1.4. HET BEGRIJPEN VAN DE WERKELIJKHEID

INDEX
HOME PAGE

Plato:
De zintuiglijk waarneembare wereld is voortdurend aan verandering onderhevig en daarom niet ‘kenbaar’. Achter deze wereld bestaat een eigen werkelijkheid: de ideeenwereld. De alledaagse werkelijkheid bestaat slechts uit vage afspiegelingen van de ideeen. De ideeenwereld is eeuwig en onveranderlijk. De ideeen kunnen ‘kenbaar’ worden wanneer we ons verstand gebruiken.

Aristoteles:
De werkelijkheid is ‘kenbaar’ door de waarneming. De zintuiglijke waarneming gaat steeds vooraf aan het verstandelijk denken. De werkelijkheid is het resultaat van een eenheid van vorm en materie. De veranderingen worden veroorzaakt door de voortdurende overgang van een potentiele vorm van de materie naar een reeele (werkelijke) vorm van die materie.

Thomas van Aquino:
"Men kan voor de waarheid van het verstand niet eisen, dat het begrijpen zelf gelijk wordt aan de werkelijkheid, aangezien de werkelijkheid materieel is, maar het begrijpen immaterieel. Wat ech8ter het verstand door te begrijpen zegt en kent, moet overeenstemmen met de werkelijkheid: dat wil zeggen dat het zó in de werkelijkheid is, zoals het verstand zegt."

Immanuel Kant:
"Twee dingen vervullen het hart met telkens weer nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langer je er bij stilstaat: de hemel vol sterren boven mij en de morele (zedelijke) wet in mij. De aanblik van het eerste vernietigt als het ware mijn belangrijkheid, als een dierlijk wezen, dat de stof waaruit het voortgekomen is, weer terug moet geven aan de planeet (slechts een stipje in het heelal), nadat het een korte tijd (je weet niet hoe) van levenskracht voorzien was. Het tweede echter verhoogt mijn waarde als een begrijpend wezen, oneindig door mijn persoonlijkheid. In deze persoonlijkheid openbaart zich een morele (zedelijke) wet, die van de dierenwereld en zelfs van de hele zintuiglijk waarneembare wereld onafhankelijk is."

Ludwig Wittgenstein:
"De hele moderne opvatting van de wereld is gebaseerd op de illusie dat de zogenaamde natuurwetten de verklaring zijn van natuurverschijnselen."

VRAGEN:

  1. Welke van bovengenoemde denkers kun je het duidelijkst typeren als empirist en welke het duidelijkst als rationalist?
  2. Hoe verschillen de opvattingen over de relatie tussen verstand en werkelijkheid bij Thomas, Kant en Wittgenstein?
  3. Welke opvatting komt het meest overeen met de moderne opvatting van de wetenschap?
  4. Is filosofie cultuur? En scheikunde?
  5. Bestudeer onderstaande uitspraken:
    • "Water, gelukkig water, dat het zonlicht raapt en de deining der sterren, waar de dood in slaapt …"
    • "Water, H2O, kookpunt 100oC, smeltpunt 0oC, opgebouwd uit 2 atomen waterstof en 1 atoom zuurstof"
    • Welke van deze beweringen is (wetenschappelijke) theorie, welke werkelijkheid?

Paragraaf 5