|
4. NATUURWETENSCHAPPELIJKE MODELLEN |
INDEX
HOME PAGE |
4.4 ATOOMMODELLEN
In
tegenstelling tot modellen van het zonnestelsel, die vooral het resultaat waren
van steeds nauwkeuriger waarnemingen, zijn modellen van de materie vooral het
resultaat van redenatie. In de Griekse oudheid ontstonden twee opvattingen over
de materie die hun invloed tot in onze tijd hebben behouden. Empedocles
introduceerde de vier elementen, water, vuur, aarde en lucht, waaruit alles zou
zijn opgebouwd. Democritus vertegenwoordigde het atomisme, de corpusculaire
opvatting dat de materie uit oneindig veel verschillende ondeelbare deeltjes is
opgebouwd. De eerste opvatting heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van
de stoffenleer (alchemie, moderne scheikunde) en op de ontwikkeling van de
geneeskunde. De corpus- culaire opvatting heeft uiteindelijk het pleit gewonnen
(kernfysica).
Alchemische visie
De vier elementen
vertegenwoordigen fundamentele eigenschappen van de wereld om ons heen én van de
wereld binnen in ons. Eigenschappen van de buitenwereld zijn ondermeer
vochtigheid, temperatuur en jaargetijde en eigenschappen van de binnenwereld
zijn ondermeer de lichaamssap (humor) en stemming (humeur).
Water hangt samen
met vochtig en koud, met de winter, en lichamelijk met slijm en met een
flegmatisch humeur (nuchter, onverstoorbaar, traag, zwaar op de hand,
nauwkeurig). Vuur hangt samen met droog en warm, met de zomer, en lichamelijk
met gal en met een cholerisch humeur (scherp, snel, opvliegend, driftig, bitter,
bemoeiziek).
Aarde hangt samen met droog en koud, met de herfst en
lichamelijk met zwarte gal en met een melancholisch humeur (zwartgallig,
droefgeestig, zwaarmoedig, onrustig, zich afzonderend, wiskundig
begaafd).
Lucht hangt samen met vochtig en warm, met de lente en lichamelijk
met bloed en met een sanguinisch humeur (uitbundig, zorgeloos, licht
ontvlambaar, speels, onverstandig).
De alchemische visie heeft grote invloed
gehad op de ontwikkeling van de geneeskunde. De grondlegger van de moderne
geneeskunde Hippocrates (460-377 v.Chr) ontwikkelde de humorenleer die er
van uitgaat dat een goede gezondheid wordt bepaald door een juiste balans tussen
de vier lichaamssappen.
De alchemie werd al in de oudheid (in Egypte,
Griekenland en andere landen) beoefend. In China ontstond in de 3de eeuw v.C.
een (verwante) vorm van alchemie en later ook in India. De oosterse filosofische
stelsels beïnvloedden de alchemisten in het Westen. Met name de theorie dat
elementen in elkaar konden worden omgezet leidde tot een zoeken naar desteen
der wijzen, die het mogelijk moest maken onedele metalen in goud om te
zetten. Daarnaast zocht men naar het levenselixir, dat onsterfelijk moest
maken, of anders in ieder geval het leven moest verlengen. De filosofische,
religieuze en mystieke elementen die de alchemie bevatte, waren er de oorzaak
van dat alchemistische boeken in de christelijke wereld (trouwens ook in China)
herhaaldelijk verboden werden. Echter, ondanks de vele dwaalwegen, leidde de
alchemie uiteindelijk toch tot de moderne scheikunde van Lavoisier en zijn
tijdgenoten (uit: Encarta)
Voor meer info over alchemie, zie:
http://project.kahosl.be/chemie/Historisch/alchemie.htm
Historie van
Alchemie
"Zo boven, zo beneden"
In onze huidige tijd van voortschrijdende
medische inzichten, vooral gebaseerd op verbeterde technieken en grotere kennis
heeft de alchemie niets in waarde ingeboet. De inzichten van de alchemisten
kennen een geschiedenis die ver voor onze moderne jaartelling zijn begonnen en
zijn in wezen gebaseerd op een ontologie (= levensfilosofie). Het is deze
ontologie die de inhoud van de alchemie heeft bepaald en ook tegelijkertijd weer
in vergetelheid heeft gebracht. Dit filosofische uitgangspunt is gebaseerd op de
drie-eenheid: -de geest, het niet-bewustzijn ook wel het vrouwelijke principe
genoemd -de ziel, het bewustzijn ook wel het mannelijke principe genoemd -het
lichaam, de drager van de beide andere principes, ook wel het zout of het vaste
principe genoemd. Dit is de goddelijke, kosmische of natuurlijke kwaliteit van
