oligoceen 7 cm 3 Am
25 Ephippus Boven eoceen 5 cm 3 Am
26 Orohippus Midden eoceen 4 cm 3 Am>BR> 27 Hyracotherium Onder eoceen 4 cm 3 / 4 Eur ./ Am

Beantwoorden van vragen:
Wat is de reden om de lengte van kiezenrij als maat te nemen voor de evolutie van het paard?
De lengte van de kiezenrij zegt iets over het kauwoppervlak en voedsel van de paarden.
Wat betekent boven eoceen?
Boven Eoceen betekent het laatste deel van het Eoceen
Bekijk de figuren van de fossiele paarden:
Wat zegt het aantal tenen over het woongebied (habitat) van de paarden (bos of steppe)?

In bosgebied met veel strooisel op bodem is een brede spreidbare voet meer aangepast. Op steppegrond met weinig strooisel kan met klein voetoppervlak grotere snelheid worden bereikt.
Bekijk de afbeelding met de kiezen van Hyracotherium (a) en van een paard (b):
Wat kun je dan zeggen over het voedsel dat ze eten?

Hyracotherium heeft knobbelkiezen: eet vruchten, sappige takken, knollen, enz. Het moderne paard heeft meer afgeplatte, plooikiezen; die zijn beter geschikt voor het vermalen van grassen.
Hoe ziet het assenstelsel er uit nadat de gegevens van de fossielen zijn ingevoerd?
DEZE INFORMATIE VORMT DE BASIS VOOR ONDERZOEKSGROEP

Onderzoeksgroep 4: analyse van de grafiek
Met de grafiek kan een stamboom worden gereconstrueerd. Tussen de verschillende fossielen, voorgesteld door hun gebitslengten, kunnen afstammingslijnen worden getrokken. Sommige lijnen kunnen wel, andere niet.

Beantwoorden van vragen
Wat betekent het als je uit ťťn punt twee lijnen naar rechts laat lopen?
Dat betekent dat twee verschillende vormen uit ťťn vooroudertype zijn ontstaan. Dat is mogelijk.
Wat betekent het als twee lijnen van links naar ťťn punt toe lopen?
Dat betekent dat een vorm uit twee verschillende vormen is ontstaan. Zou als gevolg van kruising kunnen voorkomen maar is praktisch gesproken uitgesloten.
Wat betekent het als een lijn schuin omlaag naar rechts loopt?
Dat betekent dat de gebitslengte in de loop der tijd korter wordt. Dat is mogelijk want veranderingen zijn toevallig en het kan voordelig zijn geweest.
Wat betekent het als een lijn schuin omhoog naar rechts loopt?
Dat betekent dat de gebitslengte in de loop der tijd langer wordt. Dat is mogelijk want veranderingen zijn toevallig en het kan voordelig zijn geweest.
Wat betekent het als je een lijn verticaal trekt?
Dat betekent een aanzienlijke sprongsgewijze verandering. Dit is onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten.
Wanneer kun je als paard migreren tussen Europa en Amerika?
Dat kon in het O en M Eoceen, Mioceen, Plioceen en Pleistoceen.
Je zou op verschillende manieren een ontwikkeling kunnen reconstrueren. De paleontoloog van de paarden stelt de volgende keuze voor:
(zie grafieken in werkboek)
In grafiek a staan alleen punten zonder dat ze via lijnen zijn verbondenI.
Grafiek b zijn verschillende ontwikkelingslijnen met een gemeenschappelijke voorouder.
Grafiek c toont sprongsgewijze ontwikkeling.
In grafiek d zijn alle fossielen tussenstadia van ťťn en dezelfde ontwikkeling.
Welke keuze zou jij maken?
Waarschijnlijk kies je voor een combinatie van b en d. Maak een beginnetje:

Hierin zijn lang niet alle lijnen getekend. De volgende grafiek is wat aangepast om duidelijker beeld te geven. Hier is uiteindelijk een keuze gemaakt voor alle verbindingslijnen (waarbij overigens ook gebruik gemaakt is van andere gegevens die jullie niet ter beschikking staan).

DEZE INFORMATIE VORMT DE BASIS VOOR ONDERZOEKSGROEP 5

Onderzoeksgroep 5: synthese van de grafiek tot een gebruikelijke stamboom

Verdere vormgeving van de grafiek levert een 'normale' stamboom op. Eigenlijk moet de grafiek een kwartslag worden gedraaid.

Beantwoorden van vragen
Waar vond de evolutie van paarden in hoofdzaak plaats?
Voornamelijk in Amerika.
In welk tijdvak stierven de paarden in Amerika uit? Wie brachten de paarden terug naar hun oude werelddeel?
In het Pleistoceen; de Spanjaarden brachten na 1492 de paarden weer naar Amerika, waar later vele exemplaren verwilderden.
Bekijk de afbeeldingen van verschillende uitgestorven paardachtigen:
Als je het skelet en de voorpoot van het eerste paardachtige dier bekijkt, zou jij het dan een paard noemen? Kies je voor de naam Eohippus of Hyracotherium? Wat betekent -therium en wat betekent -hippus?

Nee, de poot ziet er niet erg paardachtig uit; ik noem het Hyracothrium. Maar in het skelet kan ik wel een paard herkennen; ik noem het Eohippus. -therium komt van ???????(wild dier) en -hippus komt van ??????(paard). Hyracotherium is dus een wat algemenere naam dan Eohippus en ook de oudste naam, gegeven door Owen in 1856, die, bij gebrek aan recente fossielen, destijds geen idee had dat het om een paardachtige ging.
Welke dieren hebben, net als Hyracotherium, nog steeds viertenige voorpoten en drietenige achterpoten?
Dat zijn tapirs (verwant aan paarden)
Bereken met behulp van afbeelding 1.12 en 1.9 de schofthoogte van Hyracotherium.
Deze bedraagt ca. 84 cm. [voorhand afbeelding 8 cm; werkelijke lengte 24 cm; verhouding schoft : voorhand = 3,5 : 1; schofthoogte is 3,5 x 24 = 84 cm]
Bereken de evolutiesnelheid van de toename van de gebitslengte (in mm per eeuw). Is de evolutie een waarneembaar feit?
De gebitslengte Van Hyracotherium (ca. 4 cm) tot Equus (ca. 18 cm) is 140 mm toegenomen in ca 50 miljoen jaar. Dat is 0,00028 mm per eeuw. Dat is voor ons niet waarneembaar.
Evolutie is voor ons alleen waarneembaar op basis van fossielen uit verschillende tijdperken.