II. GENESIS

2.1. HET ONTSTAAN VAN NATUURWETENSCHAPPELIJKE KENNIS

INDEX
HOME PAGE

De ‘Grote Vragen’
We stellen onszelf regelmatig de vraag "Wie ben ik?" en "Waarom ben ik?". Omdat het antwoord op die vragen voor iedereen persoonlijk anders kan zijn, kan de natuurwetenschap hierover geen uitsluitsel geven. Voor natuurwetenschappers moet een antwoord algemeen geldend zijn, dus voor iedereen gelijk. Daarom moeten we de vraag anders stellen: "Wat is de mens?" en "Waarom is de mens?". Dat leidt dan al snel tot nog fundamentelere vragen: "Waar komt de mens vandaan?", "Wat is leven en hoe is leven ontstaan?" en "Wat is de wereld (heelal) en hoe is dat ontstaan?".

Over de oorsprong hebben vele wetenschappers en filosofen nagedacht en de ontwikkelingen en resultaten van dat denken vormen onderwerp van dit hoofdstuk.

De Natuurfilosofen
De bakermat van de ‘westerse wetenschap’ ligt in de Griekse oudheid. Griekse denkers die nadachten over natuurlijke fenomenen noemt men wel natuurfilosofen. Ze onderscheiden zich van natuurwetenschappers doordat ze nog geen wetenschappelijke procedure volgden (zie I). Ze gebruikten vooral hun verbeelding (fantasie-onderzoek) en ze kwamen tot hun conclusies door middel van redenatie (rationalisme). Bovendien speelde op de achtergrond de religie (Olympische Goden) een prominente rol.

De Griekse denkers, dus ook de natuurfilosofen waren respectabele figuren en vaak welgesteld. Het waren niet zelden aristocraten die het bedrijven van wetenschap als een puur geestelijke aangelegenheid beschouwden. Het uitvoeren van experimenten vereist handwerk en dat was beneden hun waardigheid.

Aan waarnemingen wordt nog betrekkelijk weinig waarde gehecht. Immers, de zintuigen kunnen worden bedrogen. Het verstand, daarentegen, laat zich niet misleiden en de meest pure vorm van wetenschap werd dan ook gevonden in de wiskunde.

Een aantal natuurfilosofen hebben een onmiskenbare rol gespeeld in de ontwikkeling van het denken over de ‘Grote Vragen’ en hun gedachtegoed heeft ook vandaag de dag nog invloed op het denken van velen. Hieronder volgen de bekendste:

De natuurfilosofen gingen er aanvankelijk vanuit dat alles is opgebouwd uit één oerstof. De twee belangrijksten waren Parmenides en Heraclitus die in dezelfde tijd leefden (ca. 540-480 vC.). Parmenides meende dat alles onveranderlijk is: de wereld zoals we die kennen is altijd zo geweest (vanaf de schepping). Ook al kunnen we tijdens tal van veranderingsprocessen waarnemen, Parmenides was van mening dat dit berustte op zinsbegoocheling; met zijn verstand beredeneerde hij de onveranderlijkheid van de wereld en daarmee was hij een uitgesproken rationalist.

Heraclitus vertrouwde veel meer op zijn waarnemingen (en was dus meer empiristisch ingesteld) en meende recalcitrant dat juist alles voortdurend aan verandering onderhevig is. Hij zette zijn gedachtegang kracht bij door een parabel (sales promotion?): "Een mens kan nooit twee keer dezelfde rivier oversteken. Immers, zodra je aan de overkant bent en wilt terugkeren, is al het water op die plaats in de rivier vervangen door ander water. Het is dus niet meer dezelfde rivier!" Beroemde uitspraak van Heraclitus luidt "Panta rhei" (alles stroomt).

Empedocles (494-434) ging ervan uit dat alles is opgebouwd uit meer dan één oerstof, namelijk vier. Deze zogenaamde elementen zijn water, aarde, lucht en vuur. De verschillende stof-kenmerken worden veroorzaakt door verschillen in mengverhouding van de elementen. De gedachte van de vier oer-elementen heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van de alchemie en geneeskunde en wordt nog steeds in pseudo-wetenschappelijke kringen aangehangen.

Anaxagoras (500-428) verkondigde de opvatting dat alles is opgebouwd uit deeltjes, of kiemen, zoals hij ze noemde. Elke kiem zou eigenschappen van alle dingen in verschillende mengverhouding bevatten. Daarmee lijken de kiemen wel wat op de dragers van de erfelijke eigenschappen, de chromosomen. Anaxagoras was een visionair denker wiens buitenissige ideeën niet altijd in goede aarde vielen. Hij lag vaak overhoop zowel geestelijke als wereldlijke autoriteiten zodat 2zijn ideeën niet zoveel weerklank vonden als ze misschien wel hadden verdiend.

Democritus (460-370) had als leerling van Leukippos meer succes. Democritus verspreidde de leer dat alles is opgebouwd uit oneindig veel verschillende deeltjes of atomen, zoals Leukippos ze noemde. De atomen zouden de kleinste deeltjes zijn die de kenmerken van een stof nog dragen en die niet verder deelbaar zijn.. Democritus stelde zich deze atomen voor als bolletjes met verschillende eigenschappen: harde, zachte, gladde, ruwe, kleverige, behaarde, glimmende, doffe, enzovoorts. De leer van Democritus heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van de natuurkunde.

De opvattingen van de natuurfilosofen (er waren er natuurlijk veel meer) konden natuurlijk niet worden gestaafd aan de hand van waarneming of experiment. Hun acceptatie hing in hoge mate af van de welsprekendheid en overtuigingskracht van de verkondiger van de leer. Zo werkte het tot stand komen van natuurwetenschappelijke kennis in den beginne.

Opdracht:
Bestudeer 2.1 Inleiding uit je leerboek (blz.21) en beantwoord vragen 1 t/m 4.

Opdracht:
Zoek de namen op van onderstaande natuurfilosofen op ENCARTA en lees hun biografie: Paramenides, Heraclitus, Empedocles, Anaxagoras, Leucippus en Democritus


Paragraaf 2