het bestaan. Deze drie filosofische principes laten zich herkennen door onze
zintuigen in vier verschillende manifestaties: in vaste vorm, als vloeistof, in
gasvorm of etherisch. Deze vier manifestaties zijn de vier elementen aarde,
water, lucht en vuur en bezitten de eigenschappen van kou, vochtig, droog en
heet. In de vier elementen bevindt zich de "Quintia Essentia" wat de innerlijke
verbinding geeft. Vervolgens ontstaan in de werkelijkheid van het bestaan in
tijd en door uiterlijke omstandigheden veranderingen van samenstelling van de
stof. De cyclus van leven, die een opbouwende en afdalend fase kent, zal
letterlijk in de stof weer schijnen. Het bezield levende lichaam, wat leven is,
verlaat het lichaam, het ontzielde lichaam achterlatend, zodat het dode lichaam
overblijft om in de natuur over te gaan tot het zout der aarde, wat de
voedingsbodem is voor nieuw leven. Een eindeloos proces van herhaling. Met deze
kennis gewapend doet de alchemist zijn werk; hij kan op laboratoriumniveau de
werkelijkheid nabootsen omdat hij de wetmatigheden kent, die aan het natuurlijke
proces ten grondslag liggen. Zo werkt hij volgens het principe "zo boven, zo
beneden" en brengt hij de goddelijke kwaliteit van het bestaan in de dagelijkse
praktijk van zijn laboratorium. In dit proces van herhaald streven, door de
principes van boven hier in praktijk te brengen, probeert hij de transmutatie in
zijn laboratorium tot stand te brengen en probeert hij de werkelijkheid te
vervolmaken. De alchemist doet dit met het bewustzijn dat het werken met de drie
filosofische principes van leven, in de uitingsvorm van de vier elementen, ook
zijn leven zal transmuteren naar het geestelijke goud wat voor hem innerlijke
rust en vrede betekent. Als hij stoffelijke goud maakt, is het voor hem een test
of hij op de goede weg is. In al zijn werk is hij een dienaar van de natuur
omdat hij werkt met de vervolmaking van de natuurlijke of kosmische principes.
Hij bewerkt de "Prima Materia" tot de "Steen der Wijzen" en heeft dan een
panacee, die iedere disharmonie teniet doet. Het maken van een tinctuur, essence
of steen, die disharmonie en ziekte kan laten verdwijnen, is met deze filosofie
en de daarbij behorende spagyrische methode voor hem een vanzelf sprekende
werkwijze. In feite is hij een moderne wetenschapper, die gebonden aan de wetten
van het bestaan met de axioma's van zijn uitgangspunten, zijn wetenschappelijk
werk doet.
Opdracht:
Bestudeer hoofdstuk 3.3 Materialen
en stoffen uit je leerboek (blz.58).
Opdracht:
In de
Oudheid en in de Middeleeuwen kende men maar 7 metalen, namelijk zilver,
kwikzilver, koper, goud, ijzer, tin en lood. De 7 metalen kwamen mooi overeen
met de 7 voornaamste hemellichamen en de 7 dagen van de week. Soms is dat nog in
de naam (in diverse talen) te herkennen evenals diverse goden:
goud-zon-sol-zondag.
Maak zo'n rijtje voor elk van de metalen. Raadpleeg
eventueel een esotherische site. Waarom zou men in het verleden zulke verbanden
hebben gelegd?
Corpusculaire visie
De corpusculaire visie
begon met de introductie van het atoommodel van Leukippos (460-370
v.Chr.). In dat model werden atomen opgevat als onzichtbare, ondeelbare, en
onvernietigbare deeltjes die een grote variatie vormen vertonen.
Zelfs
tijdens de renaissance had Isaac Newton (1642-1727) nog het idee dat atomen
nietige, massieve, harde, ondeelbare deeltjes zijn.
In diezelfde tijd had een
der laatste alchemisten, Robert Boyle (1627-1691) vastgesteld dat sommige
stoffen puur zijn (elementen) en andere samengesteld (verbindingen). Die
verbindingen zouden zijn samengesteld uit de elementen.
Aan het begin van de
19e eeuw werd op basis van deze kennis een nieuw atoommodel geïntroduceerd
door John Dalton(1766-1844). Hij bedacht dat elementen uit gelijke atomen
moesten zijn opgebouwd en verbindingen uit verschillende atomen in een bepaalde
verhouding. De kleinste deeltjes waaruit die verbindingen bestaan noemde hij
moleculen. Dalton introduceerde ook het begrip atoomgewicht met waterstof als
referentie.
