1.2. WAAROVER GAAT ANW?

INDEX
HOME PAGE

In de voorlichtingsbrochure van de SLO wordt de volgende typering van ANW gegeven:
Bij het examenprogramma van ANW wordt uitgegaan van de gedachte dat leerlingen als onderdeel van hun algemene ontwikkeling onder meer een overzicht dienen te krijgen van wat er in grote lijnen in de natuurwetenschappen gebeurt. Hoe gaat men te werk, wat voor onderwerpen bestudeert men, wat zijn de belangrijkste 2 beelden die dat oplevert en wat is het belang ervan voor andere aspecten van het maatschappelijk leven?
Om niet alleen overzicht maar ook inzicht te krijgen in de ontwikkeling der natuurwetenschappen kunnen we onszelf de volgende vraag stellen:
Hoe komt natuurwetenschappelijke kennis tot stand?
Daarbij zal de aandacht vooral gaan naar de wetenschappelijke procedure en de historische ontwikkeling van de natuurwetenschappen. Voor de wetenschappelijke procedure is het van belang om te weten wat men onder natuurwetenschappelijke kennis moet verstaan en uit de historische ontwikkeling blijkt dat de opvattingen daarover in de loop van de tijd zijn geëvolueerd.
In de vorige paragraaf is al gewezen op de maatschappelijke relevantie van de natuurwetenschappen. Meer in het bijzonder zullen we bij ANW aandacht besteden aan de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen en andere aspecten van het maatschappelijk leven zoals de geneeskunde, de biotechnologie en de globalisering.

Opdracht:
Wat zijn de vier hoofdvragen die bij ANW gesteld worden en welke extra aspecten zou je daar nog aan kunnen toevoegen?

Paragraaf 3

Programma van toetsing en afsluiting

Het examenprogramma ANW bestaat uit een schoolexamen dat zal worden afgenomen in de vorm van schriftelijke dossiertoetsen (STís) en praktische opdrachten (POís) tijdens het 4e en 5e leerjaar.
De examenstof bestaat uit de eindtermen vaardigheden en vakinhoud. Omdat de vereiste vaardigheden bij ANW dezelfde zijn als bij natuurkunde, scheikunde en biologie hebben deze secties afspraken gemaakt over de verdeling van de te toetsen vaardigheden in de vorm van POís.
In klas 4 ligt het accent op de maatschappelijke relevantie van de natuurwetenschappen. Dit betekent vooral aandacht voor de ontwikkelingen van geneeskunde en techniek. In klas 5 ligt de nadruk op de wetenschappelijke procedure waarbij de leerlingen met een natuurprofiel een ander aanbod gepresenteerd krijgen dan de leerlingen met een maatschappijprofiel.
De vakinhoud valt uiteen in een aantal domeinen die wij geïntegreerd zullen behandelen en die uit de volgende onderdelen bevat:

  • analyse en reflectie met betrekking tot natuurwetenschap en techniek, kennisvorming en toepassing van kennis
  • levenskenmerken, gezondheid, eenheid en verscheidenheid
  • biosfeer en duurzame ontwikkeling
  • materiaalkenmerken en productieprocessen
  • zonnestelsel en heelal

Leerlingen met een natuurprofiel in klas 5 krijgen relatief veel informatie over modelvorming in o.a. de astronomie. Leerlingen met een maatschappijprofiel in klas 5 zullen meer praktisch werk verrichten en krijgen meer informatie over biologische onderwerpen, zoals evolutie.
De vakinhoud kan op verschillende manieren worden getoetst. STís worden uitsluitend afgenomen tijdens de dossiertoetsweken. Andere toetsen (proefwerken , overhoringen) staan te boek als voortgangstoetsen (VTís).
Het rapportcijfer wordt bepaald door alle tot dan toe behaalde cijfers. De weging van de afzonderlijke cijfers staat vermeld in het PTA (programma van toetsing en afsluiting).
Het examencijfer wordt voor 75% bepaald door de STís en voor 25% door de POís