Het atoomgewicht van een element geeft aan hoeveel zwaarder dit
element is dan waterstof. Aan dit idee heeftAmadeo Avogadro (1776-1856)
een belangrijke bijdrage geleverd. Hij stelde dat als gelijke volumes van een
gas evenveel deeltjes bevatten (een gunstige gok) uit verschillen in gewicht
tussen (gasvormige) elementen de samenstelling van een verbinding kan worden
afgeleid.
J.B.A. Dumas (1800-1884) legt vervolgens een verband tussen
het atoomgewicht en de eigenschappen van elementen.
D.I. Mendelejev
(1834-1907) rangschikt de elementen naar hun atoomgewicht in het periodiek
systeem.
Door deze ontwikkeling had men gaandeweg het concept van een atoom
als een hard en ondeelbaar bolletje verlaten en vervangen door een model waarbij
het atoom een dimensieloze verzameling van eigenschappen is geworden.
De
Nederlander J.H. van 't Hoff (1852-1911) stelde in de tweede helft van de
19e eeuw voor om weer terug te keren naar een ruimtelijk concept van atomen en
moleculen. In diezelfde periode experimenteerde William Crookes met
elektriciteit en hij ontwikkelde de Crookesbuis waarmee hij kathodestralen kon
opwekken. Daarmee kon hij aantonen dat uit elementen negatief geladen deeltjes
(elektronen) kunnen vrijkomen.
Op basis van deze ontwikkelingen stelde
J.J. Thomson(1852-1940) een nieuw atoommodel op: een atoom bestaat uit
elektronen en een positief geladen centrum. Het atoom werd ongeveer zo
voorgesteld als een krentenbol met elektronen als krenten in het positieve deeg.
Charles Barkla stelde in 1906 vast dat het aantal electronen in een atoom
van een element gelijk is aan het rangnummer dat het element heeft in het
periodiek systeem.
Het echtpaar Curie experimenteerde rond de eeuwwisseling
met zware elementen en radioactieve straling. Marie Curie(1867-1934)
ontdekte na het overlijden van haar echtgenoot dat sommige elementen positief
geladen deeltjes (alfa-deeltjes) uitzenden.
Van dit gegeven maakte Ernest
Rutherford (1871-1937) en zijn medewerkers gebruik om een heel dun vel
goud-folie te bestralen met alfa-deeltjes. Met behulp van een detector aan de
andere kant van het folie werd geregistreerd dat vrijwel alle alfa-deeltjes
ongestoord het folie passeerden. De baan van enkele alfa-deeltjes werd tijdens
de doorgang door het folie sterk afgebogen. Deze bevindingen leidden tot het
atoommodel van Rutherford: een soort mini-zonnestelsel dat voornamelijk uit lege
ruimte bestaat terwijl de positieve lading en massa in de kern is geconcentreerd
(http://physics.rug.ac.be/fysica/applets/Rutherford4/index.htm ).
James
Chadwick (1891-1974), medewerker van Rutherford, toonde aan dat de atoomkern
naast positief geladen protonen ook deeltjes bevat met massa maar zonder lading,
de neutronen.
Een eeuw later stellen de meeste mensen zich een atoom nog
altijd voor zoals beschreven door het model van Rutherford. Ondertussen zijn er
evenwel nogal wat veranderingen voorgesteld met een steeds hogere graad van
abstractie waardoor veel mensen geen duidelijke voorstelling meer kunnen vormen
van het hedendaagse atoommodel.
Niels Bohr (1885-1962) nam aan dat
elektronen in vaste banen rond de kern draaien en dat elk elektron een bepaald
vaste hoeveelheid energie bezit: een quantum. De quantummechanica ging de
klassieke mechanica van Newton steeds meer overheersen.
Erwin Schrödinger
(1887-1961) deed het revolutionaire voorstel dat subatomaire deeltjes als
elektronen ook kunnen worden opgevat als golfbewegingen.
Werner
Heisenberg (1901-1976) betoogt dat de eigenschappen van een elektron
(positie, beweging) het best kunnen worden voorspeld door dekans dat
elektron zich ergens bevindt of zich in een bepaalde richting beweegt. Een
deterministisch wereldbeeld maakt geleidelijk plaats voor een stochastisch
wereldbeeld.
Meer info:
Opdracht:
Bestudeer 3.7 Modellen met moleculen en atomen
uit je leerboek (blz. 87) en maak opgaven 67 en
68.
Opdracht:
Bestudeer 3.8 Keerpunt 1600:wereldbeelden
uit je leerboek (blz.94) en maak opdracht 71, 73 t/m 77.
Raadpleeg de boeken
van S. Hawking en C.A. Ronan in de mediatheek.